Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2004:AO4697

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
23-01-2004
Datum publicatie
02-03-2004
Zaaknummer
106994 / KG ZA 03-801
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eisers hebben onvoldoende relevante feiten gesteld op grond waarvan overtreding van het non-concurrentiebeding en/of het onrechtmatig handelen voldoende aannemelijk kan zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 106994 / KG ZA 03-801

Datum vonnis: 23 januari 2004

Vonnis

in kort geding

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

IMPECT HOLDING B.V.,

gevestigd te Utrecht,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

IMPECT (OOST) B.V.,

gevestigd te Arnhem,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LEFERINK ADVIES BUREAU B.V.,

gevestigd te Hengelo,

eisers bij dagvaardingen van 19 december 2003,

procureur mr. A.F.M. van Vlijmen,

advocaat mr. E. Smit te Zutphen,

tegen

1. X,

wonende te Z,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LAURA KARLIJN B.V.,

gevestigd te Malden, gemeente Heumen,

3. Y,

wonende te Z,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Y BEHEER B.V.,

gevestigd te Leusden,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

C-COMMIT B.V.,

gevestigd te Malden,

gedaagden,

procureur mr. F.J. Boom,

advocaat mr. F.W.G. Ambagtsheer te Utrecht.

Het verloop van de procedure

Eisers hebben gedaagden ter terechtzitting in kort geding doen dagvaarden en gevorderd zoals is weergegeven in de dagvaarding, met dien verstande dat zij hun eis hebben gewijzigd bij overlegging van akte van wijziging van eis. Gedaagden hebben zich niet verzet tegen de wijziging van eis, wel hebben zij geconcludeerd tot weigering van de gevorderde voorzieningen. De advocaten van partijen hebben de zaak bepleit overeenkomstig de door hen overgelegde pleitnotities. Zij hebben daarbij producties in het geding gebracht. Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

De vaststaande feiten

1. In juli 2000 is onder meer tussen eiseres sub 3 -hierna te noemen LAB, gedaagde sub 2 -hierna te noemen Laura Karlijn, en gedaagde sub 4 -hierna te noemen: Y Beheer- een samenwerkingsovereenkomst gesloten -hierna te noemen de overeenkomst. Namens Laura Karlijn is de overeenkomst gesloten door gedaagde sub 1 -hierna te noemen: X- en namens LAB door de gedaagde sub 3 -hierna te noemen: Y.

2. In de overeenkomst staat onder andere het navolgende vermeld:

“I. Partijen willen met elkaar onder de naam “Impect” één of meer

ondernemingen (hierna gezamenlijk te noemen: Impect) opzetten en gaan

drijven;

II. Kernactiviteit van Impect is het bijeenbrengen van vraag en aanbod van

arbeid middels het ten behoeve van de opdrachtgevers werven,

selecteren en inschakelen van mensen met de juiste kennis en

capaciteiten; (…)

1.1 Partijen verplichten zich met elkaar een besloten vennootschap op te

richten, hierna te noemen “Holding BV”, welke vennootschap zal

fungeren als houdstermaatschappij voor Impect. (…)

1.4. Partijen zullen Holding BV een besloten vennootschap laten oprichten

(…) welke vennootschap zal fungeren als werkmaatschappij voor de

activiteiten van Impect (…)

4.1. Partijen verplichten zich ieder afzonderlijk om tot twee jaar na het

moment waarop een partij niet langer aandeelhouder van Holding BV is,

de andere partijen geen concurrentie aan te doen. Onder het aandoen

van concurrentie wordt verstaan:

- het op enigerlei wijze betrokken zijn bij activiteiten die liggen op het

terrein van de activiteiten of aanverwante activiteiten van Holding BV en met Holding BV gelieerde ondernemingen;

- het aangaan en onderhouden van een zakelijke betrekking in de ruimste

zin van het woord met relaties van Holding BV of met Holding BV gelieerde ondernemingen. (…)

4.3 Onder relaties van Holding BV en met Holding BV gelieerde

ondernemingen zoals genoemd in dit artikel worden ten aanzien van een

partij verstaan de klanten/opdrachtgevers en medewerkers van Holding

BV of met Holding BV gelieerde ondernemingen die als zodanig in de

relatiebestanden van Holding BV of gelieerde ondernemingen zijn

opgenomen op het moment waarop het aandeelhouderschap van die

partij eindigt.

4.4 Indien een partij handelt in strijd met één van de verplichtingen uit dit

artikel, zal deze partij zonder dat enig nader bericht of handeling vereist

is, jegens de partijen die op het moment van overtreding (nog)

aandeelhouder van Holding BV zijn, onmiddellijk een boete verbeuren

die gelijk is aan € 10.000,-- voor elke inbreuk en € 1.000,-- voor elke dag

dat een inbreuk voortduurt nadat deze zich voor het eerst heeft

voorgedaan, ongeacht het recht van alle andere partijen om volledige

schadevergoeding te vorderen.”

3. Op 27 november tweeduizend is onder meer door Y Beheer, LAB en Laura Karlijn de vennootschap Impect Holding B.V. opgericht -hierna te noemen: Holding. De eerste bestuurders en aandeelhouders van Holding waren onder andere Y Beheer, LAB en Laura Karlijn. Directeur/aandeelhouder van LAB is L. Directeur/aandeelhouder van Laura Karlijn is X, en directeur/aandeelhouder van Y Beheer is Y.

4. Holding heeft op 27 november 2000 opgericht de vennootschap Impect B.V. -Holding en Impect B.V. hierna zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk ook te noemen: Impect.

5. In juni/juli 2002 heeft Y Beheer haar aandelen in Impect verkocht. Laura Karlijn heeft dat in juni/juli 2003 gedaan.

6. Op 20 augustus 2003 heeft Laura Karlijn de vennootschap C-Commit B.V. opgericht -hierna te noemen: C-Commit. Laura Karlijn is enig bestuurder en samen met Y Beheer de aandeelhouder van C-Commit. Y is als extern adviseur op basis van een managementovereenkomst verbonden aan C-Commit. C-Commit heeft onder meer ten doel: “het doen bemiddelen tussen vragers en aanbieders van arbeid; personeelsvoorziening door middel van détachering en uitzending en wervings- en selectie activiteiten;”

7. P -hierna te noemen: P- is in dienst geweest van Impect. Bij brief van 29 augustus 2003 aan de directie van Impect heeft hij aangegeven zijn dienstverband per 1 oktober 2003 te beëindigen omdat hij een andere werkgever heeft gevonden.

8. Y heeft namens Y Beheer aan de heer G van Impect via e-mail van 12 september 2003 onder andere bericht:

“Tot slot heb ik met je gesproken over een verrekening van het financiële belang bij overstap (vzr: van Impect naar C-Commit) van S (vzr: P) en andere mensen. We hebben het idee geopperd om een bedrag hiervoor te koppelen aan de hoogte van de verkoopsom van de aandelen Impect Holding die J (vzr: X) en ik verkocht hebben. Je zou kunnen zeggen: een deel van de verkoopsom vertegenwoordigt de waarde van het concurrentiebeding (vzr: in artikel 4 van de overeenkomst). Als we dit deel toerekenen per werknemer van Impect, dan zouden we dit bedrag per werknemer voor elke werknemer van Impect die bij C-Commit in dienst treedt, terug moeten betalen aan Impect. Ik zal een voorzet voor een berekening maken en deze met jou (…) bespreken.”

9. Tussen partijen is geen (financiële) regeling totstandgekomen als hiervóór onder 8 bedoeld.

10. P is in dienst getreden van de vennootschap Doxa B.V. te Den Haag.

De vorderingen

1. Eisers vorderen na bij akte hun eis gewijzigd te hebben, dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

a. gedaagden zullen worden bevolen zich te onthouden, gedurende twee jaar na het vonnis, van het direct of indirect, op welke wijze dan ook, benaderen van en/of onderhouden van contacten met personeel in dienst van Impect Holding of de aan haar gelieerde vennootschappen, die op enigerlei wijze kunnen concurreren met Impect Holding en de aan haar gelieerde vennootschappen;

b. gedaagden zullen worden bevolen zich te onthouden, gedurende twee jaar na het vonnis, van het direct of indirect, op welke wijze dan ook, benaderen van en/of onderhouden van contacten met, al dan niet voormalige, relaties van Impect Holding en de aan haar gelieerde vennootschappen, die op enigerlei wijze kunnen concurreren met Impect Holding en de aan haar gelieerde vennootschappen;

c. gedaagde zullen worden veroordeeld tot betaling van dwangsommen van € 10.000,00 voor iedere keer dat zij de onder a en b gevorderde bevelen overtreden en € 1.000,00 voor iedere dag dat de overtreding van deze bevelen voortduurt;

d. gedaagden zullen worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

2. Eisers leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat Laura Karlijn en Y Beheer het non-concurrentiebeding van artikel 4 van de overeenkomst overtreden en dat de overige gedaagden jegens eisers onrechtmatig handelen door, kort gezegd, Impect te beconcurreren door het werven onder haar personeel en onder haar relaties. Eisers stellen daartoe dat P door (één of meer van de) gedaagden is benaderd om in dienst te treden van C-Commit, als gevolg waarvan P met medeneming van het project waaraan hij bij de gemeente Nijmegen werkte, is vertrokken naar (uiteindelijk) Doxa B.V. Volgens Eisers heeft C-Commit banden met/belangen in Doxa B.V. Eisers stellen dat zij door het vertrek van P het project bij de gemeente Nijmegen hebben verloren en dat zij daardoor schade lijden. Eisers houden gedaagden aansprakelijk voor die schade. Eisers stellen verder dat gedaagden nog steeds medewerkers van Impect benaderen om voor C-Commit te gaan werken. Impect stelt vernomen te hebben dat voor een project van de gemeente Arnhem, waarvoor Impect een aantal medewerkers heeft gedetacheerd, thans een junior-projectleider is gedetacheerd. Volgens Impect is dat indirect een detachering door C-Commit, namelijk via Doxa B.V. Eisers hebben een lijst overgelegd met ruim 400 namen van volgens eisers klanten/opdrachtgevers van Impect.

3. Gedaagden voeren gemotiveerd verweer tegen het gevorderde, waarop hierna voor zover nodig zal worden ingegaan.

De motivering van de beslissing

1. Gedaagden betwisten dat zij op enigerlei wijze het non-concurrentiebeding overtreden. Evenzeer betwisten zij in enig opzicht onrechtmatig te handelen jegens eisers. Gedaagden voeren daarvoor aan dat zij P noch ander medewerkers van Impect hebben benaderd om voor C-Commit te gaan werken. Volgens gedaagden heeft P zelf telefonisch contact gezocht met X in de periode rond de oprichting van C-Commit omdat hij weg wilde bij Impect. Er heeft toen een gesprek plaatsgevonden tussen X en P. Omdat Impect bezwaar had en bleef houden tegen indiensttreding van de heer P bij C-Commit is volgens gedaagden afgezien van indiensttreding en is P vervolgens in contact gebracht met Doxa B.V. een bekende in de detacheringsmarkt. Gedaagden betwisten enig belang te hebben in Doxa B.V. en/of banden met die onderneming te hebben. Gedaagden betwisten verder gemotiveerd de omvang van de door eisers gestelde schade. Volgens berekening van gedaagden bedraagt de schade van Impect door het verlies van het project bij de gemeente Nijmegen geen € 46.000,00 maar ten hoogste € 5.810,00. Gedaagden bestrijden overigens aansprakelijk te zijn voor het verlies van het project. Volgens gedaagden komt het in de detacheringsmarkt wel vaker voor dat met het vertrek van een medewerker van het ene naar het andere detacheringsbureau er een project mee over gaat. Gedaagden hebben daar voorbeelden van gegeven.

Gedaagden betwisten dat alle op de overgelegde lijst met ruim 400 namen relaties zijn van Impect. Gedaagden herkennen 17 namen op de lijst als klanten van Impect. Zij betwisten dat zij die relaties van Impect benaderen. Op de lijst staan volgens gedaagden geen klanten van C-Commit.

2. Voorop wordt gesteld dat uit de hoofdregel van artikel 150 Rv volgt dat op eisers de stelplicht en de bewijslast rust van de aan gedaagden verweten handelingen, te weten overtreding van het non-concurrentiebeding en/of onrechtmatig handelen. Voor dit kort geding betekent dit dat eisers voldoende relevante feiten dienen te stellen en aannemelijk te maken waaruit de gewraakte schending van het non-concurrentiebeding en/of het onrechtmatig handelen kan volgen.

3. Tegenover de gemotiveerde betwisting van de zijde van gedaagden hebben eisers in geen enkel opzicht aannemelijk weten te maken dat P is losgeweekt van Impect door toedoen van (één of meer van de) gedaagden, en evenmin is ook maar enigszins gebleken dat C-Commit (en/of één van de overige gedaagden) in enig opzicht belangen heeft in, of anderszins banden heeft met, de nieuwe werkgever van P, Doxa B.V. Eisers hebben ter zitting wel gesteld dat er “op de achtergrond” een band bestaat tussen Doxa B.V. en C-Commit, maar zij hebben op geen enkele wijze onderbouwd waaruit die band “op de achtergrond” dan precies bestaat. Dat (één van de) gedaagden ook andere medewerkers van Impect benaderen met het voorstel om voor hen te gaan werken is slechts gebaseerd op geruchten die eisers ook ter zitting in geen enkel opzicht maar enigszins hebben kunnen onderbouwen.

4. Dan is er de lijst met relaties van Impect. Het verweer van gedaagden dat daarop slechts 17 klanten van Impect staan hebben eisers niet voldoende ontzenuwd, en evenmin is door hen aannemelijk gemaakt dat één van de vermeende relaties door (één of meer van) gedaagden wordt benaderd voor het verkrijgen van met eisers concurrerende projecten.

5. Eisers hebben de door hen gestelde feiten dus niet aannemelijk gemaakt. De gevraagde voorzieningen stuiten reeds daarop af. In het midden kan dan blijven of de gestelde feiten -indien zij aannemelijk zouden zijn geworden- voorshands de conclusie kunnen rechtvaardigen dat (één of meer van de) gedaagden onrechtmatig of in strijd met het non-concurrentiebeding hebben gehandeld. Eveneens kan in het midden blijven of eisers een voldoende spoedeisend belang hebben bij de gevraagde voorzieningen en of zij in die vorderingen ontvankelijk zijn.

6. Als de in het ongelijk gestelde partij, zullen eisers worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

De beslissing

De voorzieningenrechter

weigert de gevorderde voorzieningen,

veroordeelt eisers in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van gedaagden bepaald op € 205,00 voor griffierecht en op € 703,00 voor salaris procureur.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. van der Pol en in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.J. Daggenvoorde uitgesproken op 23 januari 2004.