Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2003:AO6985

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
29-12-2003
Datum publicatie
02-04-2004
Zaaknummer
AWB 02/2791
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wegens een vordering op zijn gefailleerde ex-werkgever heeft eiser recht op een uitkering ingevolge hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet. Op deze vordering hoeft de vordering van de ex-werkgever op eiser niet in mindering te worden gebracht omdat deze laatste vordering door compensatie teniet is gegaan. Verweerders standpunt dat eiser onvoldoende actie heeft ondernomen om zijn ex-werkgever tot betaling te bewegen is onvoldoende gemotiveerd. Verweerder heeft eiser voorts enkel in de gelegenheid gesteld telefonisch te worden gehoord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB 02/2791 WW

Uitspraak

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[X],

wonende te [A],

eiser,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV),

verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 19 november 2002, uitgereikt door UWV GAK te Helmond.

2. Procesverloop

Op 10 april 2002 heeft eiser bij verweerder een aanvraag ingediend voor een uitkering ingevolge het bepaalde in hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW) in verband met het op 28 maart 2002 uitgesproken faillissement van zijn werkgever.

Bij besluit van 3 oktober 2002 heeft verweerder bepaald dat op het bedrag waarop eiser ingevolge het bepaalde in hoofdstuk IV van de WW recht heeft, het bedrag van € 6.216,79 dat hij verschuldigd is aan zijn werkgever, in mindering dient te worden gebracht.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het daartegen ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerdergenoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 17 november 2003. Eiser is aldaar verschenen. Verweerder heeft zich, met voorafgaande kennisgeving, ter zitting niet doen vertegenwoordigen.

3. Overwegingen

Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat ter bepaling van de omvang van het recht op uitkering als bedoeld in artikel 64 van de WW

het bedrag van € 6.216,79 dat eiser is verschuldigd aan zijn werkgever, wordt gecompenseerd met de vordering ten bedrage van

€ 8.493,-- die eiser op zijn werkgever heeft. Eiser heeft evenwel onvoldoende actie ondernomen om zijn werkgever te brengen tot betaling van het bedrag van € 8.493,--, zodat eiser geen recht heeft op dit bedrag en voorts op het bedrag waarop eiser wel recht heeft, het bedrag van € 6.217,79 in mindering dient te worden gebracht.

Eiser heeft het bestreden besluit gemotiveerd aangevochten. Op zijn stellingen zal de rechtbank, voor zover nodig, in het navolgende ingaan.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ten aanzien van de grief van eiser dat hij tijdens de bezwaarprocedure ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om ter hoorzitting mondeling te worden gehoord, merkt de rechtbank het volgende op.

Artikel 7:2, eerste lid, van de Awb bepaalt dat, voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, het belanghebbenden in de gelegenheid stelt te worden gehoord. Blijkens de wetsgeschiedenis van deze bepaling voldoet telefonisch horen niet aan de minimumeisen die in de Awb aan het horen in de bezwaarprocedure worden gesteld. Wel bestaat de mogelijkheid om, alvorens een uitnodiging wordt verzonden, telefonisch contact met de indiener van het bezwaarschrift te zoeken om een en ander te vragen en verduidelijkt te krijgen, waarbij het goed voorstelbaar is dat de indiener van het bezwaarschrift in dat gesprek laat weten geen behoefte te hebben aan het horen. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in de uitspraak d.d. 17 oktober 2000 (JB 2000/354) onder meer overwogen dat, gelet op de restrictieve interpretatie van de uitzonderingen op de hoorplicht, het bepaalde in artikel 7:3, aanhef en onder c, van de Awb met zich brengt dat de beslissing van de betrokkene om geen gebruik te maken van het recht om te worden gehoord in elk geval dient te berusten op diens “informed consent”. Uit de uitspraak van de CRvB d.d. 15 april 2003 (RSV 2003/155) volgt dat daarvan onder andere geen sprake is indien de belanghebbende niet is geïnformeerd over het recht om het bezwaarschrift tijdens een hoorzitting mondeling toe te lichten.

Uit de gedingstukken blijkt dat verweerder eiser bij brief van 6 november 2002 enkel in de gelegenheid heeft gesteld telefonisch te worden gehoord. Eiser heeft vervolgens op 7 november 2002 telefonisch contact opgenomen met verweerder. Uit het beroepschrift alsmede het betreffende telefoonrapport blijkt dat eiser heeft medegedeeld dat hij op dat moment niets had toe te voegen aan hetgeen hij reeds in zijn bezwaarschrift had opgemerkt. Mochten er vragen van verweerder zijn, dan wilde hij die echter graag beantwoorden. Verweerder heeft vervolgens met eiser afgesproken dat hij bij eventuele vragen contact met eiser zou opnemen om een afspraak voor het telefonisch horen te maken. Vervolgens heeft verweerder met eiser geen contact meer opgenomen alvorens op 19 november 2002 het bestreden besluit uit te reiken.

Nu eiser niet is geïnformeerd over het recht om zijn bezwaarschrift tijdens een hoorzitting mondeling toe te lichten, berust zijn beslissing om geen gebruik te maken van het recht om te worden gehoord, gelet op eerdergenoemde jurisprudentie, niet op diens “informed consent”.

Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat eiser ten onrechte niet door verweerder in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord als bedoeld in artikel 7:2, eerste lid, van de Awb.

Nu het bestreden besluit in strijd is genomen met artikel 7:2 van de Awb, zal de rechtbank derhalve het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of er aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten en overweegt dienaangaande als volgt.

Eiser is het bedrag van € 6.217,79 aan zijn werkgever, Rig Bit Supply B.V. (hierna: Rig Bit), verschuldigd in verband met de aankoop van een auto. Blijkens de aankoopfactuur van 1 augustus 2001 heeft eiser in de periode van 20 juli 2001 tot en met 27 augustus 2001 betalingen aan Rig Bit verricht totdat het bedrag van € 6.217,79 resteerde. Rig Bit was ingevolge de overeenkomst van 30 augustus 2000 met ingang van 1 september 2000 boven het brutoloon van f. 6.000,-- maandelijks een nettobedrag van f. 1000,-- aan eiser verschuldigd. Eiser heeft zich in een brief aan de curator in mei 2002 op het standpunt gesteld dat de uitbetaling van het nettoloon van ƒ 1.000 per maand (deels) heeft plaatsgevonden door verrekening van dit bedrag met de vordering van de werkgever op eiser. Zulks is in een brief van 14 oktober 2002 bevestigd door [Y], voormalig directeur van Rig Bit. Ter zitting heeft eiser herhaald dat verrekening van de vorderingen heeft plaatsgevonden. Het feit dat zulks niet blijkt uit de boekhouding van Rig Bit is naar zeggen van eiser te wijten aan ziekte van de boekhouder.

Gegeven het feit dat artikel 64 van de WW zelf geen duidelijke maatstaf biedt voor het vaststellen van de daar bedoelde aanspraken, enerzijds en het feit dat hoofdstuk IV van de WW de overname van aanspraken regelt die voortvloeien uit de burgerrechtelijke rechtsverhouding tussen werknemer en werkgever, anderzijds, heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) onder andere in de uitspraak van 27 februari 2002 (RSV 2002/142) als uitgangspunt aanvaard dat ten aanzien van de inhoud van de verplichtingen van verweerder aansluiting wordt gezocht bij hetgeen werknemer en werkgever in hun rechtsverhouding waren overeengekomen en/of bij hetgeen uit het burgerlijk recht ten aanzien van die rechtsverhouding voortvloeit. Dat uitgangspunt is volgens de CRvB ook in lijn met het arrest van het Hof van Justitie van de EG van 14 juli 1998 (RSV 1998/272) inzake de uitleg van de Richtlijn 80/987/EEG van de Raad van de EG van 20 oktober 1980 (PbEG 1980 L 283/23) betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever. Daarbij mag er volgens de CRvB niet aan voorbij worden gezien dat de verplichtingen van verweerder worden begrensd door de aard en strekking van het (ten opzichte van het burgerlijke recht als bijzondere regeling aan te merken) publiekrechtelijke stelsel dat is neergelegd in de overnemingsregeling van hoofdstuk IV van de WW.

Ten aanzien van de vraag welk deel van de vordering van eiser enerzijds en van Rig Bit anderzijds naar burgerlijk recht door compensatie teniet is gegaan, merkt de rechtbank het volgende op. Eiser heeft gemotiveerd aangevoerd dat het de bedoeling van hem en zijn werkgever was de vorderingen over en weer voor zover mogelijk te verrekenen. De rechtbank volgt eiser in deze stelling en zal er verder van uitgaan dat verrekening heeft plaatsgevonden, nu correcte of tijdige verwerking van die verrekening in de boeken van Rig Bit geen voorwaarde is voor die verrekening. Ingevolge artikel 6:127 van het Burgerlijk Wetboek (BW) vindt compensatie van vorderingen slechts plaats tot hun gemeenschappelijk beloop. Nu de vordering van eiser op Rig Bit de vordering van Rig Bit op hem overtreft, dient te worden bezien welk deel van eisers vordering als gevolg van de compensatie teniet is gegaan. Toepassing van de artikelen 6:43 en 6:44 van het BW brengt met zich dat de vordering van Rig Bit op eiser ten bedrage van € 6.217,79 teniet is gegaan door de maandelijkse verrekening van nettoloon à € 453,78 (ƒ 1.000,-). Dit betekent dat het nettoloon à € 453,78 over de maanden september 2000 tot en met september 2001 door de werkgever van eiser is betaald en dat dit loon door eiser is genoten. Het nettoloon à € 453,78 over de maand oktober 2001 is door dezelfde verrekening deels betaald en genoten, te weten tot een bedrag van € 136,92. Over de maand oktober resteerde een vordering van eiser op zijn werkgever van (netto) € 316,86. Het feit dat eiser zelf wellicht aanvankelijk in de veronderstelling verkeerde dat zijn loon vanaf september 2000 gedeeltelijk niet was uitbetaald en op 18 maart 2002 schriftelijk bij zijn werkgever heeft aangedrongen op uitbetaling van het nettoloon van € 453,78 vanaf september 2000, maakt bovenstaande naar het oordeel van de rechtbank niet anders, nu dit schrijven niet met terugwerkende kracht kan maken dat bovenbedoelde verrekening niet zou hebben plaatsgevonden. Ditzelfde heeft te gelden met betrekking tot het feit dat eiser bij verweerder heeft gevraagd om overname van de loonbetalingsverplichting van € 453,78 netto per maand vanaf september 2000. Anders dan verweerder meent impliceert zulks niet dat verrekening eerst ná de datum van faillissement kan hebben plaatsgevonden.

De stelling van verweerder dat eiser onvoldoende actie heeft ondernomen Rig Bit te bewegen tot voldoening van zijn betalingsverplichting, treft gelet op het vorenoverwogene geen doel. Aangezien naar het oordeel van de rechtbank door verrekening tot oktober 2001 geen loonbetalingsachterstand bestond, rustte er tot die datum à fortiori geen verplichting op eiser zijn werkgever hieromtrent aan te spreken. Omdat verweerder het bovenstaande niet heeft onderkend, ontbeert verweerders beslissing op dit punt een deugdelijke motivering.

Gelet op het voorgaande treffen de stellingen van eiser naar het oordeel van de rechtbank doel. Er bestaat derhalve geen aanleiding de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb, nu van voor vergoeding in aanmerking komende kosten niet is gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder een nieuwe beslissing op het bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

bepaalt voorts dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 29,-- aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. R.A.V. Boxem, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 29 december 2003, in tegenwoordigheid van mr. J. Woestenburg als griffier.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: