Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2004:AO4140

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
05-02-2004
Datum publicatie
19-02-2004
Zaaknummer
BOPZ 04/05
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De officier van justitie heeft verzocht om het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf van een persoon in een psychiatrisch ziekenhuis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector familierecht

kenmerk: BOPZ 04/05

datum uitspraak: 5 februari 2004

Beschikking BOPZ (voorwaardelijke machtiging)

Het verzoek en de procedure

De officier van justitie heeft bij verzoekschrift, ingekomen op 8 januari 2004, verzocht om het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf van de in het dictum genoemde persoon in een psychiatrisch ziekenhuis. Bij het verzoek zijn over-gelegd de door de Wet BOPZ voorgeschreven stukken.

De rechter heeft op 5 februari 2004 gehoord de betrokkene, de advocaat van de betrokkene, mr. A.T.L. van der Meulen, en de (waarnemer van de) behandelaar,

C. Wezel, SPV.

De beoordeling

De rechtbank is op grond van de overgelegde stukken en de door haar verkregen inlichtingen tot de overtuiging gekomen dat de stoornis van de geestvermogens van de betrokkene ook na verloop van de geldigheidsduur van de lopende machtiging aanwezig zal zijn en dat die stoornis de betrokkene ook dan gevaar zal doen veroorzaken.

Betrokkene lijdt aan psychotische stoornissen met depressieve en manische episodes. Op dit moment is de psychose verbleekt, maar betrokkene blijft kwetsbaar voor decompensatie.

Vast staat dat betrokkene reeds geruime tijd (anderhalf jaar) met voorwaardelijk ontslag is, dat zij zich houdt aan de afspraken met de behandelaar en de SPV’er en dat zij haar medicatie trouw inneemt. Verlenging van de machtiging is slechts nodig als steun in de rug en om snel te kunnen ingrijpen als decompensatie dreigt.

Uit het voorgaande blijkt dat het gevaar buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend door het stellen en naleven van voorwaarden.

Het overgelegde behandelingsplan is met instemming van betrokkene opgesteld door de behandelaar. Daarin zijn de volgende voorwaarden voor verlof opgenomen:

- betrokkene neemt de medicatie zoals voorgeschreven in;

- betrokkene komt de afspraken met de ambulante behandelaar na;

- betrokkene accepteert IPT, vervolgens BZW;

- betrokkene accepteert heropname wanneer decompensatie dreigt.

De bedoeling is dat betrokkene zonodig zal worden opgenomen in P.Z. de Gelderse Roos te Wolfheze.

Betrokkene heeft tijdens het verhoor (nogmaals) kenbaar gemaakt dat zij instemt met het behandelingsplan en de daarin gestelde voorwaarden. Zij heeft het behandelingsplan voor akkoord ondertekend.

Aan de voorwaarden voor het verlenen van een voorwaardelijke machtiging is derhalve voldaan.

De officier van justitie heeft verzocht een machtiging tot voortgezet verblijf te verlenen. Uit het verzoek en de daaraan voorafgaand opgestelde geneeskundige verklaring blijkt echter al dat de machtiging gevraagd wordt in een situatie waarin betrokkene met voorwaardelijk ontslag thuis verblijft en dat deze machtiging als “paraplumachtiging” is bedoeld. Betrokkene was immers al geruime tijd voor het opstellen van de geneeskundige verklaring en het verzoekschrift met voorwaardelijk ontslag.

Uit de toelichting bij de Wet van 13 juli 2002 tot wijziging van de Wet bijzondere opneming in psychiatrische ziekenhuizen (voorwaardelijke machtiging en observatiemachtiging), in het bijzonder artikel 14a, welke wet in werking is getreden op 1 januari 2004, blijkt dat de voorwaardelijke machtiging (mede) is bedoeld om in de plaats te komen van de zogenaamde paraplumachtiging. Nu de geneeskundige verklaring kort vóór en het verzoek kort na 1 januari 2004 zijn opgesteld en duidelijk is dat het verzoek is gericht op handhaven van de huidige situatie, leest de rechtbank het verzoek als een verzoek tot het verlenen van een voorwaardelijke machtiging. De rechtbank ziet geen aanleiding in deze situatie eerst nog, met toepassing van artikel 8a Wet BOPZ, haar gevoelen aan de officier kenbaar te maken.

Op grond van de toepasselijke bepalingen van de Wet BOPZ wordt daarom als volgt beslist.

De beslissing

De rechtbank

verleent een voorwaardelijke machtiging met betrekking tot:

betrokkene,

geboren op datum,

woon/verblijfadres: Y te Z,

voor de duur van zes maanden, onder de voorwaarde dat betrokkene onder behandeling blijft van de behandelaar overeenkomstig het overgelegde behandelingsplan en de hiervoor genoemde voorwaarden.

Deze beschikking is gegeven op 5 februari 2004 door mr. A.E.M. Overkamp, rechter, in tegenwoordigheid van L. Ipenburg, griffier.

de griffier de rechter