Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2004:AO4252

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
23-02-2004
Datum publicatie
23-02-2004
Zaaknummer
05/090137-03 en 05/070929-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak Nijmeegse Juwelierszaak; De rechtbank heeft uit de beschikbare bewijsmiddelen met name niet de overtuiging verkregen dat de door verdachte blijkens het proces-verbaal van bevindingen afgelegde verklaringen een zodanige strekking en reikwijdte bezitten dat zij leiden tot het bewijs dat verdachte het hem tenlastgelegde heeft begaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector strafrecht

Meervoudige Kamer

Parketnummers : 05/090137-03 en 05/070929-03

Datum zitting : 9 februari 2004

Datum uitspraak : 23 februari 2004

VONNIS

TEGENSPRAAK

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats],

thans gedetineerd in PI Midden Holland, HvB Haarlem, Harmenjansweg 4 te Haarlem.

Raadsman: mr. J.F. van Halderen, advocaat te Haarlem.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

parketnummer 05/090137-03:

1.

hij op of omstreeks 22 januari 2003 te Nijmegen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid sieraden en/of een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Juwelier [slachtoffer]., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die sieraden en/of geld onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming en/of welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffers], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een pistool, althans een op een pistool gelijkend voorwerp, op die [slachtoffers] en/of die [slachtoffer] heeft/hebben gericht en/of die [slachtoffer] meerdere malen, althans eenmaal (tegen het gehele lichaam) heeft/hebben geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of getrapt en/of de woorden "je hebt op de knop gedrukt, ik schiet je kapot", althans woorden van gelijke aard of strekking, heeft/hebben geuit en/of (vervolgens tijdens de vlucht) meerdere kogels in de richting van die [slachtoffer] heeft/hebben afgevuurd;

2.

hij op of omstreeks 22 januari 2003 te Nijmegen, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk S. [slachtoffer] van het leven te beroven, opzettelijk met een vuurwapen meerdere kogels in de richting van het (boven)lichaam van die [slachtoffer] heeft afgevuurd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

parketnummer 05/070929-03:

hij op of omstreeks 10 januari 2003 te Haarlem tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een bedrijf ([adres]) heeft weggenomen een aantal pakjes sigaretten en/of een hoeveelheid geld en/of radio-cassette-cd-speler en/of een (muziek)computer en/of een (zogenaamde) regelkast, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam], in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming (forceren van een toegangsdeur en/of sigarettenautomaten en/of videogames en/of een kluis).

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 9 februari 2004 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. J.F. van Halderen, advocaat te Haarlem.

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd en is ter terechtzitting verschenen S. [slachtoffer], wonende te [adres], gemachtigde mr. R.L.M. van den Wildenberg, advocaat te Nijmegen, die vordert dat verdachte wordt veroordeeld aan hem bij wijze van voorschot te betalen een bedrag van € 20.000,- aan materiële en immateriële schadevergoeding.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder parketnummer 05/090137-03 sub 1 en 2 en onder parketnummer 05/070929-03 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De officier van justitie heeft voorts verzocht dat de vordering van de benadeelde partij S. [slachtoffer] tot het gevorderde bedrag van

€ 20.000,- wordt toegewezen en dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 235 dagen hechtenis.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

2a. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman heeft aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging van verdachte dient te worden verklaard, aangezien:

[naam]

Politie en justitie lijken in deze zaak koste wat het kost tot een veroordeling van cliënt te willen komen. In het proces-verbaal van bevindingen de dato 4 maart 2003 is - ten aanzien van een verhoor met [naam] - gerelateerd:

"De verdachte werd uitgelegd, dat er met de officier van justitie overleg gepleegd zou worden om te bekijken of de gedane uitspraken van de verdachte [naam] op enigerlei wijze buiten het dossier gehouden konden worden. Hierbij werd tevens gezegd, dat wij daar omtrent niets konden en wilden toezeggen. "

Een merkwaardige gang van zaken. Meent de politie hier serieus te bezien of onderzoeksgegevens op een of andere manier uit het dossier gelaten kunnen worden? Of is deze uitlating eerder gedaan om [naam] aan het praten te krijgen?

Opvallend is dat [naam] op de zitting van 19 januari jl. zegt dat ze bij het onderzoek zo transparant mogelijk zijn geweest. Het uit het dossier laten van stukken verhoudt zich dus niet met de opmerking van [naam] op de zitting. Wat zich er wel mee verhoudt is zijn opmerking: "Het ging ons erom een zaak tot een oplossing te brengen". Doel heiligt de middelen?

verhoor cliënt

Maar het kan nog erger. Na de aanhouding van cliënt heeft hij zich direct op zijn zwijgrecht beroepen, mede in afwachting van een gesprek met mij. In het proces verbaal van bevindingen de dato 14 mei 2003 (naar aanleiding van een verhoor van cliënt) wordt opgenomen:

"De verdachte is vervolgens nogmaals uitgelegd hoe de eventuele afspraak met de officier van justitie is. Hem is duidelijk uitgelegd dat de officier van justitie eerst zijn verklaringen moet doornemen alvorens hij een beslissing neemt met betrekking tot de voorgeleiding. "

Onduidelijk was wat er bedoeld wordt met de "eventuele afspraak met de officier van justitie". Zowel cliënt als het dossier hebben dit verduidelijkt. Met cliënt is door de politie besproken dat - indien hij zou gaan verklaren wat hij allemaal wist over de overval - de officier zou overwegen cliënt niet aan de rechter-commissaris voor te leiden en dat hij weer terug zou kunnen gaan naar "De Koepel" in Haarlem en zijn aanmelding bij de Waag en arbeidsreïntegratie kon effectueren. Cliënt is voorgehouden door de politie dat hij anders naar een huis van bewaring in Arnhem zou gaan, waardoor hij het werken aan zijn nieuwe start wel kon vergeten. Cliënt wordt hier tijdens de verhoren in een vroegtijdig stadium al "bewerkt" om in het straatje van de politie te verklaren. Ook gaat politie er dus al vanuit dat cliënt de schutter is geweest. Dat zo'n vooringenomen houding leidt tot merkwaardige onderzoeken hebben we gezien in de zaak [naam]. Toen ik door cliënt op de hoogte werd gebracht van deze uitlatingen van de politie heb ik telefonisch contact opgenomen met de officier van justitie, mr. [naam]. In dit telefoongesprek deelde de officier mij mede dat hij de proceshouding van cliënt (het beroep op zijn zwijgrecht) geenszins accepteert en dat het een kwestie van "nu of nooit" was. Gevraagd naar wat de officier daarmee bedoelde, deelde hij mij mede dat hij bereid was na een bekennende verklaring van cliënt, geen bewaring van hem te vorderen en hem, zonder beperkingen, terug te plaatsen naar het huis van bewaring in Haarlem. Ik heb de officier toen voorgehouden dat cliënt het recht heeft om te zwijgen en om op een door hem gewenst moment een verklaring af te leggen en dat dit moment zou zijn nadat ik de stukken had bestudeerd en met hem de zaak had besproken. Ik leef in de veronderstelling dat de verdachte en de verdediging het recht hebben om de stukken te bestuderen en te bespreken. De officier kennelijk niet, want hij deelde mij toen mede dat hij daarmee niet akkoord kon gaan en alleen nu (tijdens de drie dagen van de inverzekeringstelling) bereid was zijn "medewerking" te verlenen. Het was - in de woorden van de officier - niet aan mij of cliënt de (voort)gang van het onderzoek te bepalen. Al in het beginstadium worden de rechten van cliënt en verdediging derhalve niet serieus genomen door de officier.

ontbrekende stukken Typerend voor deze houding is voorts dat in het dossier de verklaringen van de familieleden (vader, moeder en broer) van cliënt ontbreken. Zowel bij de huiszoeking als op andere gelegenheden hebben zij (ieder afzonderlijk) de politie aangegeven hoe de dagbesteding van cliënt in zijn algemeenheid en op 22 januari 2003 in het bijzonder is geweest. Op laatstgenoemde datum sliep cliënt, zoals voor hem gebruikelijk was, tot (ver) in de middag uit om vervolgens wat met vrienden rond te hangen. Geen van deze verklaringen is opgenomen. Niet in de vorm van een verhoor en ook niet in de vorm van een proces verbaal van bevindingen. Het onderzoek is dan ook op zijn minst sterk eenzijdig belicht. Hoe vergaren we (politie/justitie) zoveel mogelijk belastend bewijs en hoe laten we ontlastende - maar kennelijk ook "off the record" belastende - verklaringen buiten het dossier.

taps, printgegevens, machtiging

Tientallen telefoongesprekken zijn opgenomen en uitgeluisterd. Tientallen printgegevens en gegevens van steunzenders zijn (kennelijk) opgevraagd, maar in mijn dossier zit nog steeds geen machtiging van de rechter-commissaris en/of een bevel van de officier ten aanzien van de in de artikelen 126m en 126n Sv omschreven bevoegdheden. Dat is op zijn minst merkwaardig, nu de officier zelf op de zitting van 19 augustus 2003 - toen hij nog nadere tapgegevens, bevelen en machtigingen heeft inbracht - heeft gezegd:

"De stukken die ik heb ingebracht zijn BOB-stukken. Stukken die zien op de toetsbaarheid van het opsporingsonderzoek. Deze stukken dienen deel uit te maken van het dossier. "

Waarom zien de stukken (tapgesprekken in de week voorafgaande aan de zitting van 19 augustus 2003) wel op de toetsbaarheid van het opsporingsonderzoek en waarom dienen deze stukken wel deel uit te maken van het dossier, maar voegt de officier niet eigenhandig de machtigingen en bevelen waar het allemaal mee is begonnen bij het dossier? Deze stukken zien toch ook op de toetsbaarheid van het opsporingsonderzoek en dienen toch ook deel uit te maken van het dossier? Dat is ook de reden waarom cliënt naar mij verwijst ter zake van vragen naar aanleiding van telefoonverkeer.

taps 13/8-19/8

En dan tot slot de gang van zaken rond de bevelen en machtigingen in de week van 13 augustus 2003 tot en met 19 augustus 2003. In het proces verbaal van 12 augustus 2003 is [naam] als verdachte genoemd. In hetzelfde proces verbaal van 13 augustus 2003 staat ook de naam van [naam] als verdachte. Nu is echter deze naam doorgehaald en is met de hand de naam van cliënt bijgeschreven. De officier heeft eerder aangegeven niet te weten wie het proces-verbaal heeft gewijzigd en waarom, maar het blijft mijns inziens zijn verantwoordelijkheid.

De officier heeft zich vanaf 19 augustus 2003 op het standpunt gesteld dat [naam] niet aangemerkt kan worden als verdachte, maar dat dat niet afdoet aan de rechtmatigheid van de bevelen en vorderingen. Waarom zij dan toch als zodanig in de processen verbaal aangeduid wordt is nog steeds niet door de officier verklaard. Het proces verbaal zelf geeft een mogelijk antwoord. In het pv staat:

"Naar aanleiding van vorenstaande informatie werd door de officier van justitie te Arnhem, mr. A. van Veen, besloten tot het horen van S. [naam] tijdens de rechtszaak contra RRT Benjamin op 19 augustus 2003. Hiertoe zal S. [naam] een oproeping ontvangen. Na ontvangst van deze oproeping is het zeer wel mogelijk dat S. [naam] met anderen over deze oproeping en de overval van 22 januari 2003 te Nijmegen zal spreken. "

Op basis van deze overweging wordt onder meer de telefoon van de moeder van cliënt getapt. De officier heeft op de zitting van 19 augustus 2003 gezegd dat hij [naam] op die zitting als getuige zou willen confronteren met de tapgesprekken en nadere verkregen informatie in de week voorafgaand aan de zitting.

Met andere woorden: De officier is voornemens om [naam] als getuige te horen op de zitting en roept haar daartoe op. Van deze oproep heb ik overigens nooit een kopie gekregen. De officier verwacht dat zij - na ontvangst van de oproep - met mensen wellicht over de overval zal praten. Om haar met de inhoud van die mogelijke gesprekken te kunnen confronteren, wordt een pv opgemaakt waarin zij wordt vermeld als verdachte. Dit pv wordt een dag later aangepast in die zin dat haar naam bij de kwalificatie "verdachte" wordt doorgehaald en met pen de naam van cliënt wordt vermeld. Door de kwalificatie van [naam] als "verdachte" wordt het bevel tot tappen verkregen en inlichtingen gevorderd bij de telefoonmaat-schappij. Met die informatie, verkregen in haar hoedanigheid van "verdachte" moet zij, in haar hoedanigheid van "getuige", worden geconfronteerd. De hoedanigheid van verdachte is met name van belang voor het verkrijgen van de inlichtingen ex artikel 126n Sv, omdat deze inlichtingen alleen kunnen worden verkregen over gesprekken waaraan de verdachte heeft deelgenomen.

Direct nadat de informatie is verkregen zegt de officier dat hij [naam] niet als verdachte ziet. Zoals ik al eerder heb betoogd gaat het mijns inziens hier om een niet toelaatbare U-bocht constructie teneinde op ogenschijnlijk rechtmatige wijze gegevens te kunnen verkrijgen. Gegevens die specifiek bedoeld zijn om de getuige op zitting mee te kunnen confronteren. Het onderzoek over de periode van 13 augustus 2003 tot en met 19 augustus 2003 was dus niet direct bedoeld voor de zaak tegen cliënt, doch meer ter confrontatie van de te horen getuige.

Ik acht deze gang van zaken, althans de houding van politie en justitie in deze uiterst merkwaardig. Dusdanig merkwaardig dat ik u verzoek het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren. Elementaire rechten van cliënt, getuigen en van de verdediging - zoals onder meer verwoord in artikel 6 EVRM - zijn mijns inziens met voeten getreden door de scoringsdrang of crime fighter mentaliteit van politie en justitie in deze.

De rechtbank is van oordeel, gelet op de inhoud van het verweer in samenhang alsmede op de verschillende onderdelen van dit verweer afzonderlijk bezien, dat er aan de zijde van het Openbaar Ministerie geen sprake is geweest van een ernstige schending van beginselen van goede procesorde waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van verdachtes belangen tekort is gedaan aan diens recht op een behoorlijke behandeling van zijn zaak. Het verweer wordt daarom verworpen en de officier van justitie wordt ontvankelijk verklaard in zijn strafvervolging.

Mogelijk zou de gang van zaken, die niet altijd vlekkeloos is geweest, hebben kunnen leiden tot strafvermindering, maar gezien de navolgende beslissing komt de rechtbank daaraan niet toe.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte behoort te worden vrijgesproken van hetgeen hem onder parketnummer 05/090137-03 sub 1 en 2 is tenlastegelegd.

De rechtbank heeft uit de beschikbare bewijsmiddelen met name niet de overtuiging verkregen dat de door verdachte blijkens het proces-verbaal van bevindingen afgelegde verklaringen een zodanige strekking en reikwijdte bezitten dat zij leiden tot het bewijs dat verdachte het hem tenlastegelegde heeft begaan.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verdachte behoort te worden vrijgesproken van hetgeen hem onder parketnummer 05/070929-03 is tenlastegelegd.

De rechtbank acht met name niet overtuigend bewezen dat het flesje waarop DNA van verdachte is aangetroffen door verdachte is achtergelaten terwijl hij zich, al dan niet vergezeld door een ander of anderen, in het bedrijf ([naam]) aan de [adres] te Haarlem, bevond ter gelegenheid en ter zake van de tenlastegelegde gekwalificeerde diefstal op 10 januari 2003 tussen 01.00 uur en 07.03 uur. Hierdoor is de betrokkenheid van verdachte bij deze diefstal niet meer te bewijzen.

In verband met deze beslissing behoort de voorlopige hechtenis van verdachte te worden opgeheven.

4. De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van geleden schade.

De rechtbank zal de benadeelde partij S. [slachtoffer] niet-ontvankelijk verklaren in de vordering nu verdachte wordt vrijgesproken van hetgeen hem wordt verweten.

5. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart de officier van justitie ontvankelijk in zijn strafvervolging.

Spreekt verdachte vrij van de hem onder bovenstaande parketnummers tenlastegelegde feiten.

Heft op de voorlopige hechtenis van verdachte.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij S. [slachtoffer] (gemachtigde mr. R.L.M. van den Wildenberg, advocaat te Nijmegen), wonende te [adres].

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

Aldus gewezen door:

mr. J.P. Bordes, rechter, als voorzitter,

mr. C. Lely-van Goch, rechter,

mr. M. Keppels, rechter,

in tegenwoordigheid van J.L. de Vos, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 februari 2004.