Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2003:AO6984

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
29-12-2003
Datum publicatie
02-04-2004
Zaaknummer
AWB 02/2891
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder verstrekt namens eiseres een ontslaguitkering aan ex-werknemer van eiseres. Het geschil tussen verweerder en eiseres betreft de uitvoering van de tussen hen gesloten privaatrechtelijke overeenkomst. Verweerder heeft de brief aan eiseres dat de ontslaguitkering aan de ex-werknemer wordt beëindigd, in de hoedanigheid van contractuele partij en daarmee uit eigen naam geschreven. Ten onrechte heeft verweerder derhalve geweigerd op het bezwaar van eiseres tegen deze brief een besluit te nemen. Eerdergenoemde brief van verweerder is geen besluit, zodat de rechtbank het bezwaar tegen deze brief alsnog niet-ontvankelijk verklaart.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB 02/2891 WW

Uitspraak

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

DLV Adviesgroep N.V.

gevestigd te Bennekom, vertegenwoordigd door mr. J. Velthoven, te Wageningen,

eiseres,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV),

verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 20 november 2002, uitgereikt door UWV USZO te Groningen.

2. Procesverloop

Bij brief van 27 juni 2002 heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat de ontslaguitkering die hij namens eiseres aan [werkneemster] (hierna: [werkneemster]) verstrekt, met ingang van 1 december 2002 wordt beëindigd.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder geweigerd om naar aanleiding van het bezwaar van eiseres van 1 augustus 2002 op voornoemd schrijven een besluit op bezwaar te nemen.

Tegen de weigering van verweerder om een besluit op bezwaar te nemen is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 17 november 2003. Namens eiseres is aldaar [X] verschenen, bijgestaan door mr. J. Velthoven. Verweerder heeft zich, met voorafgaande kennisgeving, niet ter zitting doen vertegenwoordigen.

3. Overwegingen

Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat verweerder de brief van 27 juni 2002 namens eiseres heeft geschreven. Nu eiseres met de brief van 1 augustus 2002 derhalve heeft gereageerd op haar eigen brief, heeft zij geen bezwaar gemaakt als bedoeld in artikel 1:5 van de Awb en heeft verweerder geweigerd een besluit op bezwaar te nemen.

Eiseres heeft het bestreden besluit gemotiveerd aangevochten. Op haar stellingen zal de rechtbank, voor zover nodig, in het navolgende ingaan.

De rechtbank overweegt als volgt.

Uit de gedingstukken is onder meer het volgende gebleken. [werkneemster] is op 1 januari 1998 voor onbepaalde tijd bij eiseres in dienst getreden. Op 17 oktober 2000 zijn eiseres en [werkneemster] overeengekomen de arbeidsovereenkomst op 1 november 2000 te beëindigen. Ingevolge artikel 65 van de van toepassing zijnde Collectieve arbeidsovereenkomst had [werkneemster] recht op een ontslaguitkering die materieel gelijk is aan een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet. Op grond van een tussen eiseres en verweerder op 27 december 1999 gesloten overeenkomst draagt verweerder voor rekening en risico van en namens eiseres zorg voor de uitvoering van de ontslaguitkeringsregeling. Aangezien eiseres vernam dat [werkneemster] in februari 2001 een eigen bedrijf had opgestart en sindsdien derhalve geen recht meer had op een ontslaguitkering, heeft zij verweerder bij brief van 3 juni 2002 verzocht de ontslaguitkering stop te zetten en de onverschuldigd betaalde bedragen aan haar te restitueren. Bij brief van 27 juni 2002 heeft verweerder eiseres medegedeeld de ontslaguitkering van [werkneemster] per 1 december 2002 te beëindigen. Bij besluit van 5 februari 2001, verzonden op 15 juli 2002, is [werkneemster] op de hoogte gesteld van de beëindiging van de ontslaguitkering.

Ten aanzien van de vraag of eiseres met de brief van 1 augustus 2002 op haar eigen brief heeft gereageerd en derhalve geen bezwaar heeft gemaakt, merkt de rechtbank het volgende op. De brieven van 27 juni 2002 en 1 augustus 2002 hebben feitelijk betrekking op de vraag of verweerder de verplichtingen die ingevolge de overeenkomst van 27 december 1999 op hem rusten, waaronder de rechtmatige, doelmatige en doeltreffende uitvoering van de uitkeringsregeling (artikel 3, eerste lid), is nagekomen. Verweerder heeft de brief van 27 juni 2002 dan ook in de hoedanigheid van contractuele partij en daarmee uit eigen naam geschreven, zodat niet kan worden gesteld dat eiseres met de brief van 1 augustus 2002 heeft gereageerd op haar eigen schrijven. Nu de brief van 1 augustus 2002 daarnaast, gelet op de inhoud van deze brief, als bezwaarschrift dient te worden aangemerkt, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte geweigerd een besluit op bezwaar uit te reiken. De rechtbank zal het beroep derhalve gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of er aanleiding bestaat met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe dat het geschil tussen eiseres en verweerder de uitvoering van de tussen hen gesloten privaatrechtelijke overeenkomst betreft, zodat de mededeling van verweerder in de brief van 27 juni 2002 dat de ontslaguitkering van [werkneemster] per 1 december 2002 wordt beëindigd, niet kan worden aangemerkt als een publiekrechtelijke rechtshandeling. Derhalve is er geen sprake van een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb en zal de rechtbank het bezwaar van eiseres alsnog niet-ontvankelijk verklaren.

De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 644. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

verklaart het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk;

veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644 en wijst het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

bepaalt voorts dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 218,-- aan haar vergoedt.

Aldus gegeven door mr. R.A.V. Boxem, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 29 december 2003, in tegenwoordigheid van mr. J. Woestenburg als griffier.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: