Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2004:AO2183

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
14-01-2004
Datum publicatie
22-01-2004
Zaaknummer
75119 / HA ZA 01-1042
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Betaling; art. 182 Overgangswet Nieuw BW; art. 6:81 en 6:83 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

zaak-/rolnummer: 75119 / HA ZA 01-1042

datum vonnis: 14 januari 2004

Vonnis

in de zaak van

X,

wonende te

eiser,

procureur mr. W.H.F. van Veen,

advocaat mr. J.W. de Groot te Amsterdam,

tegen

Y,

wonende te

gedaagde,

procureur mr. A. Hofman.

Het verloop van de procedure

Voor het eerdere verloop van deze procedure wordt verwezen naar hetgeen daaromtrent is overwogen in het tussenvonnis van 28 mei 2003. Naar aanleiding van dat tussenvonnis is op 10 september 2003 een enquête aan beide zijden gehouden, gevolgd door een comparitie van partijen. Het proces-verbaal daarvan bevindt zich bij de processtukken. Vervolgens is door Y een conclusie na enquête en door X een antwoord-conclusie na enquête genomen. Ten slotte is vonnis bepaald.

De verdere beoordeling van het geschil

1. De rechtbank volhardt in hetgeen is overwogen en beslist in het tussenvonnis.

2. Daarin is X opgedragen te bewijzen dat Y op 23 november 1993 ƒ 750,- aan hem heeft betaald. Hij heeft daartoe ter gelegen-heid van het getuigenverhoor een brief van de Rabobank d.d. 4 september 2003 overgelegd waaruit blijkt dat de vennoot-schap IF op genoemde datum genoemd bedrag aan X Kranen B.V., een vennootschap van X, heeft betaald.

Y heeft erkend dat hij directeur van IF was. Het bewijs van de gestelde betaling is daarmee - zo is met zoveel woorden ook door Y erkend - geleverd. Het gevolg daarvan is, zo is reeds overwogen onder 13 van het tussenvonnis, dat het beroep van Y op verjaring faalt.

3. In het tussenvonnis is Y toegelaten tot het bewijs dat (a) de partijen eind 1998 of in 1999 hebben afgesproken dat hij in verband met de lening nog maar ƒ 20.000,- behoefde te betalen, en (b) zij hebben afgesproken dat hij de in de overeen-komst van 4 november 1992 bedoelde bedragen zou betalen zonder gebonden te zijn aan het daarin opgenomen betalings-schema, en wel zodanig dat het kwijtingsbeding zou blijven gelden.

Y heeft als getuige verklaard dat hij na de aanmaning in 1998 en vóór de eerste daarna gedane betaling met X heeft afgesproken dat hij in termijnen ƒ 20.000,- zou terugbetalen. X heeft als getuige ver-klaard dat zo’n afspraak niet gemaakt is. Nader bewijs is door Y niet geleverd. Daarmee acht de rechtbank de onder a bedoelde afspraak niet bewezen. Y heeft voorts als getuige verklaard dat een afspraak als bedoeld onder b, niet gemaakt is.

Een en ander betekent dat - zoals is overwogen onder 15 van het tussen-vonnis - de restschuld uit de leningsovereenkomst van 19 december 1989 onverkort is blijven bestaan.

4. Inzake de hoogte van die restschuld overweegt de rechtbank dat, nu de betaling van ƒ 750,- op 23 november 1993 bewezen is, alle betalingen, opgenomen in productie 3 bij de conclusie van eis, vaststaan. Dit geldt ook voor de laatste betaling van Y op 11 januari 2000. X is daarvan steeds uitgegaan en deed dat ook nog in zijn na de comparitie van partijen gemaakte, door Y over-gelegde berekening. In de berekening van Y zelf en vervolgens ook in die van X in zijn antwoord-conclusie is evenwel de laatste betaling gesteld op 1 november 2001. De rechtbank gaat er van uit dat dit op een misverstand berust, onder meer omdat bedoelde betaling al in de dagvaarding van 7 juni 2001 was vermeld.

5. Y heeft nog aangevoerd op 3 november 1992 ƒ 10.000,- contant aan X te hebben betaald en heeft van de gelegenheid gebruik gemaakt om te proberen dat door middel van getuigenbewijs te bewijzen, maar zijn verklaring op dit punt wordt weersproken door die van X als getuige dat zo’n betaling niet gedaan is. Gelet daarop kan van die betaling niet worden uitgegaan.

6. Na de bewijslevering heeft de discussie tussen de partijen zich toegespitst op de vraag hoeveel samen-gestelde rente Y verschuldigd is. Het partijdebat gaat hierbij uitsluitend nog over de vraag vanaf wanneer Y in verzuim was.

7. Anders dan Y stelt moest hij op grond van de akte van geldlening al vanaf december 1989 telkens aan het eind van de maand X betalen; tot en met juli 1990 alleen de contractuele rente van 9% over de hoofdsom van ƒ 150.000,- en vanaf augustus 1990 zowel rente als aflossing. Vast-staat dat Y vanaf het begin in de nakoming van zijn verbintenissen is tekort-geschoten, dus zowel vóór als na de inwerking-treding van de hier relevante delen van het Nieuw BW per 1 januari 1992. Ingevolge art. 182 Overgangs-wet Nieuw BW is de nieuwe wet op de gevolgen van de tekort-komingen vóór 1992 niet van toepassing.

8. Zowel onder het oude als onder het huidige BW is voor het berekenen van samengestelde rente nodig dat Y - om in de terminologie van het nieuw BW te blijven - in verzuim was. Y staat op het standpunt dat nu hij pas op 13 oktober 1998 is aangemaand het verschuldigde binnen 35 dagen te voldoen, hij pas op 18 november 1998 in verzuim is komen te verkeren, en dat dus pas vanaf die dag samengestelde rente dient te worden berekend.

9. De rechtbank overweegt dat zowel onder het oude BW (art. 1274) als onder het huidige BW (art. 6:81-83) niet steeds een ingebrekestelling voor het intreden van verzuim nodig is.

Zo bepaalde art. 1274 (oud) BW dat een schuldenaar ook in gebreke is uit kracht van de verbintenis zelf, wanneer die meebrengt dat hij in gebreke zal zijn door het enkele verloop van de bepaalde termijn. Zo’n fatale termijn bestaat als de partijen zijn overeengekomen dat door het enkele verstrijken van een bepaalde termijn de schuldenaar zonder ingebrekestelling in verzuim zal zijn. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat tussen de partijen ook zo’n afspraak, nu in de akte van geldlening onder 3g is bepaald:

De hoofdsom of het restant daarvan is met de verschuldigde rente terstond opeisbaar, zonder dat enige voorafgaande waarschuwing of ingebrekestelling nodig zal zijn, indien de rente niet op het overeengekomen tijdstip mocht worden voldaan, indien de schuldenaar anderszins enige verplichting voor hem uit deze overeenkomst voortvloeiende niet mocht nakomen (…), zullende de schuldenaar in elk van die gevallen door het enkel ontstaan van het feit en dus uit kracht der verbintenis zelf in gebreke zijn.

Y heeft de overeengekomen termijnbedragen vanaf het verstrijken van de eerste betalingstermijn op 31 december 1989 niet tijdig en volledig betaald. Hij was dan ook vanaf 1 januari 1990 in verzuim.

10. Een vergelijkbare bepaling voor het nieuwe recht is opgenomen in art. 6:83 sub a BW. Art. 183 Over-gangs-wet Nieuw BW bepaalt echter dat die bepaling niet van toepassing is als, zoals in casu het geval is, een voor de voldoening bepaalde termijn als bedoeld in die bepaling, voortvloeit uit een rechts-verhouding die reeds vóór 1 januari 1992 is ontstaan. Het stelsel van de Overgangswet Nieuwe BW brengt mee dat het oude recht hier blijft gelden (vgl. HR 24 oktober 1997, NJ 1998, 490). Dit betekent dat art. 1274 (oud) BW ook op de tekortkomingen vanaf 1 januari 1992 van toepassing is en dat Y dus ook daarna in verzuim bleef.

11. Uit het voorgaande volgt dat Y vanaf 1 januari 1990 in verzuim was. Nu voor het overige tegen de betaling van samengestelde rente geen ver-weer is gevoerd, betekent dat dat het subsidiaire standpunt van X op zichzelf het juiste is: uitgegaan moet worden van een samen-gestelde rente vanaf 1 januari 1990. Nu zowel op grond van art. 1287 (oud) BW als art. 6:119 lid 2 BW slechts rente verschuldigd is over achter-stallige rente die over een vol jaar verschuldigd is, moet voor 1990 worden uitgegaan van een renteberekening over de hoofdsom van ƒ 150.000,- en kan op zijn vroegst vanaf 1 januari 1991 daarnáást rente worden berekend over de rente die meer dan een jaar achterstallig is.

12. Deze systematiek heeft X echter niet toegepast in de twee in zijn laatste akte opgenomen berekeningen. Weliswaar gaat hij daarin uit van een samengestelde rente vanaf 1 januari 1990, maar hij gaat ten onrechte uit van een hoofdsom van ƒ 150.480,82, dus inclusief de op die datum nog geen vol jaar achterstallige rente. Aldus wordt teveel berekend 9% rente over ƒ 480,82 over 1990 - ƒ 43,27 - en vervolgens in de jaren daar-op dat bedrag, telkens vermeerderd met de rente daarover.

Daarnaast is zoals gemeld in die berekeningen ten onrechte uitgegaan van een betaling op 1 november 2001 in plaats van op 11 januari 2000.

Dit brengt met zich mee dat uit de berekeningen nog steeds niet kan worden afgeleid wat de exacte schuld van Y aan X is.

13. Duidelijk is echter hoe die schuld moet worden berekend: uitgaande van de door Y als rekenkundig correct aangemerkte berekeningen van X met de RenteRekenDisk moet worden uitgegaan van de volgende parameters:

- een hoofdsom van ƒ 150.000,- (= € 68.067,03) per 19 december 1989,

- een contractuele rente van 9% vanaf 19 december 1989 tot de dag der algehele voldoening,

- samengestelde rente, volgens de wettelijke regels, door bijtelling van de rente die over een vol jaar (gerekend op zijn vroegst vanaf 1 januari 1990) verschuldigd is,

- de betalingen, zoals weergegeven in productie 3 bij de conclusie van eis,

- betalingen die allereerst strekken in mindering van de kosten, vervolgens in mindering van de oudste verschenen rente en tenslotte in mindering van de hoofdsom en de lopende rente.

De rechtbank zal Y veroordelen tot betaling aan X van een aldus te berekenen bedrag.

14. Tegen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten van ƒ 722,- (€ 327,63) is geen verweer gevoerd. Die vordering zal dan ook worden toegewezen.

15. Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij zal Y in de kosten van het geding worden veroordeeld.

De beslissing

De rechtbank

veroordeelt Y tot betaling aan X van € 68.067,03, verminderd met de betalingen, zoals weergegeven in productie 3 bij de conclusie van eis, maar ver-meerderd met de contractuele en deels samen-gestelde rente, een en ander conform het onder 13 overwogene,

veroordeelt Y tot betaling aan X van € 327,63, vermeerderd met de contractuele rente over dat bedrag vanaf 7 september 2000 tot de dag der algehele voldoening,

veroordeelt Y in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van X begroot op € 6.312,- (€ 1.978,48 vast recht, € 45,29 kosten dag-vaarding en € 4.288,23 kosten procureur),

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J.F. Gerard en uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2004.

de griffier de rechter