Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2004:AO3741

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
20-01-2004
Datum publicatie
16-02-2004
Zaaknummer
eg.nr.: 03/141 Wvg
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is, mede gelet op de toelichting bij voormelde bepaling, van oordeel dat een redelijke wetsuitleg van artikel 2.11, eerste lid, van de Verordening met zich brengt dat verweerder de zevenjaren-termijn ook kan hanteren in de situatie dat de aanvrager binnen deze termijn is verhuisd vanuit een aangepaste woning in een andere gemeente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector bestuursrecht

Reg.nr.: 03/141 Wvg

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

X,

wonende te Arnhem, eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 22 oktober 2002, welk bij schrijven van 9 december 2002 aan eiseres ter kennis is gebracht.

2. Procesverloop

Op 6 maart 2002 heeft eiseres bij verweerder een aanvraag ingediend voor een financiële tegemoetkoming in de kosten van een aantal woonvoorzieningen op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg).

Bij besluit van 11 juli 2002 heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

Het tegen dit besluit (tijdig) ingediende bezwaarschrift heeft verweerder bij het in rubriek 1 aangeduide besluit ongegrond verklaard.

Het tegen het bestreden besluit (tijdig) ingestelde beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 10 december 2003. Eiseres is aldaar in persoon verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. E.A. Tanamal, werkzaam bij verweerders gemeente.

3. Overwegingen

Aan het bestreden besluit (tot afwijzing) ligt ten grondslag dat eiseres in de gemeente Nijmegen beschikte over een woning die in de zeven jaar voorafgaande aan de aanvraagdatum door middel van aanpassingen adequaat was gemaakt. Een woonvoorziening als door eiseres aangevraagd wordt maximaal éénmaal in de zeven jaar verstrekt zolang verhuizing naar een nieuwe woning niet noodzakelijk is wegens ondervonden belemmeringen bij het normale gebruik van de oude woning. Van dit laatste is volgens verweerder geen sprake.

Eiseres heeft de juistheid van het bestreden besluit beargumenteerd bestreden, op welke argumenten hieronder, voor zover noodzakelijk, nader wordt ingegaan.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, sub b, van de Verordening voorzieningen gehandicapten 2000 van de gemeente Arnhem (hierna: de Verordening) kan de door burgemeester en wethouders te verstrekken woonvoorziening bestaan uit een financiële tegemoetkoming in de kosten van woningaanpassing.

In artikel 2.11, eerste lid, van Verordening is bepaald dat burgemeester en wethouders een financiële tegemoetkoming verlenen in de kosten van een woonvoorzienig als bedoeld in artikel 2.1 onder b en c maximaal éénmaal in de zeven jaar indien de noodzaak tot het treffen van deze woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing welke niet noodzakelijk was wegens ondervonden belemmeringen bij het normale gebruik van de oude woning. In de toelichting op artikel 2.11, eerste lid, van de Verordening wordt aangegeven dat een gehandicapte die vanuit een andere gemeente een (aangepaste) woning in de gemeente zoekt waar deze verordening van kracht is, moet aantonen dat hij de laatste zeven jaar niet verhuisd is (brengplicht) vanuit een aangepaste woning.

Ingevolge het eerste lid van artikel 8.1 van de Verordening zijn burgemeester en wethouders bevoegd in bijzondere gevallen ten gunste van de gehandicapte of andere rechthebbenden af te wijken van de bepalingen in de Verordening, indien toepassing daarvan leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.

Vooraleerst overweegt de rechtbank dat tussen partijen niet in geschil is dat er, gelet op het advies van Hulpverlening Gelderland Midden van 16 april 2002, een medische noodzaak bestaat tot aanpassing van de woning welke eiseres heeft gekocht in Arnhem. Verder is onweersproken dat de door haar verlaten woning in de gemeente Nijmegen is aangepast nadat hiervoor op grond van de Wvg een financiële tegemoetkoming is toegekend en dat deze eerdere toekenning heeft plaatsgevonden binnen zeven jaar voorafgaande aan de datum van de onderhavige aanvraag.

Ter zitting heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen het feit dat verweerder eerst daar, op verzoek van de rechtbank, de toelichting op de Verordening heeft overgelegd. De rechtbank overweegt dienaangaande dat hetgeen door verweerder is ingebracht, algemeen verbindende voorschriften zijn die bekend zijn gemaakt zodat eiseres van de inhoud daarvan redelijkerwijs kennis had kunnen nemen.

Voor zover eiseres in beroep stelt dat de woning in Nijmegen niet geschikt was omdat het een ouderenflat betrof en de lift in het gebouw regelmatig stuk was, waardoor ze zich opgesloten voelde, overweegt de rechtbank dat deze omstandigheden geen belemmeringen vormen als bedoeld in artikel 2.11, eerste lid, van de Verordening, nu duidelijk is dat daar gedoeld wordt op ergonomische belemmeringen. De rechtbank zal er hierna dan ook van uitgaan dat de door haar verlaten woning adequaat was.

Vervolgens is aan de orde het door eiseres gestelde dat het bepaalde in artikel 2.11, eerste lid, van de Verordening haar niet kan worden tegengeworpen. Primair omdat in de Verordening zelf niet is opgenomen dat de zevenjaren-termijn ook geldt bij verhuizing vanuit een andere gemeente (intergemeentelijk) en subsidiair omdat aan een gemeente op grond van de Wvg niet de bevoegdheid zou toekomen een dergelijke bepaling op te nemen in de Wvg-verordening.

Voor hun beider standpunten hebben partijen verwezen naar de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 4 december 2001, JSV 2002, 38 en 5 juni 2001, JSV 2001, 134. De rechtbank is echter van oordeel dat uit deze uitspraken niet valt af te leiden dat de CRvB zich eenduidig heeft uitgesproken over intergemeentelijke toepassing van met artikel 2.11 van de Verordening vergelijkbare bepalingen.

De rechtbank is, mede gelet op de toelichting bij voormelde bepaling, evenwel van oordeel dat een redelijke wetsuitleg van artikel 2.11, eerste lid, van de Verordening met zich brengt dat verweerder de zevenjaren-termijn ook kan hanteren in de situatie dat de aanvrager binnen deze termijn is verhuisd vanuit een aangepaste woning in een andere gemeente. Aan eiseres moet worden toegegeven dat de letterlijke tekst van voormeld artikel van de Verordening doet vermoeden dat hantering slechts mogelijk is indien een eerdere toekenning heeft plaatsgevonden door verweerder en niet door het college van burgemeester en wethouders van een andere gemeente. Gezien de ratio van het artikel, te weten dat wordt voorkomen dat woningaanpassingen, waarmee aanzienlijke bedragen aan gemeenschapsgeld zijn gemoeid, met een grotere frequentie dan één maal in de zeven jaar plaatsvinden, ziet de rechtbank aanleiding zich aan te sluiten bij de tekst van de toelichting op voormelde bepaling van de Verordening.

Ook kan de rechtbank eiseres niet volgen in haar stelling dat verweerders gemeente op grond van de Wvg niet de bevoegdheid toekomt deze regeling in de Verordening op te nemen. De rechtbank hecht in dit verband met name betekenis aan het feit dat de Wvg slechts een algemeen kader schept voor de toekenning van voorzieningen aan gehandicapten door de gemeente. Blijkens de geschiedenis van totstandkoming van genoemde wet rust op de gemeente voorts de verplichting om binnen dit kader regels te stellen op grond waarvan voorzieningen als hiervoor bedoeld worden verstrekt. Hierbij komt de gemeente de nodige beoordelingsvrijheid toe. Gelet op het hiervoor genoemde algemeen kader van de Wvg en de aan verweerder opgelegde verplichting tot het stellen van regels is de rechtbank van oordeel dat verweerder door het opnemen van artikel 2.11 van de Verordening niet buiten de omvang van haar bevoegdheid is getreden. De verordening is op dit punt niet in strijd met het in de Wvg gegeven globale kader.

Volgens eiseres heeft verweerder verder ten onrechte geen toepassing gegeven aan de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 8.1 van de Verordening, dan wel is het bestreden besluit dienaangaande onvoldoende gemotiveerd. In bezwaar heeft zij ter onderbouwing van haar standpunt aangevoerd dat zij zich in de woning in Nijmegen opgesloten en onveilig voelde. Daarnaast voelde ze zich niet op haar plaats in een ouderenflat.

In het primaire besluit, waarnaar wordt verwezen in het bestreden besluit, heeft verweerder aangegeven dat het beroep op de hardheidsclausule niet wordt gehonoreerd, omdat ‘uw beroep daar op onderbouwd wordt met een verwijzing naar het hiervoor gestelde, welke onderbouwing wij niet afdoende achten voor een toekenning.’ Deze verwijzing is echter niet ter zake, omdat in het primaire besluit niet is opgenomen wat eiseres heeft aangevoerd.

Verweerder heeft in het verweerschrift echter opgemerkt dat de omstandigheden die in bezwaar zijn aangevoerd geen beroep op de hardheidsclausule rechtvaardigen. De rechtbank zal het verweerschrift in zoverre lezen als een verzoek om het bestreden besluit aangevuld te achten met deze motivering en zal dit beoordelen aan de hand van deze verbeterde motivering.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door eiseres aangevoerde omstandigheden geen aanleiding geven tot toepassing van artikel 8.1 van de Verordening. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de omstandigheden waarop door eiseres in dit verband een beroep wordt gedaan door verweerder reeds zijn meegewogen bij de beoordeling van de vraag of eiseres in haar oude woning ergonomische belemmeringen ondervond welke de verhuizing noodzakelijk maakten.

Uit het voorgaande volgt dat verweerder bij de invulling van zijn uit de Wvg voortvloeiende zorgplicht, in redelijkheid de gevraagde voorziening kon weigeren.

Het beroep dient derhalve ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. E. Klein Egelink, rechter, en in het openbaar uitgesproken op ,in tegenwoordigheid van mr. G. Christiaanse als griffier.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op:

Coll: