Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2003:AO2986

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
19-12-2003
Datum publicatie
04-02-2004
Zaaknummer
106909 / KG ZA 03-795
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Overeenkomstenrecht.

Uitleg ontbindende voorwaarde.

Daarvoor komt het in de eerste plaats aan op het achterhalen van de partijbedoeling en vervolgens bij gebreke van de verdere aanknopingspunten op een redelijke uitleg van de ontbindende voorwaarde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 106909 / KG ZA 03-795

Datum vonnis: 19 december 2003

Vonnis

in kort geding

in de zaak van

X,

wonende te A, gemeente B,

eiser,

procureur mr. J.M.J. Huver te Arnhem,

advocaat mr. C.A. van Kooten-de Jong te Deventer,

tegen

Y,

wonende te C, gemeente B,

gedaagde,

verschenen in persoon,

bijgestaan door haar gemachtigde mr. L.P. Berg te Leusden.

Het verloop van de procedure

Eiser heeft gedaagde ter zitting in kort geding doen dagvaarden en gevorderd als weergegeven in de dagvaarding.

Gedaagde heeft geconcludeerd tot weigering van de gevorderde voorzieningen.

De advocaat van eiser en de gemachtigde van gedaagde hebben de zaak bepleit overeenkomstig de door hen overgelegde pleitnotities en de daarbij behorende producties.

Aan het einde van de zitting heeft de voorzieningenrechter in verband met de grote spoedeisendheid van de zaak bepaald dat op 19 december 2003 vonnis zal worden gewezen, met dien verstande dat de motivering daarvan pas later op schrift zal worden gesteld.

De vaststaande feiten

1. Eiser, hierna X, exploiteert een agrarisch bedrijf te Maurik.

In 1997 heeft hij krachtens een vergunning van zowel de provincie Gelderland als (het College van B&W van) de gemeente Maurik, een 40-tal populieren op een gedeelte (1,5 ha.) van de rondom zijn bedrijf

gelegen grond gekapt. Aan X is zowel door de provincie Gelderland (krachtens de Boswet) als de gemeente Maurik (krachtens de APV) een herplantplicht van het onderhavige perceelsgedeelte opgelegd.

2. Omdat X in verband met zijn bedrijfsvoering geen mogelijkheden zag om op zijn eigen perceel uitvoering te geven aan voormelde herplantplicht, heeft hij door bemiddeling van Z contact opgenomen met gedaagde, hierna Y te noemen, die in beginsel bereid was die herplantplicht tegen betaling over te nemen. Naar aanleiding daarvan zijn partijen bij notariële akte van 21 augustus 1997 onder meer overeengekomen:

“ (…)

1. de ondergetekende sub 1 genoemd (opm.voorzieningenrechter: bedoeld is Y) zal binnen de door de Boswet gestelde termijnen haar in eigendom toebehorende gronden, tot een grootte van één hectare, vijftig are

(1.50.00 ha.) inplanten, daarbij de ondergetekende sub 2 genoemd (opm.voorzieningenrechter: bedoeld is X), vrijwarende van gemelde herinplantplicht ten aanzien van de door hem gevelde oppervlakte bos van

één hectare, vijftig are (1.50.00 ha.);

(…)

5. door partij sub 2 genoemd zal aan partij sub 1 genoemd een bedrag groot

twintigduizend gulden (ƒ 20.000,00) worden voldaan zulks op het moment dat de betrokken gemeente, de provincie, alsmede het Ministerie van Landbouw en Visserij de verplaatsing van het bosperceel onherroepelijk hebben goedgekeurd;

(…)

7. deze overeenkomst is ontbonden indien er geen goedkeuring wordt verleend tot verplaatsing van het bosperceel door de gemeente Maurik, de Provincie Gelderland en het Ministerie van Landbouw en Visserij (…).”

Op 21 augustus 1997 heeft X een (voorschot)bedrag ad

ƒ 12.500,-- contant aan Y voldaan.

3. Op 22 augustus 1997 heeft X een verzoek om compensatie van de herplantplicht als onder 2. bedoeld ingediend bij Laser, een agentschap van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Op dit verzoek is op 24 november 1997 afwijzend beslist. X heeft daartegen bezwaar ingediend dat op 27 augustus 2001 door de Staatssecretaris van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij ongegrond is verklaard. Nadat X tegen die beslissing beroep had ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna het CBB), heeft het CBB op 22 mei 2002 het beroep van X op formele gronden (wegens onbevoegde mandatering van Gedeputeerde Staten) gegrond verklaard maar het bestreden besluit overigens/inhoudelijk gehandhaafd.

4. Op 7 mei 2003 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen X en enkele vertegenwoordigers van de gemeente Buren en de provincie Gelderland. Y was bij dat gesprek niet aanwezig en daarvoor

ook niet uitgenodigd. Tijdens dat gesprek is (onder meer) de mogelijkheid onderzocht om X alsnog -onder een aantal voorwaarden (waaronder de toestemming van Y en een herplanting vóór 1 januari 2004)- goedkeuring te verlenen voor de door hem verzochte compensatie. Naar aanleiding van dit gesprek heeft X kort daarna contact opgenomen met Y omtrent (de praktische uitvoering van) de overname van de herplantplicht.

Y heeft toen aan X te kennen gegeven dat zij daartoe niet meer bereid was, omdat zij ervan uitging dat de overeenkomst door de uitspraak van CBB op 22 mei 2002 was ontbonden.

5. Op 5 november 2003 heeft X andermaal een verzoek om goedkeuring/compensatie ingediend bij het agentschap Laser, vestiging Dordrecht, van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Bij beslissing van 20 november 2003 is dit verzoek afgewezen, omdat Y niet (meer) mee wenst te werken aan de overname van de herplantplicht.

De vorderingen

1. X vordert thans, samengevat, Y te veroordelen om haar medewerking te verlenen voor het verkrijgen van goedkeuring voor de herinplant van bos op haar in eigendom toebehorende gronden door binnen één week na betekening van dit vonnis een schriftelijke verklaring af te geven waarin zij zich bereid verklaart om de herplantplicht uit te voeren, versterkt met een dwangsom.

X vordert tevens Y te veroordelen om vóór 1 januari 2004 tot uitvoering van de herplantplicht over te gaan, indien de goedkeuring daartoe wordt verleend, eveneens versterkt met een dwangsom.

2. Y voert gemotiveerd verweer tegen de vorderingen van X, waarop hierna -voor zover nodig- zal worden ingegaan.

De beoordeling van de vordering

1. Partijen hebben op 21 augustus 1997 de onder de vaststaande feiten sub 2 weergegeven overeenkomst gesloten. Op grond van die overeenkomst heeft Y zich tegenover X verbonden om tegen betaling van een bedrag van ƒ 20.000,-- een haar in eigendom toebehorend stuk grond ter grootte van 1.50.00 ha in te planten,

daarbij X vrijwarende van de op hem rustende herinplantplicht ter zake van het door hem gevelde stuk bos van een zelfde omvang. Y betoogt dat zij niet langer gehouden is de overeengekomen overname van de herplantplicht na te komen omdat, kort gezegd, met de beslissing van het CBB definitief geen sprake is van een goedkeuring tot verplaatsing van het bosperceel als gevolg waarvan de ontbindende voorwaarde van art. 7 uit de overeenkomst is vervuld. X betwist dat met de beslissing van het CBB de ontbindende voorwaarde reeds is ingetreden. Volgens hem had Y daartoe een uitdrukkelijk beroep op de ontbindende voorwaarde moeten doen, is de enkele uitspraak van het CBB niet voldoende om te kunnen stellen dat er definitief geen goedkeuring is verleend op het verzoek tot verplaatsing van het bosperceel en is X ten slotte van mening dat uit het handelen van Y na de beslissing van 22 mei 2002 ook niet kan worden afgeleid dat zij van opvatting was dat met de uitspraak de overeenkomst was ontbonden.

2. Tussen partijen is op zichzelf niet in geschil dat artikel 7 van de overeenkomst een ontbindende voorwaarde bevat, met dien verstande dat de overeenkomst is ontbonden indien geen goedkeuring wordt verleend tot verplaatsing van het bosperceel door de gemeente Maurik, de provincie Gelderland en het Ministerie van Landbouw en Visserij. Anders dan X betoogt volgt uit de tekst van art. 7 zonneklaar dat vervulling van de voorwaarde- het niet verlenen van bedoelde goedkeuring- de verbintenissen uit de overeenkomst van rechtswege doet vervallen (art. 6: 22 BW) zodat een uitdrukkelijk beroep daarop niet nodig is. Partijen verschillen van mening over de precieze betekenis van de ontbindende voorwaarde.

3. Bij beantwoording van de vraag hoe de ontbindende voorwaarde van artikel 7 (’indien geen goedkeuring wordt verleend’) moet worden begrepen komt het in de eerste plaats aan op het achterhalen van de partijbedoeling (vgl. HR 12 januari 2001, NJ 2001, 199). Ter zitting is daarover door X opgemerkt dat de tekst in overleg met partijen is opgesteld door notaris W, en was toen voor partijen al duidelijk dat er door X nog de nodige procedures doorlopen moesten worden. Volgens hem gingen partijen toen uit van een traject van 1 à 1,5 jaar. Y heeft ter zitting aangegeven zich niet meer te kunnen herinneren wat er precies tussen partijen met betrekking tot de totstandkoming van de ontbindende voorwaarde is besproken, in het bijzonder of daarbij nog is gesproken over nog te volgen procedures. Wel verklaarde Y van X te hebben begrepen dat ‘alles binnen 3 jaar zou zijn afgerond’ en heeft zij bij pleidooi doen opmerken dat het op het moment van het sluiten van de overeenkomst niet uitgesloten was dat niet alle betrokken overheden zouden instemmen met compensatie op haar terrein.

4. Uitgangspunt bij de uitleg van de ontbindende voorwaarde moet derhalve zijn dat partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen heeft gestaan dat het verkrijgen van goedkeuring mogelijkerwijs nog wel een aantal jaren zou kunnen duren. Dat kan niet anders betekenen dan dat zij er beiden vanuit zijn gegaan dat voor het verkrijgen van toestemming mogelijk een procedure doorlopen zou moeten worden, te beginnen met het op 22 augustus 1997 bij Laser ingediend verzoek om compensatie. Bij gebreke van verdere aanknopingspunten aan de hand waarvan de partijbedoeling kan worden achterhaald komt het dan aan op een redelijke uitleg van de ontbindende voorwaarde. Daartoe geldt het volgende.

5. Artikel 5 van de overeenkomst bevat een opschortende voorwaarde. In het artikel is bepaald dat de betalingsverplichting van X eerst werking verkrijgt op het moment dat de betrokken gemeente, de provincie en het ministerie van Landbouw en Visserij de beoogde verplaatsing van het bosperceel onherroepelijk hebben goedgekeurd. Naar aanleiding van de tussen hem en Y op 21 augustus 1997 gesloten overeenkomst tot overname van de herplantplicht heeft X op 22 augustus 1997 zijn verzoek om compensatie ingediend bij het agentschap van het ministerie van Landbouw, Laser te Dordrecht. Een redelijke uitleg van de ontbindende voorwaarde brengt dan voorshands mee dat deze de verbintenissen uit de overeenkomst eerst dan doet vervallen indien op het op 22 augustus 1997 ingediende verzoek tot verplaatsing van het bosperceel onherroepelijk afwijzend is beslist. Dat is daarom redelijk omdat een andere opvatting – te weten: X mag ook het onherroepelijk worden van de beslissing(en) op (een) eventuele nadien ingediend(e) verzoek(en) afwachten alvorens de ontbindende voorwaarde van art. 7 intreedt – een open eind karakter heeft, hetgeen niet aannemelijk is. Voor de juistheid van die opvatting zijn geen feiten gesteld noch is daarvan anderszins gebleken.

6. Op het door X op 22 augustus 1997 ingediende verzoek om compensatie is op 24 november 1997 afwijzend beslist. X heeft daartegen bezwaar ingesteld bij Gedeputeerde staten van Gelderland, welk bezwaarschrift eind januari 1998 is doorgezonden naar het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Bij besluit van 27 augustus 2001 heeft de staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij de bezwaren van X tegen de afwijzing van zijn verzoek om compensatie ongegrond verklaard. Daartegen heeft X vervolgens beroep ingesteld bij het CBB. Dat college heeft bij beslissing van 22 mei 2002 het beroep van X gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd voor zover is verzuimd het bezwaar van X gegrond te verklaren omdat bij het primaire besluit door Gedeputeerde Staten onbevoegd in mandaat is

beslist, en heeft voor het overige het bestreden besluit gehandhaafd. In dat verband heeft het CBB geoordeeld dat de Staatsseceretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat X niet voor de gevraagde toestemming in aanmerking komt.

7. Met de beslissing van het CBB is tussen partijen komen vast te staan dat op het door X op 22 augustus 1997 ingediende verzoek om compensatie onherroepelijk afwijzend is beslist. Dat betekent dat onherroepelijk geen goedkeuring is verleend als bedoeld in art. 7 van de overeenkomst. De ontbindende voorwaarde is daarmee vervuld als gevolg waarvan de verbintenissen uit de overeenkomst zijn komen te vervallen. Een nader uitdrukkelijk beroep daarop door Y is, zoals onder 2 is overwogen, geen vereiste voor het in vervulling gaan van de voorwaarde en haar rechtsgevolgen. Dat Y niet na de beslissing van het CBB bij X heeft geïnformeerd of hij daarin berust kan daarin geen verandering brengen. Opmerking verdient in dat verband dat de vraag of X zou berusten niet relevant voor Y kan zijn geweest, omdat aan X na de beslissing van het CBB geen verdere rechtsmiddelen (meer) openstonden.

8. Resteert de door X aan de orde gestelde vraag of uit het handelen van Y na de beslissing van het CBB blijkt dat zij van mening was dat niet reeds met de beslissing van het CBB de overeenkomst was ontbonden maar dat X vervolgens ook nog de beslissing op een nieuw verzoek tot goedkeuring op grond van de door hem aangegeven bijzondere omstandigheden zou mogen afwachten, dan wel dat X dat in redelijkheid uit het handelen van Y heeft mogen afleiden. Die vraag moet voorshands ontkennend worden beantwoord. Ter zitting is weliswaar komen vast te staan dat Y na ontvangst van de uitspraak van het CBB zich niet met X heeft verstaan, maar er is niets dat haar daartoe verplichtte en daaruit kan dan ook nog niet volgen dat Y van mening was dat de overeenkomst niet was ontbonden of dat X zulks uit het enkele stilzitten van Y heeft mogen afleiden. Hetzelfde moet gelden voor de omstandigheid dat Y het bedrag van ƒ 12.500,-- niet terugbetaalde. X heeft overigens, zoals ter zitting is gebleken, ook niet zelf met Y contact opgenomen na 22 mei 2002 hoewel dat, gelet op het feit dat hij een nieuw verzoek op grond van bijzondere omstandigheden wilde indienen, nu juist op zijn weg had gelegen. Evenmin is Y door X geïnformeerd over de bespreking van 7 mei 2003 op het gemeentehuis van de gemeente Buren in verband met het voorgenomen nieuwe verzoek om compensatie van X op grond van de door hem gestelde bijzondere omstandigheden en onweersproken heeft Y gesteld dat zij daar ook niet anderszins mee op de hoogte was. Voor het overige zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken waaruit kan volgen dat X in redelijkheid uit enig handelen van Y heeft mogen begrijpen dat de beslissing op een hernieuwd verzoek om compensatie van de herplantplicht zou mogen worden afgewacht.

9. De primaire vordering stuit dus reeds in al haar onderdelen op het voorgaande af. De subsidiaire vordering is wel toewijsbaar. Ingevolge het bepaalde in art. 6:24 lid 1 BW is Y immers gehouden het door haar reeds ontvangen geldbedrag terug te betalen. De wettelijke rente is op de voet van art. 6:119 BW toewijsbaar vanaf de dag van de dagvaarding. Nu Y zich echter vóór dagvaarding bij brief van haar raadsman van 25 november 2003 bereid heeft verklaard tot terugbetaling van ƒ 12.500,-- (€ 5.672,25) moet worden geoordeeld dat het aanspannen van het onderhavig kort geding in zoverre onnodig was. Daarom bestaat aanleiding de proceskosten geheel ten laste van X te brengen.

De beslissing

De voorzieningenrechter

1. veroordeelt Y om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan X te voldoen een bedrag van € 5.672,25, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan die der algehele voldoening,

2. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3. weigert het anders of meer gevorderde.

4. veroordeelt X in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Y bepaald op € 454,-- voor salaris en op € 205,-- voor verschotten.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. van der Pol en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier E.J. Wouters op 19 december 2003.

de griffier de rechter