Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2004:AO3009

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
14-01-2004
Datum publicatie
04-02-2004
Zaaknummer
94487 / HA ZA 02-1933
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding; Onrechtmatige daad;

Gelet op het gemotiveerde verweer van Skylight volgt uit de hoofdregel van art. 150 Rv. dat op X de last rust om te bewijzen dat de zogenoemde Bühnenblitz in de omstandigheden waaronder dit werd ontstoken een zodanige hoeveelheid geluid heeft voortgebracht dat gehoorschade daarvan het gevolg kan zijn.

De rechtbank beveelt een deskundigenonderzoek. Vooralsnog komt de rechtbank niet toe aan de zogenoemde omkeringsregel omdat daarvoor vereist is dat vaststaat dat Skylight jegens X onrechtmatig heeft gehandeld en het voorts aannemelijk is dat het gevaar waartegen de geschonden norm beoogt te beschermen zich heeft verwezenlijkt (vgl. HR 29-11-02, RvdW 2002, 190 en 191).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 94487 / HA ZA 02-1933

Datum vonnis: 14 januari 2004

Vonnis

in de zaak van

X,

wonende te A,

eiser,

procureur mr. J.G.F. Smallenbroek,

advocaat mr. E.W. van der Graaf te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SKYLIGHT VUURWERK EVENEMENTEN EN SPECIAL EFFECTS BV,

gevestigd te Houten,

gedaagde,

procureur mr. J.C.N.B. Kaal,

advocaat mr. P.S.T. Awater te Rotterdam.

Het verloop van de procedure

Voor het verloop van de procedure tot het tussenvonnis van 12 februari 2003 wordt naar dat vonnis verwezen. Ter uitvoering van dit tussenvonnis is een comparitie van partijen gehouden. Het proces-verbaal daarvan bevindt zich bij de stukken. Verder zijn nog de volgende processtukken gewisseld:

? Een akte van depot van de zijde van X;

? een akte van de zijde van X met producties;

? een antwoordakte van de zijde van Skylight;

? een akte houdende producties van de zijde van X.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De vaststaande feiten

1.1 Op woensdag 19 november 1997 zijn door Borghstaete Advies en Organisatie Bureau V.O.F. de beurs-promotiedagen Ondernemend Rivierenland georganiseerd. In opdracht van Borghstaete heeft Skylight de opening van de beurs verzorgd om circa 15.00 in de evenementenhal van Hotel Van der Valk te Tiel. Die hal was 23,7 meter breed en 72,5 meter lang. Het plafond was 3,65 meter hoog. In het plafond bevond zich in de lengterichting in het midden een 6 meter brede en 50 cm dikke verlaging. De afstand tussen de vloer en het verlaagde plafond bedroeg 3.15 meter. Het was die dag gemiddeld 3,5? C en in de middag 4,2? C, terwijl de luchtvochtigheid gemiddeld 75%, en om 15.00 67%, was.

1.2 Ter gelegenheid van de opening heeft Skylight in opdracht van Borghstaete een champagnefles gebruikt die is voorzien van een zogenoemde ‘Bühnenblitz klein/Toneelbliksem klein’ (hierna: de Bühnenblitz) en een sterrenspuiter. Die Bühnenblitz beoogt het ontkurken van een champagnefles na te bootsen. In de hals van de champagnefles werd een zilveren sterrenspuiter gemonteerd en achter de fles in een metalen houder werd een Bühnenblitz gemonteerd. Bij het ontsteken van de Bühnenblitz ontstaan volgens de zich bij de stukken bevindende gebruiksaanwijzing een ‘zwakke knal en een flits’.

1.3 De gebruiksaanwijzing van de Bühnenblitz (Art. Nr. 1810, BAM-PT1- 0706, Klasse T) vermeldt voorts onder meer het volgende:

“(3) niet aansteken in de buurt van personen of van brandgevaarlijke

voorwerpen. Houd bij gebruik in ruimtes rekening met het effect op brandmeldingsinstallaties. Veilige afstand vastleggen in overleg met veiligheidsverantwoordelijke.

(…)

(5) ATTENTIE: na het ontsteken reageert het pyrotechnische voorwerp onmiddellijk met een zwakke knal en een flits. Minimale afstand voor personen en licht ontvlambaar materiaal 1 meter rondom – 1 meter naar boven.”

1.4 Ten tijde van de act - te weten het ontsteken van de knal van de Bühnenblitz - bevond X bevond zich tussen het aanwezige publiek in de zaal en op enige meters afstand van de ‘champagnefles’ met Bühnenblitz.

1.5 X is op 20 november 1997 bij zijn huisarts geweest. De patiëntenkaart van 24 maart 2003 vermeldt daarover onder meer het volgende:

“gisteravond lawaaitrauma li oor.

inspectie: in tv geringe injectie vgb

stemvorkproef geen afw.

suizen op basis lawaai.

R/30 ST BETAHISTINE 2HCL PB16MG TAB:3T1”

1.6 Bij brief van 16 maart 1998 heeft prof. Dr. B, KNO-arts, verbonden aan het AZU te Utrecht (hierna: B) onder meer het volgende geschreven:

“Recent zag ik op mijn spreekuur je bovengenoemde patient.

Er bestaat bij hem inderdaad bdz een hoge tonen perceptief verlies welke ontstaan zou zijn na een merkwaardig accident: vuurwerkexplosie tijdens opening van bedrijvencomplex. Oorspronkelijk was bdz een tinnitus aanwezig. Nu heeft nog steeds last van de linker zijde. Tevens zou er geluidsvervorming aan de linker zijde optreden. Patient’s otologische anamnese is blanco. Geen geluidstraumata voorheen. Subjectief is overigens zijn tinnitus wel verbeterd na Betaserc medicatie. Bij routine KNO-onderzoek geen afwijkingen. Voor de audiometrische bevindingen zij verwezen naar bijgesloten kopie van toon-en spraakaudiogram inclusief suisanalyse d.d. 27-2-1998. Bdz bestaat er een hoge tonen perceptief verlies van 50 dB bij 8000 Hz. Zijn tinnitus zou een frequentie van 10.000 Hz hebben met een intensiteit van 35 à 40 dB en overstembaar.

Conclusie: tinnitus op basis van lawaaitrauma. Medicamenteus

heb ik hem niets meer te bieden dan reeds tot nu toe plaatsvindt.”

1.7 Tinnitus is te duiden als oorsuizen.

1.8 Stellende dat hij als gevolg van de knal van de Bühnenblitz op 19 november 1997 blijvend letsel aan het linkeroor heeft opgelopen, heeft X Skylight aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden schade. Skylight heeft aansprakelijkheid van de hand gewezen.

Het geschil

2. X vordert, zakelijk weergeven, dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor recht zal verklaren dat Skylight toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld en dat zij gehouden is tot vergoeding van de gehoor- en andere schade die Ortman als gevolg daarvan heeft geleden. Hij stelt daartoe dat zijn gehoor aan het linkeroor blijvend is beschadigd als gevolg van de knal van de Bühnenblitz die Skylight op 19 november 1997 tijdens beurs-promotiedagen in Hotel Van der Valk te Tiel heeft ontstoken. Skylight had door, volstrekt onverwacht, binnenskamers vuurwerk af te steken het risico van het ontstaan van gehoorschade in het leven geroepen. Zij had zich daarvan moeten onthouden, althans had zij voorzorgsmaatregelen moeten treffen om X en anderen voor de knal te waarschuwen. X heeft als gevolg van de knal Tinnitus, oorsuizen, opgelopen waardoor bovendien (neuro)psychologische en sociale klachten zijn ontstaan. De schade bestaat uit materiële en immateriële schade. De materiële schade bestaat uit niet gedekte kosten van medische behandelingen en verlies aan verdienvermogen.

3. Skylight voert gemotiveerd verweer. Daarop zal, voorzover van belang, hierna worden ingegaan.

De beoordeling van het geschil

4. Centraal staat de vraag of Skylight jegens X onrechtmatig heeft gehandeld door op 19 november 1997 tijdens de beurs-promotiedagen in Hotel Van der Valk in Tiel een Bühnenblitz, die gepaard gaat met geluid en met een flits, te ontsteken. Kernstelling van X is immers dat de hoeveelheid geluid die de Bühnenblitz veroorzaakte, in aanmerking genomen de beperkte ruimte waarin deze werd ontstoken en de lage binnentemperatuur, te groot is geweest, als gevolg waarvan het gehoor aan zijn linkeroor blijvend is beschadigd. Hoe hard het geluid van de Bühnenblitz is geweest staat evenwel niet vast. Volgens de gebruiksaanwijzing van de Bühnenblitz is sprake van een ‘zwakke knal’, volgens X was sprake van een ‘zeer luide knal’ respectievelijk van een ‘hevige knal’, een ‘harde, scherpe, flinke knal’ een ‘flinke hoeveelheid lawaai’ en een ‘oorverdovende knal’.

5. Skylight spreekt dat gemotiveerd tegen: volgens haar was sprake van een ‘theaterplof’, behorende bij een standaardact die bedoeld is om binnen te worden gebruikt. Onder verwijzing naar de als productie 4 bij antwoord overgelegde informatie van het Internet over geluid stelt zij dat een kortstondig geluid van 80 decibel niet als gevaarlijk kan worden aangemerkt, dat beschadiging van het gehoor kan ontstaan als men dagelijks een kwartier bloot staat aan een geluidsniveau van boven de 105 decibel, dat bij constant lawaai de grens voor een veilige geluidsterkte moet worden gesteld op 80 decibel en dat het geluid van de theaterplof slechts één moment was en onder de 80 decibel en dus niet schadelijk. Het publiek stond, volgens Skylight, op circa 6 meter afstand van de act in verband met de vrijkomende vuurvonken van de sterrenspuiter en niet in verband met het geluid. Van een onverwacht ontsteken van de Bühnenblitz was volgens haar geen sprake, er bestond geen aanleiding te waarschuwen voor de theaterplof die reeds vele malen bij gelijke gelegenheden op dezelfde wijze is gebruikt en nooit klachten over het geluid heeft opgeleverd.

6. Skylight betwist voorts het causaal verband tussen de act en de door X gestelde tinnitus aan het linkeroor. Onder verwijzing naar de als productie 5 overgelegde Internet informatie over oorsuizen betoogt zij dat er vele andere mogelijke oorzaken van oorsuizen bestaan, naast lawaai. Volgens die informatie kan bij herhaalde blootstelling aan te veel lawaai het oorsuizen blijvend worden, omdat er een definitieve beschadiging in het binnenoor is opgetreden. Van teveel lawaai was volgens Skylight geen sprake en evenmin van een ‘herhaalde blootstelling’. Bij gebreke aan enige onderbouwing betwist Skylight voorts de gestelde (neuro)psychologische en sociale klachten. Psychisch onbehagen komt bovendien niet voor vergoeding in aanmerking.

7. Bij beantwoording van de vraag of voor Skylight aansprakelijk uit onrechtmatige daad bestaat geldt als uitgangspunt dat een inhoudelijke afweging van alle relevante omstandigheden dient plaats te vinden. Daarbij dient op de voet van HR 5 november 1965, NJ 1966, 136 in het bijzonder te worden gelet op de grootte van de kans dat zich een ongeval - het oplopen van letsel door een ander - zou voordoen, op de ernst die de gevolgen daarvan zouden kunnen hebben en op de mate van bezwaarlijkheid van te nemen veiligheidsmaatregelen.

8. Gelet op het gemotiveerde, onder 5 weergegeven verweer van Skylight volgt uit de hoofdregel van art. 150 Rv dat op X de last rust te bewijzen dat een Bühnenblitz, in de omstandigheden waaronder deze op 19 november 1997 werd ontstoken, een zodanige hoeveelheid geluid voortbrengt dat gehoorschade daarvan het gevolg kan zijn. De vraag of Skylight zich op 19 november 1997 in Hotel Van der Valk naar maatstaven van zorgvuldigheid van het ontsteken van de Bühnenblitz had moeten onthouden is immers vooral afhankelijk van de mate van waarschijnlijkheid dat gehoorschade daarvan het gevolg is.

9. Dat bewijs is ook nodig want volgt, anders dan X kennelijk meent, niet reeds uit het als productie 4 bij dagvaarding overgelegde krantenartikel, noch uit het krantenartikel uit het Brabants dagblad van oktober 1998, noch uit de schriftelijke verklaringen van J.M. Visée-den Teuling (‘er inderdaad sprake was van een harde knal’) en D.H. Hoogenraad (‘scherpe en harde knal’). Dat bewijs volgt evenmin reeds uit de omstandigheid dat X op 20 november 1997 bij zijn huisarts is geweest in verband met ‘lawaaitrauma linkeroor’ en evenmin uit het enkele feit dat door KNO-arts B in maart 1998 tinnitus op basis van lawaaitrauma bij X is gediagnosticeerd.

10. Op de comparitie is besproken dat de rechtbank op dit punt voorlichting door één of meer deskundigen behoeft. Partijen zijn het ter zitting eens geworden over de benoeming van de heer J.Vos van de afdeling Technische Menskunde van TNO te Soesterberg, alsmede, primair, Prof. Dr. K. Graamans, KNO arts verbonden aan het St. Radboud Ziekenhuis te Nijmegen, subsidiair Prof. Dr. Snow, KNO arts, verbonden aan het VU Ziekenhuis te Amsterdam. Skylight heeft voorstellen voor vragen aan de deskundige gedaan en X heeft daarop bij brief van zijn advocaat van 4 juni 2003 opmerkingen gemaakt. Met die vragen zal zo veel mogelijk rekening worden gehouden, hetgeen niet wegneemt dat op onderdelen een andere formulering en/of vraagstelling de voorkeur verdient.

11. Het komt de rechtbank doelmatig voor eerst de heer J. Vos tot deskundige te benoemen ter beantwoording van - kort gezegd - de vraag naar de hoeveelheid geluid die wordt geproduceerd door het ontsteken van de Bühnenblitz onder de hierna onder 12 te noemen omstandigheden. De rechtbank zal de deskundige voorts verzoeken om, voor zover mogelijk, ook de vraag te beantwoorden of de door hem vastgestelde hoeveelheid geluid gevaarlijk kan worden geacht. De heer Vos heeft desgevraagd laten weten bereid en in staat te zijn het onderzoek uit te voeren. De rechtbank zal hem derhalve tot deskundige benoemen. Afhankelijk van de uitkomsten van dit onderzoek kan dan vervolgens de benoeming van één van beide KNO-artsen aan de orde komen.

12. De afmetingen van de ruimte waarin op 19 november 1997 bij Hotel Van der Valk te Tiel de Bühnenblitz werd ontstoken - onder 1.1 weergegeven - staan vast. Volgens X vond de act plaats precies op de scheidslijn tussen de ruimte met het hoger (3.65 meter) en de ruimte met het lager (3.15 meter) plafond. Skylight heeft op zichzelf niet betwist dat de champagnefles met Bühnenblitz zich toen bevond op die scheidslijn, zodat daarvan moet worden uitgegaan. Niet duidelijk is slechts de exacte plaats op de scheidslijn. Verder staat inmiddels vast dat het die dag geen -8 ? C vroor maar dat het die dag gemiddeld 3,5? C was en in de middag 4,2? C en dat de luchtvochtigheid gemiddeld 75%, en om 15.00 67%, was. Uit de als productie 2 bij akte door X overgelegde brief van Hotel Van der Valk volgt voorts - door Skylight niet bestreden - dat normaal gesproken in het Hotel de verwarming op 25? C staat, dat de beurs vrij druk werd bezocht en dat er bepaalde buitendeuren openstonden. Resteert ten slotte de afstand tussen X en de champagnefles met Bühnenblitz. Uit zijn akte van 27 augustus 2003 blijkt inmiddels dat niet uitgesloten moet worden dat die afstand een meter of 6 bedroeg zodat, bij gebreke van aanwijzingen die duiden op een andere afstand, daarvan zal moeten worden uitgaan. Dat komt ook overeen met hetgeen Skylight daarover bij antwoord onder 6 heeft opgemerkt.

13. Aan de vraag naar het causaal verband tussen een eventueel onrechtmatig handelen van Skylight en de bij X blijkens zijn brief van maart 1998 door KNO-arts B gediagnosticeerde tinnitus op basis van lawaaitrauma - en derhalve ook aan de vraag naar de toepasselijkheid van de in de rechtspraak ontwikkelde ‘omkeringsregel’- komt de rechtbank vooralsnog niet toe. Voor toepassing van de omkeringsregel is in een geval als het onderhavige immers vereist dat komt vast te staan dat Skylight op 19 november onrechtmatig jegens X heeft gehandeld in de onder 7 en 8 genoemde zin en voorts dat aannemelijk is dat het gevaar waartegen de geschonden norm beoogt te beschermen zich heeft verwezenlijkt (vgl HR 29 november 2002, RvdW 2002, 190 en 191). In verband daarmee verdient wel opmerking dat Skylight de juistheid van de diagnose die KNO-arts B in zijn brief van 16 maart 1998 heeft gesteld- te weten dat bij X sprake is van tinnitus op basis van lawaaitrauma- niet (gemotiveerd) heeft bestreden zodat dit als vaststaand heeft te gelden. Aan de enkele, niet nader onderbouwde, betwisting dat X last heeft van tinnitus moet dus voorbij worden gegaan.

14. Gelet op hetgeen onder 8, eerste zin, is overwogen bestaat aanleiding X te belasten met het voorschot ter zake van de kosten van de deskundige. Op grond van de begroting door de deskundige wordt zijn voorschot vastgesteld op € 1.500,00 excl. BTW.

15. Nu het voorval als gevolg waarvan X stelt een gehoorbeschadiging te hebben opgelopen inmiddels meer dan zes jaar geleden heeft plaatsgevonden en KNO-arts B al in maart 1998 concludeerde dat bij X sprake was van een tinnitus op basis van lawaaitrauma, is aannemelijk dat inmiddels een eindsituatie is bereikt zodat er van moet worden uitgegaan dat het mogelijk is de schade in de onderhavige procedure te begroten. Afhankelijk van de uitkomst van de bewijslevering zal X in de gelegenheid worden gesteld de door hem gestelde materiële en immateriële schade te specificeren en te onderbouwen. Skylight zal daarop dan mogen reageren.

16. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. De rechtbank ziet geen aanleiding om in afwijking van de hoofdregel van art. 337 lid 2 Rv in dit stadium van de procedure tussentijds hoger beroep uitdrukkelijk toe te staan.

De beslissing

De rechtbank:

beveelt een onderzoek door een deskundige ter beantwoording van de volgende vragen:

1. Kunt u, indien u de onder 12 in dit vonnis genoemde omstandigheden in aanmerking neemt, zo exact mogelijk vaststellen wat de hoeveelheid geluid is die gepaard gaat met het ontsteken van de onder 1.3 genoemde Bühnenblitz?

2. Kunt u voorts de tijdsduur van dat geluid, door X onder meer een oorverdovende knal en door Skylight een theaterplof genoemd, vaststellen?

3. Kunt u gemotiveerd aangeven of de door u vastgestelde hoeveelheid geluid als gevaarlijk voor het gehoor is aan te merken? Zo ja, waarom is dat het geval? Zo nee waarom is dat niet het geval?

4. Welke andere feiten of omstandigheden, gebleken uit het onderzoek, kunnen van belang zijn voor een goed begrip van de zaak?

benoemt tot deskundige om dit onderzoek te verrichten:

de heer J. Vos, p/a TNO, kampweg 5, 3769 DE Soesterberg,

bepaalt dat de griffier een kopie van dit vonnis aan de deskundige zal toezenden,

bepaalt dat X voor 28 januari 2004 (kopieën van) de overige processtukken en - voor zover mogelijk - de andere door de deskundige noodzakelijk geachte stukken aan de deskundige zal doen toekomen,

bepaalt dat X voor 28 januari 2004 als voorschot op de kosten inclusief omzetbelasting van de deskundige € 1.500,00 excl. BTW ter griffie van deze rechtbank dient te deponeren door dit bedrag over te maken op rekening nummer 19.23.25.752 ten name van Gerecht 533 Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem, onder vermelding van: derdenrekening 612 Rb. en het zaak- en rolnummer 94487/HA ZA 02 - 1933,

bepaalt dat de griffier onmiddellijk na betaling van dit voorschot de deskundige hiervan in kennis zal stellen en dat de deskundige pas dan met het onderzoek behoeft te beginnen,

bepaalt dat de deskundige zich met vragen over het onderzoek kan wenden tot de rechter mr. R.A. van der Pol,

bepaalt dat de plaats en de tijd waar en wanneer de deskundige tot het onderzoek zal overgaan, zullen worden vastgesteld door de deskundige in overleg met de raadslieden van de partijen,

bepaalt dat de deskundige een schriftelijk en ondertekend bericht zal inleveren ter griffie van deze rechtbank voor 17 maart 2004,

bepaalt dat de deskundige tegelijk met dit schriftelijk bericht zijn declaratie ter griffie zal indienen onder vermelding van het zaak- en rolnummer,

bepaalt dat de deskundige bij het onderzoek de partijen in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het schriftelijk bericht moet doen blijken of aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding in dat bericht van de eventueel gemaakte opmerkingen en/of gedane verzoeken,

verwijst de zaak naar de rolzitting van 14 april 2004 voor het nemen van een conclusie na deskundigenbericht aan de zijde van X of voor bepaling datum vonnis,

verstaat dat hoger beroep van dit vonnis (behoudens het provisioneel deel ervan) alleen mogelijk is tegelijk met dat van het eindvonnis,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. van der Pol en uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2004.

de griffier de rechter