Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2004:AO2399

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
23-01-2004
Datum publicatie
27-01-2004
Zaaknummer
106300 / KG ZA 03-750
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot betaling van de helft van de hypotheeklasten na uiteengaan van partijen afgewezen. Afspraak daartoe onvoldoende aannemelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 106300 / KG ZA 03-750

Datum vonnis: 23 januari 2004

Vonnis

in kort geding

in de zaak van

X,

wonende te

eiseres,

procureur en advocaat mr. J.C.M. Bonnier,

tegen

Y,

wonende te

feitelijk verblijvende te

gedaagde,

procureur mr. J.C.N.B. Kaal,

advocaat mr. G.G.A.J.M. van Poppel te Utrecht.

Het verloop van de procedure

Eiseres, hierna te noemen X, heeft gedaagde, hierna te noemen Y, ter zitting in kort geding doen dagvaarden en gevorderd als weergegeven in de dagvaarding.

X heeft ter zitting haar eis gewijzigd, waartegen Y zich niet heeft verzet.

Y heeft geconcludeerd tot weigering van de gevorderde voorzieningen.

De advocaten van partijen hebben de zaak bepleit, beiden overeenkomstig de door hen overgelegde pleitnotities.

Daarbij hebben zij producties in het geding gebracht.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De vaststaande feiten

1. Tussen partijen heeft een affectieve relatie bestaan, die op 13 mei 2003 is beëindigd. Partijen hebben geen samenlevingscontract gesloten.

2. X is eigenaresse van de woning gelegen aan de A te B, hierna te noemen de A.

3. X is voor 2/3 en Y is voor 1/3 eigenaar van de woning gelegen aan de C te D, hierna te noemen de C.

4. Beide woningen zijn belast met een recht van hypotheek. De Rabobank Wijchen/Beuningen heeft X en Y drie hypothecaire leningen verstrekt, waarvoor beiden hoofdelijk aansprakelijk zijn.

5. Vanaf mei 2003 is betalingsachterstand ontstaan. Bij brief van 4 september 2003 heeft de Rabobank de verstrekte financiering opgezegd. De bank heeft inmiddels aangezegd over te gaan tot executoriale verkoop van beide woningen.

6. X woont thans nog op de C. Y verblijft op een adres in X. Partijen wensen de C op korte termijn te verkopen.

De vordering

7. X stelt dat partijen hebben afgesproken dat ieder van hen de helft van de hypothecaire lasten zou betalen, te weten: elk € 1.217,58 per maand. Volgens X heeft Y vanaf mei 2003 niet meer aan zijn verplichtingen voldaan, zodat tot en met november 2003 een betalingsachterstand is ontstaan van € 8.523,06.

8. X vordert Y, op straffe van een dwangsom te veroordelen de betalingsachterstand, alsmede met ingang van december 2003 tot het moment dat de woning aan de C zal zijn verkocht, zijn maandelijkse hypotheekverplichting ten bedrage van € 1.217,58 te voldoen.

9. Tevens vordert X Y, op straffe van een dwangsom te veroordelen tot afgifte van de naar haar zeggen aan haar in eigendom toebehorende auto, E met kenteken xx-xx-xx. Zij voert daartoe aan dat zij de auto heeft betaald en dat het kenteken op haar naam staat.

10. Na vermeerdering van eis vordert X tevens, samengevat weergegeven, te bepalen dat Y zijn medewerking zal verlenen aan de verkoop van de C door daartoe schriftelijk opdracht te geven aan makelaar F te G, eveneens op straffe van een dwangsom.

11. Ten slotte vordert X Y te veroordelen in de kosten van deze procedure.

12. Y voert gemotiveerd verweer waarop, voor zover van belang, hierna zal worden ingegaan.

De beoordeling van de vordering

13. De vordering van X, zoals hiervoor onder 9. is weergegeven, strekt tot betaling van een geldsom. Voor toewijzing van een dergelijke vordering in kort geding is slechts plaats indien het bestaan en de omvang van de vordering voldoende aannemelijk zijn en daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is, terwijl in de afweging van belangen van partijen mede betrokken dient te worden het risico van de onmogelijkheid van terugbetaling.

14. Vast staat dat partijen drie hypothecaire geldleningen hebben afgesloten, waaronder een overbruggingslening ter zake van de A. Beiden zijn voor alle leningen hoofdelijk aansprakelijk.

15. X heeft zich op het standpunt gesteld dat partijen van meet af aan de intentie hebben gehad en de mondelinge afspraak hebben gemaakt om de hypothecaire lasten ieder voor de helft te voldoen. Y heeft dit betwist. Samengevat weergegeven komt zijn betoog erop neer dat er afspraken zijn gemaakt dat hij zou bijdragen in de kosten van het samenwonen, hetgeen echter niet betekent dat hij gehouden is voor de helft bij te dragen in alle hypothecaire lasten, zeker niet nu X alleen op de C woont en daarvoor geen gebruiksvergoeding betaalt en de aflossing inzake de A uitsluitend aan X ten goede komt. Bovendien stelt Y een vordering te hebben op X in het kader van verrekening met door hem op de Rabobank en Fortisbank gestorte bedragen.

16. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zijn het bestaan en de omvang van de vordering tegenover de gemotiveerde betwisting door Y in onvoldoende mate aannemelijk geworden. In het beperkte kader van dit kort geding is niet vast te stellen dat partijen concrete afspraken hebben gemaakt waaruit de betalingsverplichting voor Y zou voortvloeien. Op grond van het enkele feit dat partijen wisselende bedragen op een gezamenlijke rekening hebben gestort waarvan vervolgens maandelijks een bedrag van € 1.784,87 aan hypotheeklasten werd betaald, kan het bestaan van een dergelijke afspraak evenmin worden aangenomen.

17. De vordering van X omvat tevens betaling van de helft van de uit de overbruggingshypotheek van de C voortvloeiende verplichtingen. Ten tijde van het aangaan van deze hypotheek hebben partijen ten aanzien van de aflossing afspraken gemaakt, welke zij later hebben herzien. X is eigenaar van de A. De woning is verhuurd en de huuropbrengst alsmede de aflossing van de hypotheek komen uitsluitend haar ten goede. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is het daarom onredelijk indien Y voor een deel moet bijdragen in de kosten van deze hypotheek.

18. Bovendien acht de voorzieningenrechter voorshands voldoende aannemelijk dat, indien Y al gehouden zou zijn voor een deel bij te dragen in de hypotheekkosten, X dan gehouden zou zijn een gebruiksvergoeding voor de C te betalen, waardoor Y aanspraak zou hebben op verrekening.

19. Op grond van het voorgaande is voorshands onvoldoende aannemelijk dat de bodemrechter de vordering van X zal toewijzen, zodat de hiervoor onder 9. weergegeven vordering dient te worden afgewezen.

20. Ten aanzien van de vordering van X strekkende tot afgifte van de auto overweegt de voorzieningenrechter het navolgende. X heeft gesteld dat zij eigenaar van de auto is omdat zij die heeft gekocht en betaald. Y heeft daar tegenover gesteld dat hij eigenaar is, dat hij de auto heeft gekocht en dat de door X betaalde koopsom van € 10.000,- is verrekend met door hem bij de Rabobank en de Fortis bank gestorte bedragen van in totaal € 37.250,-. Partijen hebben geen factuur overgelegd waaruit zou blijken aan wie de auto is verkocht en geleverd. Ten aanzien van de levering hebben partijen ter zitting slechts verklaard dat zij de auto destijds samen hebben opgehaald. Onweersproken is dat Y het bezit van de auto heeft vanaf het moment van aankoop.

21. Voorshands geoordeeld, heeft X onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij eigenaar is van de auto. Het feit dat het kentekenbewijs thans (weer) op naam van X is gesteld, maakt dit niet anders. Die tenaamstelling is immers niet bepalend voor de eigendom van de auto. De vordering dient daarom hierna te worden afgewezen.

22. Ter zitting heeft Y de advocaat van X een afschrift overhandigd van de door hem ondertekende opdracht aan Makelaar F inzake de verkoop van de C. Daarmee is aan de bij vermeerdering van eis ingestelde vordering voldaan zodat X geen belang meer heeft bij toewijzing daarvan. De vordering dient daarom hierna te worden afgewezen.

23. Als de in het ongelijk gestelde partij zal X in de kosten van dit kort geding worden verwezen.

De beslissing

De voorzieningenrechter

weigert de gevorderde voorzieningen,

veroordeelt X in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Y bepaald op € 703,- voor salaris en op € 205,- voor verschotten,

Dit vonnis is gewezen door mr. H.Æ. Uniken Venema en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.S.M. Daamen op 23 januari 2004.

de griffier de rechter