Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2004:AO3301

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
09-02-2004
Datum publicatie
10-02-2004
Zaaknummer
05/097001-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Militair gestraft voor het samen met een ander mishandelen van een collega militair. Deze mishandeling had zwaar lichamelijk letsel tot gevolg. Dit gebeurde op de compound in Banja Luka tijdens uitzending naar Bosnie. De militaire kamer legt verdachte een maand onvoorwaardelijke vrijheidsstraf met aftrek op. Verdachte heeft al meer dan die tijd in voorlopige hechtenis gezeten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector strafrecht

Militaire Kamer

Parketnummer : 05/097001-03

Datum zitting : 26 januari 2004

Datum uitspraak : 9 februari 2004

VERKORT VONNIS

TEGENSPRAAK

in de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

stand/rang : [rang]

rnr. : [nummer]

ingedeeld bij : [naam]

Raadsman: mr. R.A. Scherpenhuysen, advocaat te Harderwijk.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de militaire kamer toegelaten vordering wijziging tenlastelegging, tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 23 februari 2003, te of nabij Banja Luka, althans in Bosnie-Herzegovina, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk M.H.E. [slachtoffer] van het leven te beroven, meermalen, althans een maal, (telkens) opzettelijk voornoemde [slachtoffer] (met kracht) heeft geschopt en/of getrapt en/of gestompt en/of geslagen en/of met de voet (met kracht) heeft gepord of geduwd en/of een (metalen) deur (met kracht) tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of gestoten en/of die [slachtoffer] met een fles op/tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geslagen en/of die [slachtoffer] met een flessenopener, althans met enig hard en/of scherp voorwerp, heeft gestoken en/of geprikt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 23 februari 2003, te of nabij Banja Luka, althans in Bosnie-Herzegovina, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, aan een persoon genaamd M.H.E. [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een gebroken kaakbeen en/of een of meer gebroken ribben en/of een gebroken neusbeen en/of een longkneuzing en/of een klaplong en/of een nierkneuzing), heeft toegebracht, door deze meermalen, althans een maal, (telkens) opzettelijk (met kracht) te schoppen en/of te trappen en/of te stompen en/of te slaan en/of met een (metalen) deur tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] te slaan en/of te stoten en/of met een fles op/tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan en/of die [slachtoffer] met een flessenopener, althans met een hard voorwerp, te steken en/of te prikken;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 23 februari 2003, te of nabij Banja Luka, althans in Bosnie-Herzegovina, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten M.H.E. [slachtoffer]), heeft geschopt en/of getrapt en/of gestompt en/of geslagen en/of met de voet (met kracht) heeft gepord of geduwd, tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel (gebroken kaakbeen en/of een of meer gebroken ribben en/of een gebroken neusbeen en/of een longkneuzing en/of een klaplong en/of een nierkneuzing), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden ;

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht.

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 26 januari 2004 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. R.A. Scherpenhuysen, advocaat te Harderwijk.

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd M.H.E. [slachtoffer], wonende te [adres], die vordert dat verdachte wordt veroordeeld aan hem te betalen een bedrag van

€ 10.948,- aan schadevergoeding.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair en subsidiair tenlastegelegde zal worden vrijgesproken en ter zake van het meer subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 dagen onvoorwaardelijk met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De officier van justitie heeft voorts gesteld dat de vordering van de benadeelde partij M.H.E. [slachtoffer] niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. Hij vordert daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De militaire kamer acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte primair en subsidiair is tenlastegelegd en zal hem daarvan vrijspreken. De militaire kamer is van oordeel dat met name niet is bewezen dat verdachte de opzet (ook niet in voorwaardelijke zin) had om het latere slachtoffer van het leven te beroven noch deze zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

De militaire kamer acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 23 februari 2003, te of nabij Banja Luka, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk mishandelend een persoon (te weten M.H.E. [slachtoffer]), heeft geschopt en/of getrapt en gestompt en/of geslagen en met de voet heeft gepord of geduwd, tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel (gebroken kaakbeen en gebroken ribben en een gebroken neusbeen en een longkneuzing en een klaplong en een nierkneuzing), heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

De militaire kamer is van oordeel dat verdachte, nadat hij door de medeverdachte [naam] was gewekt deze medeverdachte heeft geassisteerd bij het mishandelen en het naar buiten werken van de in het slaapverblijf aangetroffen man. Verdachte had zich bewust moeten zijn van de mishandeling die het slachtoffer onderging en die zich voor zijn ogen voltrok. Verdachte heeft zich daarvan niet gedistantieerd aangezien hij, tijdens die mishandeling opstond van zijn bed, zich aankleedde en kon aanschouwen hoe een en ander verliep; pas later heeft hij gezegd tegen zijn medeverdachte ermee op te houden. Toen deze dit niet deed heeft verdachte niet ingegrepen.

Aan het eind van hetgeen het slachtoffer is overkomen heeft verdachte met zijn medeverdachte samengewerkt door het slachtoffer met de voet te porren en te trachten hem buiten het slaapverblijf te werken waarbij de medeverdachte de deur tegen het hoofd van het slachtoffer sloeg of stootte.

Door te handelen als verdachte heeft gedaan heeft hij het feit medegepleegd en kan hij tot op zekere hoogte ook verantwoordelijk worden geacht voor de aan het slachtoffer toegebrachte letsels.

Hetgeen verdachte meer subsidiair meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

“medeplegen van mishandeling terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft”,

voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 300, eerste lid in verband met het tweede lid, juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Over verdachte is een rapport opgemaakt door drs. H.M.J. Vandenboorn, gezondheidszorgpsycholoog BIG te Amersfoort, gedateerd 19 mei 2003, waarin hij concludeert dat verdachte ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde feit niet lijdende was aan een ziekelijke stoornis dan wel gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens.

De militaire kamer verenigt zich met die conclusie en maakt die tot de hare.

Overeenkomstig deze conclusie kan niet worden gezegd dat verdachte niet strafbaar is. Er is voorts ook geen andere omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de militaire kamer rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 15 mei 2003;

- een voorlichtingsrapportage van de Reclassering Nederland, Unit1 Arnhem, gedateerd 23 mei 2003, betreffende verdachte;

- het hiervoor onder 5 vermelde rapport opgemaakt door drs. H.M.J. Vandenboorn, gezondheidszorgpsycholoog BIG te Amersfoort, gedateerd 19 mei 2003.

De militaire kamer overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft samen met een ander een persoon dusdanig mishandeld dat deze zwaar gewond raakte. Dit is een ernstig feit omdat verdachte voor het toegebrachte letsel tot op zekere hoogte mede verantwoordelijk is. De militaire kamer houdt er rekening mee dat de toegebrachte letsels vrijwel geheel zijn toegebracht door de medeverdachte.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen oordeelt de militaire kamer dat voor de afdoening van de onderhavige zaak geen andere straf in aanmerking komt dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur.

De militaire kamer is van oordeel dat de grondslag voor de voorlopige hechtenis van verdachte thans niet meer aanwezig is. De met ingang van 4 april 2003 te 12.00 uur geschorste voorlopige hechtenis zal daarom worden opgeheven.

6a. De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van geleden schade.

De militaire kamer zal de benadeelde partij M.H.E. [slachtoffer] niet-ontvankelijk verklaren in de vordering omdat deze niet van eenvoudige aard is.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is, behalve op de hiervoor genoemde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10 en 27 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De militaire kamer, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van het primair en subsidiair tenlastegelegde.

Verklaart bewezen dat verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer subsidiair meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van EEN (1) MAAND.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

Heft op het met ingang van 4 april 2003 geschorste bevel voorlopige hechtenis.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij M.H.E. [slachtoffer], wonende te [adres].

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering. Verstaat dat de benadeelde partij haar vordering kan aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Aldus gewezen door:

mr. E.G. Smedema, rechter als voorzitter,

mr. A.G. van Doorn, rechter,

kapitein ter zee van administratie mr. P.J. Schreuder, militair lid,

in tegenwoordigheid van J.L. de Vos, griffier.

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 februari 2004.