Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2004:AO2330

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
26-01-2004
Datum publicatie
26-01-2004
Zaaknummer
03/1621
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2004:AR2913
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AWB 03/1784 en 03/1621

Beroepen van exploitanten van seksinrichtingen in het Spijkerkwartier tegen besluiten van de burgemeester van Arnhem, waarbij een eerdere weigering om op grond van de APV Arnhem vereiste exploitatievergunningen te verlenen is gehandhaafd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB 03/1621 en 03/1784

Uitspraak

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

1. A tot en met J, leden van de Belangenvereniging Exploitanten Spijkerkwartier (BES), gevestigd te Arnhem, vertegenwoordigd door mrs. E.H.M. Harbers en B.J.M. van Meer;

2. K,

wonende te Arnhem, vertegenwoordigd door mr. P.A.W. Eskens;

eisers

en

de burgemeester van de gemeente Arnhem, verweerder vertegenwoordigd door mrs. B.S. Ten Kate en M.J.H. Hulshof.

1. Aanduiding bestreden besluiten

Besluiten van verweerder van 24 juni 2003.

2. Procesverloop

Verweerder heeft bij besluiten van 27 november en 2 december 2002 op grond van het bepaalde in artikel 3.3.2, tweede lid, aanhef en onder b en c, van de Algemene Plaatselijke Verordening voor Arnhem (verder: de APV) geweigerd om de onder 1 als individuele leden van de BES aangeduide eisers en aan eiser sub 2 vergunning te verlenen voor het exploiteren van seksinrichtingen in de Arnhemse wijk het Spijkerkwartier met ingang van 1 december 2002.

Tegen deze besluiten hebben eisers sub 1 bij brief van 5 december 2002 en heeft eiser sub 2 bij brief van 3 december 2002 bezwaar gemaakt.

Eisers hebben voorts bij brieven van 3 en 5 december 2002 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 13 januari 2003 heeft de voorzieningenrechter voormelde besluiten geschorst en daarbij de voorlopige voorziening getroffen dat eisers worden behandeld als waren zij in het bezit van een exploitatievergunning als bedoeld in artikel 3.2.1 van de APV totdat 6 weken zijn verstreken na de besluiten op bezwaar; tevens is daarbij bepaald dat deze termijn ten aanzien van elke eiser, indien hij tijdig tegen een hem betreffend besluit op bezwaar in beroep komt, wordt verlengd tot 6 weken na de uitspraak op dat beroep.

Bij de in rubriek 1 aangeduide besluiten heeft verweerder, zulks in afwijking van een advies van de commissie voor de beroep- en bezwaarschriften van 17 april 2003, de bezwaren ongegrond verklaard en de eerder genoemde besluiten gehandhaafd.

Tegen deze besluiten hebben eisers tijdig beroep ingesteld. Door verweerder is op 31 oktober 2003 een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 9 december 2003. Eisers sub 1 zijn aldaar vertegenwoordigd door mrs. B.J.M. van Meer en E.H.M Harbers, advocaten te Arnhem. Door eisers sub 1 zijn als deskundigen meegebracht prof. dr. P.J.M. Verschuren, Hoogleraar onderzoeksmethodologie aan de Katholieke Universiteit Nijmegen en drs. H. Katteler, werkzaam bij het Instituut voor Toegepaste Sociale Wetenschappen te Nijmegen. Eiser sub 2 is aldaar vertegenwoordigd door mr. P.A.W. Eskens, advocaat te Arnhem. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. B.S. Ten Kate, advocaat te Arnhem en door mr. M.J.H. Hulshof, werkzaam bij verweerders gemeente. Verweerder heeft als deskundigen meegebracht dr. C.W.A.M. Aarts, Universitair hoofddocent Methoden en Technieken aan de Universiteit Twente en mr. L. Nieuwerth, voormalig plaatsvervangend districtschef Arnhem Veluwezoom.

3. Overwegingen

Ingevolge artikel 3.2.1, eerste lid, van de APV is het verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan.

Ingevolge artikel 3.3.2, tweede lid, aanhef en onder b en c, van de APV kan de vergunning als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, worden geweigerd in het belang van het voorkomen of beperken van overlast en in het belang van het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat.

Verweerder heeft aan de besluiten tot weigering van de gevraagde vergunningen samengevat ten grondslag gelegd dat de exploitatie van de raamprostitutiebedrijven in het Spijkerkwartier, waarvoor tot 1 december 2002 vergunning was verleend, het woon- en leefklimaat aantasten en overlast veroorzaken. Verweerder is de mening toegedaan dat de belangen van eisers bij het verkrijgen van de gevraagde vergunningen niet opwegen tegen het belang van beperking van de overlast in de wijk en het voorkomen van aantasting van het woon- en leefklimaat aldaar.

Eisers hebben de bestreden besluiten gemotiveerd bestreden. Op hun stellingen zal hierna, waar nodig, nader worden ingegaan.

De rechtbank overweegt als volgt.

Eisers hebben allereerst betwist dat verweerder op grond van artikel 3.3.2, tweede lid, aanhef en onder b en c, van de APV tot weigering van de door hen gevraagde exploitatievergunningen heeft kunnen overgaan. Daartoe hebben zij zich op het standpunt gesteld dat geen, althans in onvoldoende mate, sprake is van door of vanwege raamprostitutie veroorzaakte overlast of aantasting van het woon- en leefklimaat in de zin van deze bepaling.

De rechtbank stelt vast dat verweerder zijn standpunt ter zake van overlast en aantasting van het woon- en leefklimaat in belangrijke mate heeft gebaseerd op informatie van de politie, alsmede op de rapporten “Leefbaarheid & Veiligheid in het Spijkerkwartier”, Afdeling Informatie en Burgeronderzoek (IBO) van augustus 2002, en “Meningspeiling overlast Spijkerkwartier”, Companen van 22 oktober 2002. Verweerder heeft hierbij verder ervaringen uit het verleden betrokken, alsmede de algemeen gevoelde notie dat de aanwezigheid van raamprostitutiebedrijven in of in de onmiddellijke nabijheid van een woonwijk bepaalde vormen van overlast ten aanzien van de woonomgeving met zich brengt.

Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers tevergeefs betoogd dat uit de door de politie verstrekte informatie, met name het op 10 juli 2002 door mr. Nieuwerth, voornoemd, aan verweerder uitgebrachte advies, zou blijken dat van overlast van betekenis, welke aan de raamprostitutie moet worden gerelateerd, geen sprake is. Uit het betreffende advies kan weliswaar worden afgeleid dat de overlast als gevolg van de raamprostitutie in het Spijkerkwartier de laatste jaren in aanzienlijke mate is teruggebracht en dat de situatie met betrekking tot ordehandhaving voor de politie beheersbaar is te noemen, maar hieruit volgt geenszins dat van overlast of aantasting van het woon- en leefklimaat geen sprake (meer) zou kunnen zijn.

Het in de brief van mr. Nieuwerth van 31 oktober 2002 aan verweerder verwoorde standpunt dat de buurtbewoners overlast van (de bezoekers van) de raamprostitutie kunnen ondervinden, is dan ook met het advies van 10 juli 2002 niet in tegenspraak. Voor dit standpunt, dat nader is toegelicht ter zitting, is bovendien steun te vinden in de politiegegevens waaruit blijkt dat een relatief groot aantal personen zich in de avonduren in de onmiddellijke nabijheid van de prostitutiebedrijven ophoudt. Verder maakt de verhoogde inzet van menskracht door de politie in het raamprostitutiegebied aannemelijk dat van de bedrijven van eisers tenminste een negatieve invloed op het woon- en leefklimaat uitgaat.

De rechtbank overweegt vervolgens dat ondanks de kritiek die eisers hebben geuit op de eerdergenoemde door IBO en Companen vervaardigde rapporten, wat van deze kritiek verder ook zij, deze rapporten in ieder geval een sterke aanwijzing en een indicatie opleveren van aan raamprostitutie gerelateerde overlast.

Op grond van de hiervoor genoemde rapporten, adviezen, informatie en ervaringen, in hun onderlinge samenhang bezien, kan niet worden geoordeeld dat verweerder niet de conclusie heeft kunnen trekken dat de exploitatie van de bedrijven waarvoor eisers vergunning hebben gevraagd overlast en aantasting van het woon- en leefklimaat met zich brengt. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verweerder in dezen over een ruime beoordelingsmarge beschikt, welke door de rechter dient te worden gerespecteerd.

De vraag of verweerder na afweging van alle rechtstreeks daarbij betrokken belangen in redelijkheid tot de bestreden besluiten heeft kunnen komen, beantwoordt de rechtbank bevestigend, waarbij het volgende in aanmerking is genomen.

Verweerder heeft bij zijn belangenafweging het gemeentelijke beleid betrokken dat ten aanzien van de raamprostitutie in het Spijkerkwartier in met name het “Projectplan Integrale aanpak Spijkerkwartier” van maart 1997 en de “Beleidsnota van Rood naar Groen” van juli 2000 is geformuleerd.

De rechtbank stelt vast dat het gemeentebestuur zich in dit beleid sedert maart 1996 consequent tot doel heeft gesteld om op termijn tot beëindiging van de raamprostitutie te komen. Eisers waren met deze doelstelling bekend, terwijl op grond van de gedingstukken mag worden aangenomen dat zij reeds kort na 16 december 1997 er kennis van hebben kunnen nemen dat 1 december 2002 als concrete beëindigingsdatum werd voorgestaan. Eisers hebben zich derhalve geruime tijd op staking van hun bedrijfsvoering ter plaatse kunnen instellen.

Het gemeentelijke uitgangspunt om op termijn tot beëindiging te komen van de prostitutie-activiteiten in het Spijkerkwartier acht de rechtbank mede vanwege de ruime overgangstermijn die daarbij in acht is genomen, niet kennelijk onredelijk.

De rechtbank neemt in dit verband vervolgens in aanmerking dat de bedrijfsvoering van eisers is gericht op activiteiten die tot 1 oktober 2000 illegaal waren en dat aangenomen kan worden dat eisers daaruit aanzienlijke inkomsten hebben kunnen genereren dankzij een gedogende houding vanwege het gemeentebestuur.

Met betrekking tot hetgeen eisers hebben aangevoerd omtrent het ontbreken van een alternatieve locatie binnen de gemeentegrenzen, waar zij hun bedrijfsvoering zouden kunnen voortzetten, overweegt de rechtbank dat uit de gedingstukken onvoldoende is gebleken dat in het gemeentelijke beleid de beëindiging van de raamprostitutie in het Spijkerkwartier afhankelijk is gesteld van het voorhanden zijn van een dergelijk alternatief. De rechtbank volgt eiser sub 2 dan ook niet in zijn betoog dat de bestreden besluiten in dit opzicht met het gemeentelijke beleid in strijd zijn.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat niet gesteld kan worden dat verweerder de belangen die met de weigering van de vergunningen zijn gediend in redelijkheid niet heeft kunnen laten prevaleren boven de belangen van eisers bij verlening daarvan.

De rechtbank merkt in dit kader nog op dat aan eisers kan worden toegegeven dat vanaf het moment dat het gemeentelijke beleid op beëindiging van de raamprostitutie in het Spijkerkwartier is gericht, de mogelijkheid van een alternatieve locatie ten behoeve van raamprostitutie is bezien. De rechtbank stelt vast dat in het inmiddels van kracht zijnde bestemmingsplan “Bedrijventerrein Westervoortsedijk” daarvoor ook de planologische basis is gelegd. Een (gedeeltelijke) verplaatsing van de onderhavige prostitutiebedrijven naar deze alternatieve locatie was ten tijde van de bestreden besluiten (en naar ter zitting is gebleken ook thans) feitelijk echter nog niet mogelijk. Naar het oordeel van de rechtbank behoefde deze omstandigheid voor verweerder echter geen aanleiding te vormen om zijn besluiten te herzien. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verweerder eisers in de bestreden besluiten heeft gewezen op de mogelijkheid om een zuiver schadebesluit uit te lokken dat zo nodig aan de bestuursrechter kan worden voorgelegd. Naar ter zitting nader is gemotiveerd heeft verweerder met deze verwijzing bedoeld aan te geven dat eisers langs deze weg eventueel om nadeelcompensatie kunnen verzoeken en dat verweerder daarmee nadrukkelijk heeft willen aangeven dat hij zal onderzoeken in hoeverre eisers daarop aanspraak kunnen maken. De rechtbank verstaat dit aldus dat verweerder daarmee erkent dat voor eisers de mogelijkheid openstaat om met betrekking tot een verzoek om nadeelcompensatie van hem een materieel oordeel te verkrijgen. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat daarbij onder andere de vraag aan de orde kan komen of, en zo ja, de mate waarin en het tijdstip waarop de individuele eisers hebben getracht om de te verwachten schade als gevolg van de bedrijfsbeëindiging te beperken. Voorts kan daarbij van belang zijn de eventueel in de handhavingsbesluiten nog te gunnen termijn waarbinnen de beëindiging van de activiteiten daadwerkelijk moet zijn bewerkstelligd.

De rechtbank overweegt vervolgens dat, anders dan eisers sub 1 hebben betoogd, niet is kunnen blijken dat verweerder zijn bevoegdheid tot weigering van de gevraagde vergunningen heeft gebruikt voor een ander doel dan ter behartiging van de in artikel 3.3.2, tweede lid, aanhef en onder b en c, van de APV genoemde belangen.

Ook het beroep van eiser sub 2 op schending van het beginsel van fair-play, omdat de gemeente nimmer serieus overleg heeft willen voeren over de realisering van een alternatieve locatie, kan naar het oordeel van de rechtbank niet slagen. Het realiseren van een alternatieve locatie is in deze procedure immers niet aan de orde, terwijl ook overigens niet is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat verweerder dit algemene rechtsbeginsel heeft geschonden.

Eisers sub 1 hebben tenslotte tevergeefs aangevoerd dat de bestreden besluiten zijn genomen in strijd met het in artikel 19, derde lid, van de Grondwet neergelegde recht op vrije arbeidskeuze. Van een door de gemeente gevoerd (zogenoemd) nulbeleid ter zake van prostitutie is naar het oordeel van de rechtbank reeds daarom geen sprake, omdat binnen de gemeentegrenzen diverse andere vormen van prostitutie dan raamprostitutie zijn toegestaan. De rechtbank volgt eisers sub 1 daarbij niet in de stelling dat het beroep van raamprostituee in dit kader uitdrukkelijk van andere prostitutievormen dient te worden onderscheiden.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eisers tegen de bestreden besluiten geen doel treffen.

De beroepen dienen om die reden ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gegeven door mr. H.A.W. Snijders, voorzitter,

mrs. H.J.M. Besselink en R.A.V. Boxem , rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.W.B. Heijmans, griffier en in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2004.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: