Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2004:AO3245

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
06-02-2004
Datum publicatie
09-02-2004
Zaaknummer
AWB 03/1551
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2005:AS2201
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

voor subsidietoekening op grond van de Subsidieregling Natuurbeheer 2000 is datum aanvraag bepalend voor de vraag of een betrokkene beschikt over enig zakelijk of duurzaam persoonlijk recht op de in de aanvraag genoemde percelen.

Hoger beroep bij Afdeling Bestuursrecht Raad van State; LJN AS2201.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB 03/1551

Uitspraak

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

X, eiser,

wonende te Y, vertegenwoordigd door K.J.M. Kuipers,

en

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 3 juni 2003.

2. Procesverloop

Bij besluit van 22 december 2000 heeft verweerder de door de Unie van Bosgroepen op 16 augustus 2000 ingediende aanvraag voor subsidie in het kader van de Subsidieregeling natuurbeheer 2000 afgewezen.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het daartegen ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 15 januari 2004. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door ing. K.J.M. Kuipers. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. R.A.M. Verheyden.

3. Overwegingen

In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

In artikel 2 van de Subsidieregeling Natuurbeheer 2000 (hierna: de Regeling) is bepaald dat de Minister aan beheerders en aan anderen dan beheerders als bedoeld in artikel 5 en 6 ter bevordering van de duurzame ontwikkeling en instandhouding van bossen en natuurterreinen, mede met het oog op de recreatieve functie daarvan, wegens inkomstenderving als gevolg van verminderde productierendement van landbouwgronden, alsmede ter bevordering van de duurzame instandhouding van landschappelijke elementen op aanvraag subsidie kan verstrekken.

Ingevolge artikel 1 van de Regeling wordt onder beheerder verstaan de ondernemer dan wel enig ander natuurlijk persoon of rechtspersoon die krachtens zakelijk of duurzaam persoonlijk recht beschikt over het recht tot gebruik en beheer van een terrein, doch voor zover het een vereniging betreft, slechts een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid.

Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat nu eiser niet krachtens enig zakelijk of duurzaam persoonlijk recht beschikt (of heeft beschikt) over het recht tot gebruik en beheer van meergenoemde percelen, geen subsidie op grond van de Regeling kan worden verleend.

Eiser kan zich hiermee niet verenigen en stelt zich op het standpunt dat hij op het moment van de aanvraag mede-eigenaar was van landgoed D. en hij beschikte over het recht tot gebruik en (feitelijk) beheer van voornoemd landgoed.

Uit de gedingstukken blijken naar het oordeel van de rechtbank navolgende feiten en omstandigheden. Namens eiser heeft de heer K.J.M. Kuipers, wonende te A, op 16 augustus 2000 een aanvraag ingediend voor subsidie op grond van de Regeling. Blijkens de tot de aanvraag behorende kaart is voornoemde aanvraag ingediend voor (delen van) de percelen kadastraal bekend gemeente Y., sectie B, nrs.. Op de tot de gedingstukken behorende in de bezwaarfase door eiser aangeleverde kadastrale kaart is aangegeven dat eiser ten tijde van de aanvraag eigenaar is van de percelen met de nummers a en b en hij mede-eigenaar is van het perceel met nummer c. Laatstgenoemde percelen zijn op 27 december 2000 in eigendom overgedragen aan Y., wonende te H. en Z, wonende te G.

Ter zitting is gebleken dat verweerder in beginsel voor een tijdvak van zes jaar subsidie verleent. Als toetsingsmoment wordt de datum aanvraag gehanteerd. In beginsel dient de aanvrager gedurende het hele subsidietijdvak eigenaar van de percelen te zijn. Indien een betrokkene tussentijds het eigendom van de gesubsidieerde percelen overdraagt, dan kan de subsidie door verweerder worden ingetrokken. Indien de nieuwe eigenaren verklaren het natuurbeheer voort te zetten, dan blijft subsidieverstrekking mogelijk.

Voorts is ter zitting en uit de gedingstukken gebleken dat indien blijkt dat een betrokkene geen eigenaar of duurzaam zakelijkgerechtigde is van alle in de aanvraag genoemde percelen verweerder over een deel van de aanvraag subsidie kan verstrekken.

De rechtbank stelt vast dat eiser ten tijde van de aanvraag eigenaar was van de percelen met de nummers a en b en hij derhalve op basis van deze percelen een aanvraag voor subsidie had kunnen indienen. Ten aanzien van de overige percelen staat naar het oordeel van de rechtbank thans onvoldoende vast dat eiser beschikte over enige zakelijk of duurzaam persoonlijk recht op grond waarvan hij gerechtigd was een subsidie-aanvraag als onderhavige in te dienen.

Nu verweerder ter zitting heeft aangegeven dat het toetsingsmoment voor de subsidietoekenning is gelegen op datum aanvraag, is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit had dienen te beoordelen of eiser op 16 augustus 2000, wegens het in eigendom hebben van diverse percelen op die datum, in aanmerking kwam voor toekenning van subsidie op grond van de Regeling. Dat eiser in december 2000 het eigendom van de percelen heeft overgedragen aan zijn kinderen kan aan toetsing niet afdoen, nu verweerder ter zitting heeft verklaard dat een eenmaal toegekende subsidie kan worden ingetrokken op het moment van overdracht of de subsidieverplichtingen kunnen worden overgenomen door de nieuwe eigenaren. Voorts kan aan vorenstaande toetsing niet af doen dat verweerder ten tijde van het bestreden besluit op de hoogte was van het feit dat eiser geen duurzaam eigendom van de percelen zou hebben en derhalve niet gedurende het hele subsidietijdvak eigenaar zou zijn van de percelen, dit nu verweerder diende te toetsen op datum aanvraag. Eiser en verweerder, althans in ieder geval verweerder, waren op die datum onbekend met het feit dat de percelen zouden worden overgedragen.

Nu het bestreden besluit genomen is in strijd met artikel 7:12 van de Awb, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.

Nu niet gebleken is van door eiser gemaakte proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, acht de rechtbank geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 116,- aan hem vergoedt;

wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. H.J.A.M. van Geest, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.M.M.B. van Eeten, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2004.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: