Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2003:AO1219

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
17-12-2003
Datum publicatie
05-01-2004
Zaaknummer
97996 / HA ZA 03-492
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Groepsaansprakelijkheid, art 6:166 BW. Vraag of groepsoptreden gevaar heeft geschapen, te weten oogletsel als gevolg van het slaan met een keu. Kon redelijkerwijs niet verwacht worden dat iemand van de groep met een keu zou slaan zodat de kans op het aldus toebrengen van schade iemand anders van de groep niet hoefde te weerhouden van deelname aan het groepsoptreden. Begroten van verlies van verdienvermogen. Als uitgangspunt heeft te gelden dat rekening gehouden moet worden met een redelijke verwachting omtrent toekomstige ontwikkelingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2004, 230

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 97996 / HA ZA 03-492

Datum vonnis: 17 december 2003

Vonnis

in de zaak van

X,

wonende te A,

eiser,

procureur en advocaat mr. J.B.R. Daniels te Arnhem,

tegen

1. Y,

wonende te A,

gedaagde sub 1,

procureur en advocaat mr A.Th. L van der Meulen,

2. Z,

wonende te B,

gedaagde sub 2,

procureur mr. P.A.C. de Vries,

advocaat mr. P.R.M. van Noppen te Arnhem,

Het verloop van de procedure

Voor het verloop van de procedure tot het tussenvonnis van 16 juli 2003 wordt naar dat vonnis verwezen. Ter uitvoering van dit tussenvonnis is een comparitie van partijen gehouden. Het proces-verbaal daarvan bevindt zich bij de stukken. Vervolgens heeft X nog een akte overlegging producties genomen. Daarna is vonnis bepaald.

De vaststaande feiten

1.1 In de avond van 29 september 2001 bezocht X samen met zijn vriendin S café Klein Royal aan de Klarendalseweg te Arnhem. Laat in de avond kwam een groep mensen binnen bestaande uit, in ieder geval, Y, haar vriend T, zijn broers U en Z, V, W en diens vader P, Q en R. Y is met Q en R gaan biljarten. Haar vriend, zijn beide broers, V en W en P zijn gaan tafelvoetballen.

1.2 Tussen X enerzijds en - in ieder geval - T, Z, U en V anderzijds een vechtpartij ontstaan op en rond het biljart. Bij die vechtpartij heeft X ernstig letsel opgelopen aan het linkeroog. Het linkeroog is operatief verwijderd en vervangen door een prothese.

1.3 Stellende dat Y hem met een biljartkeu op het linkeroog heeft geslagen, heeft X aangifte van zware mishandeling door Y gedaan. Het proces-verbaal van politie (Regio-politie Gelderland Midden, District Arnhem-Veluwezoom (AVZ), Afdeling E.X.O., Districts Recherche) waarvan de aangiften van X, S en O (barkeeper) deel uitmaken bevindt zich bij de stukken. Van dat proces-verbaal maken verder onder meer deel uit de verklaringen die Y, T, U, Z en V als verdachten hebben afgelegd alsmede een aantal getuigenverklaringen van onder meer N en M.

1.4 De strafkamer van deze rechtbank heeft bij onherroepelijk, op tegenspraak gewezen, vonnis van 14 oktober 2002 bewezen verklaard dat Y X opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (ernstig oogletsel; verlies van een oog) heeft toegebracht door hem opzettelijk meermalen met kracht met een biljartkeu tegen zijn hoofd of gezicht te slaan. Zij is veroordeeld om bij wijze van voorschot op de schade € 10.000,-- aan X te betalen.

1.5 Bij vonnissen van de politierechter in deze rechtbank van 20 juni 2002 is bewezen verklaard dat Z, zijn broers T en U, en V openlijk in vereniging geweld hebben gepleegd tegen X. Het op tegenspraak tegen Olaf Z gewezen vonnis is onherroepelijk geworden.

1.6 X heeft Y, Z, T, U en V gedagvaard voor deze rechtbank tot betaling van schadevergoeding. V, T en U is blijkens de rolkaart verstek verleend.

Het geschil

2. X vordert dat de rechtbank bij vonnis Y en Z- naar de rechtbank begrijpt: hoofdelijk - zal veroordelen om aan hem te betalen een bedrag van € 25.000,-- wegens immateriële schade en € 107.069,-- wegens materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2001 althans vanaf de dag van dagvaarden, alsmede een nader vast te stellen bedrag in verband met de afsluiting van een aanvullende verzekering voor het rechteroog. Y heeft onrechtmatig gehandeld door X in de nacht van 29 op 30 september 2001 met een biljartkeu tegen het linkeroog te slaan te slaan als gevolg waarvan hij volledig blind is geworden aan dat oog. Zij is dus aansprakelijk voor de als gevolg van dat letsel geleden en nog te lijden schade. Ook Z heeft onrechtmatig jegens X gehandeld door geweld te plegen in diezelfde nacht; waar dat handelen in groepsverband met de overige gedaagde heeft plaatsgevonden is hij met de medegedaagden hoofdelijk aansprakelijk voor de geleden en nog te lijden schade. De materiële schade bestaat enerzijds (€ 105.287,--) uit door hem becijferd verlies aan verdienvermogen tot 60-jarige leeftijd en vervolgens verlies aan pensioen en anderzijds uit overige schadeposten (€ 1.781,44--). De premie voor de verzekering van het rechteroog moet nog worden vastgesteld.

3. Y en Z voeren verweer. Daarop zal, voor zover van belang, hierna worden ingegaan.

De beoordeling van het geschil

4. Aan het onder 1.4 genoemde, door de strafkamer van deze rechtbank bij vonnis van 14 oktober 2002, bewezenverklaarde feit komt op de voet van art. 161 Rv dwingende bewijskracht toe, behoudens door Y te leveren tegenbewijs. Y betwist het haar verweten feit te hebben begaan, maar heeft geen tegenbewijs aangeboden. De rechtbank ziet geen aanleiding haar daartoe ambtshalve toe te laten. Derhalve heeft als vaststaand te gelden dat Y X meermalen met een biljartkeu tegen het hoofd/gezicht heeft geslagen.

5. Daaruit volgt reeds dat Y tegenover X onrechtmatig heeft gehandeld. Zij is dan ook aansprakelijk voor de schade die daarvan het gevolg is. X heeft in de dagvaarding gesteld dat hij door Y met de keu vol op het linkeroog is geraakt, als gevolg waarvan het oog operatief is verwijderd en hij aan dat oog volledig blind is geworden. Stelplicht- en bewijslast van het causaal verband rusten ingevolge de hoofdregel van art. 150 Rv op X. Ter onderbouwing verwijst hij naar de zich bij het proces-verbaal bevindende verklaring van oogarts S. Sybrandy (‘ernstig letsel vh linker oog’), naar de foto’s die deel uitmaken van het proces-verbaal en naar de als productie 6 overgelegde verklaring van F. Bak, oculariste, ter zake van het aanmeten, afleveren en aanpassen van een oogprothese links in de periode november 2001 tot en met december 2002. Aldus heeft X aan de op hem rustende stelplicht met betrekking tot het letsel als gevolg van het slaan met de keu voldaan. Z heeft dat causaal verband in het geheel niet betwist en Y volstaat met de kale betwisting dat het door X aangegeven letsel niet is ontstaan als gevolg van het slaan door haar. Daarmee hebben zij de stellingen van X op dit punt niet (voldoende gemotiveerd) weersproken, zodat deze vast staan.

6. Subsidiair stelt Y dat sprake is van eigen schuld van X Daartoe voert zij aan dat, indien bewezen wordt dat hij het letsel tijdens de vechtpartij heeft opgelopen als gevolg van een klap op zijn oog door één van de andere gedaagden, hij die klappen heeft gekregen als gevolg van het feit dat hij Z bij de keel heeft gegrepen en hen over het biljart heeft geduwd.

7. Dat verweer stuit reeds af op hetgeen onder 4 en 5 is overwogen. Vaststaat immers dat X door Y met een keu is geslagen en dat als gevolg daarvan letsel aan het linkeroog is ontstaan. X heeft overigens aan zijn vorderingen niet ten grondslag gelegd de stelling dat hij door één van de andere gedaagden (waaronder Z) op zijn oog is geslagen en als gevolg daarvan letsel aan zijn linkeroog heeft opgelopen.

8. Aansprakelijkheid van Z voor de schade die X heeft geleden als gevolg van het feit dat Y hem met een biljartkeu heeft geslagen grondt hij op art. 6:166 BW, nu Z op 29 september 2001 samen met Y, zijn broers T en U en V heeft deelgenomen aan gedragingen in groepsverband.

9. De aansprakelijkheid van art. 6:166 BW berust op de deelneming aan gedragingen in groepsverband, waarvan de kans op het aldus toebrengen van schade - zoals hier is geschied - de deelnemers had behoren te weerhouden van het deelnemen aan die gedragingen in dat groepsverband. Van deelneming is sprake indien betrokkene op een of andere manier door zijn gedragingen een bijdrage heeft geleverd aan het geheel van de gedragingen in groepsverband die het gevaar voor toebrenging van schade hebben doen ontstaan en tussen die bijdrage en de bijdragen van andere deelnemers aan die gedragingen een zodanige mate van samenhang bestaat dat de gedragingen van betrokkene en die anderen als gedragingen in groepsverband kunnen worden aangemerkt. Daaromtrent wordt als volgt overwogen.

10. De bijdrage van Z bestond er uit dat hij die avond samen met, in ieder geval, Y, zijn beide boers T en U en V is uitgegaan in Café Klein Royal, dat T en V met X ruzie hebben gekregen omdat X teveel naar de vriendin van T, Y, zou hebben gekeken, dat hij naar X is toegelopen en hem stevig en boos heeft aangekeken en hem dreigend heeft toegevoegd: ‘je moet ophouden, want anders komt het niet goed met je’. Zulks blijkt uit de verklaring die Z bij de politie heeft afgelegd. Vervolgens is op en om het biljart een vechtpartij tussen Z en X ontstaan waaraan vervolgens ook T en V hebben meegedaan en waarbij X door onder meer Z en T is geslagen, zo blijkt uit hetgeen N als getuige bij de politie heeft verklaard. Ook U is blijkens zijn eigen verklaring naar de vechtenden toegelopen en heeft met zijn vuist tegen het achterhoofd van X geslagen. Barkeeper O heeft in zijn aangifte verklaard dat ‘alle mannen met de vuisten op X insloegen’, dat hij er een jongen tussenuit heeft getrokken om erger te voorkomen en dat die jongen hem zonder aanleiding een kopstoot gaf. Ten slotte heeft Z tegenover de politie nog verklaard (verklaring 15/10/2001 16.05) een trappende beweging naar X te hebben gemaakt. De juistheid van deze verklaringen van Z, U, N en O zijn niet bestreden en deze staan daarmee vast. Aan bewijs wordt dan niet toegekomen.

11. Ook Y heeft, anders dan Z betoogt, een bijdrage geleverd aan de gedragingen in groepsverband die het gevaar voor het toebrengen van schade deden ontstaan. Uit de verklaring van N blijkt in dat verband dat zij zich, voordat zij X met de keu heeft geslagen, (ook) met de gewelddadigheden in het café is gaan bemoeien met dien verstande dat zij om het biljart heen is gelopen en de vechtende mannen is gepasseerd, dat zij een busje uit de borstzak van haar jas heeft gehaald en vervolgens een gas in de richting van N en de barkeeper heeft gespoten, dat zij daarna naar het rek met biljartkeus is gelopen en een keu heeft gepakt en vervolgens in de richting van X is gegaan om ook in zijn richting met gas te spuiten. Ook O, de barkeeper, heeft in zijn aangifte verklaard dat Y hem met spray in de ogen spoot. Hetzelfde geldt voor zijn echtgenote, M, die eveneens heeft verklaard dat Y met een bijtende substantie in haar oog heeft gespoten. Ook in zoverre gaat de rechtbank, bij gebreke van enige betwisting, uit van de juistheid van de verklaringen die N, O en zijn echtgenote bij de politie hebben afgelegd. Opmerking verdient overigens dat Y tegenover de politie heeft erkend met een busje te hebben gespoten, dat volgens haar echter geen gas maar groene verf bevatte.

12. Uit een en ander volgt tevens dat er tussen de bijdrage van Z en de bijdragen van Y, T, U en V een zodanige mate van samenhang bestond dat de gedragingen van ieder van hen als gedragingen in groepsverband aangemerkt kunnen worden.

13. Resteert de vraag of dit groepsoptreden in de nacht van 29 op 30 september 2001 gevaar heeft geschapen voor de schade zoals die in concreto is toegebracht, te weten ernstig oogletsel als gevolg van het slaan met een keu (‘aldus’). Z betwist voor die schade aansprakelijk te zijn omdat - kort gezegd - redelijkerwijs niet kon worden verwacht dat iemand van de groep, laat staan Y, met een keu zou gaan slaan zodat de kans op het aldus toebrengen van schade hem niet behoefde te weerhouden van deelname aan het treffen met X.

14. Bij de beoordeling van die vraag neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat de overwegende karakteristiek van het groepsoptreden er uit heeft bestaan dat fysiek geweld tegen derden, waaronder X, is toegepast, te weten slaan, trappen en spuiten met een bijtende vloeistof in het gezicht. Bij een dergelijk ernstig groepsoptreden kan niet worden gezegd dat het slaan met een biljartkeu door een van de deelnemers zozeer de overwegende karakteristiek van dat groepsoptreden te buiten gaat dat daarvoor in redelijkheid geen aansprakelijkheid kan worden aangenomen. Wellicht dat het gericht slaan met nota bene de dikke kant van een biljartkeu nog iets verder gaat dan slaan, trappen en spuiten met een vloeistof, maar aangenomen dat dit het geval is dan dient bij die overwegende karakteristiek door de deelnemers rekening te worden gehouden met het gevaar dat anderen in de toepassing van geweld verder gaan en dat dient dan in een geval als het onderhavige voor hun risico te komen. Door hun gedragingen in groepsverband hebben de deelnemers, waaronder Z, immers bijgedragen aan het ontstaan van dat gevaar.

15. Nu de kans op het aldus toebrengen van schade - te weten door het gericht slaan met een biljartkeu - Z had behoren te onthouden van zijn gedragingen in groepsverband, moet de conclusie zijn dat hij op grond van art. 6:166 BW hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die X als gevolg van de klappen met de biljartkeu lijdt en heeft geleden. Het verweer van Z treft dus geen doel.

16. Ook Z beroept zich op eigen schuld van X. Hij voert aan dat X zich niets gelegen heeft laten liggen aan de kritiek die op hem werd geuit uit het kamp van de gedaagden en dat hij als eerste lichamelijk geweld heeft gebruikt tegen een van de gedaagden door deze bij de keel te grijpen en op het biljart te leggen.

17. Het verweer kan niet slagen. Vooropgesteld wordt dat uit de hoofdregel van art. 150 Rv volgt dat Z de feiten dient te stellen en zonodig te bewijzen dat sprake is van eigen schuld. Voor wat betreft het verwijt dat X zich niets heeft aangetrokken van de kritiek die ‘uit het kamp van de gedaagden’ op hem werd geuit geldt dat zonder nadere feitelijke toelichting- die ontbreekt - niet valt in te zien op welke kritiek wordt gedoeld en in hoeverre het oogletsel mede een gevolg kan zijn van de omstandigheid dat X zich van die kritiek niets heeft aangetrokken. Voor zover wordt gedoeld op het verwijt dat X teveel naar Y, de vriendin van T, zou hebben gekeken valt zonder nadere onderbouwing evenmin in te zien dat dit een aan X toe te rekenen omstandigheid is die mede tot het oogletsel als gevolg van het slaan met een keu heeft geleid. In zoverre is niet voldaan aan de stelplicht. Aan bewijs wordt dan niet toegekomen.

18. X heeft op de comparitie betwist dat hij met het gebruik van geweld is begonnen: Z is volgens hem een van de initiators van de vechtpartij geweest. N heeft tegenover de politie verklaard:

“De man met het lange haar en ook de man die hem in eerste instantie

wilde tegenhouden, vielen X ineens aan. (….). Ik zag dat de man met het lange haar met zijn linkerarm uithaalde naar X, waarbij zijn hand tot een vuist gebald was. Ik zag dat X de slag kon afweren, door de vuist van de man vast te pakken en weg te duiken met zijn hoofd. Ik zag vervolgens dat X en deze twee mannen gezamenlijk op het biljart terechtkwamen.’’

19. Tegenover deze gedetailleerde verklaring van N had Z niet kunnen volstaan met de enkele, niet nader onderbouwde, stelling dat X als eerste geweld heeft gebruikt. De conclusie moet dan zijn dat hij de verklaring van N onvoldoende gemotiveerd heeft bestreden zodat deze ook in zoverre vaststaat. Op grond van die verklaring moet er van worden uitgegaan dat niet X, maar een van de deelnemers aan het groepsverband, als eerste geweld heeft gebruikt.

20. Ten aanzien van de door X gestelde schadeposten wordt als volgt geoordeeld.

21. De aard en ernst van het letsel dat X als gevolg van de klappen met de biljartkeu heeft opgelopen - te weten het verlies van zijn linkeroog - rechtvaardigt op de voet van art. 6:106 lid 1 en onder b BW de toekenning van een naar billijkheid vast te stellen bedrag van € 25.000,-- ter vergoeding van immateriële schade. Daarbij verdient opmerking dat het verlies van het linkeroog voor X ook daarom zo ernstig is omdat hij, zoals onbestreden is gesteld, kort daarvoor de opleiding tot internationaal vrachtwagenchauffeur had gevolgd en op het punt stond daarvoor examen te doen. Als gevolg van het verlies van het linkeroog, zo blijkt uit de als productie 4 overgelegde brief van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen van 7 februari 2002 waarvan de juistheid niet is bestreden, is hij weliswaar geschikt voor het besturen van motorrijtuigen van de categorieën B en C maar geldt voor de categorie C de beperking tot verkeersdeelname alleen in Nederland. Reeds daarom is het beroep van internationaal vrachtwagenchauffeur voor X uitgesloten.

22. Als relatief kleine materiële schadepost heeft X een bedrag van

€ 1.781,44 gevorderd, bestaande uit extra lessen en herexamen

C-rijbewijs (€ 424,44), reiskosten in verband met bezoek aan de oculariste (€ 300,--), opgenomen snipperdagen in verband met bezoek politie, advocaat, ziekenhuis en gemeente (€ 877,--), kosten uittreksels basisadministratie in verband met een nieuw rijbewijs (€ 80,--) en parkeergeld (€ 100,--). Deze posten zijn niet (voldoende gemotiveerd) bestreden en dus toewijsbaar. Evenmin is bestreden de noodzaak tot het afsluiten van een verzekering voor het goede rechteroog van X, zodat dit vaststaat. X dient zich echter nog uit te laten over de met die verzekering gemoeide premie. X zal zich daarover bij hierna nog te bespreken akte ter rolle kunnen uitlaten.

23. Dan het gevorderde verlies aan verdienvermogen en pensioenschade. Deze schadepost heeft X becijferd op € 105.287,-- netto. De hypothetische uitgangspunten waarop hij zijn vordering ter zake van arbeidsvermogensverlies baseert zijn de volgende:

a. zonder het letsel aan het linkeroog zou hij het diploma internationaal chauffeur hebben behaald en zou hij internationaal chauffeur zijn geworden; in dat geval zou hij in de E-schaal van de CAO voor het beroepsgoederenvervoer, de loonschaal voor internationaal chauffeurs, terecht zijn gekomen;

b. zonder het oogletsel zou hij als internationaal chauffeur op 60-jarige leeftijd met werken zijn gestopt;

c. vervolgens zou hij op 60-jarige leeftijd gebruik hebben gemaakt van de pre-pensioenregeling die hem 90% van het laatstgenoten salaris zou hebben gegarandeerd.

24. Als gevolg van het oogletsel stelt X verder dat het voor hem langer heeft geduurd alvorens hij van de C-schaal naar de D-schaal van de CAO voor het beroepsgoederenvervoer is doorgestroomd en dat hij nooit in de E-schaal zal terechtkomen. Het verschil in inkomen tussen de D- en de E-schaal bedraagt € 150,-- per 4 weken, een internationaal chauffeur werkt minimaal 10 uur per week meer dan een nationaal chauffeur en wel tegen een uurloon van € 15,27, hetgeen er volgens X toe leidt dat de internationaal chauffeur gemiddeld € 11.000,-- bruto per jaar meer verdient dan de nationaal chauffeur. Gedaagden bestrijden de door X berekende toekomstige schade en de daaraan ten grondslag gelegde uitgangspunten.

25. Bij het begroten van schade als de onderhavige moet een vergelijking worden gemaakt tussen de feitelijke inkomenssituatie ná het ontstaan van het oogletsel met de hypothetische situatie bij wegdenken van dat letsel. Daarbij geldt als uitgangspunt dat rekening moet worden gehouden met een redelijke verwachting omtrent toekomstige ontwikkelingen (vgl HR 15 mei 1998, NJ 1998, 624 en HR 14 januari 2000, NJ 2000,437). Bij de beoordeling van de in dat verband van belang zijnde omstandigheden kan met het verlies van keuzemogelijkheden ten aanzien van loopbaanontwikkeling zoveel mogelijk in het voordeel van de benadeelde partij rekening worden gehouden, maar dat brengt nog niet mee dat er zonder meer van moet worden uitgegaan dat X zonder het oogletsel internationaal vrachtwagenchauffeur zou zijn geworden en op 60-jarige leeftijd gebruik zou hebben kunnen maken van een pre-pensioenregeling op grond waarvan hem 90% van het laatstgenoten salaris zou zijn toegekomen.

26. Hoewel geen al te hoge eisen mogen worden gesteld aan het op dit punt van X te verlangen bewijs dienen door hem wel feiten te worden gesteld en aannemelijk te worden gemaakt die de juistheid van de onder 23 genoemde uitgangspunten ondersteunen. X dient derhalve gedocumenteerd te onderbouwen dat hij, in de hypothetische situatie dat het oogletsel niet zou zijn toegebracht, naar redelijke verwachting óók op zijn leeftijd internationaal chauffeur had kunnen worden, en tegen welke salaris en op basis van welke schaal. Dat hij naar redelijke verwachting internationaal chauffeur had kunnen worden volgt op zichzelf nog niet uit het onder 21 vastgestelde feit dat X zonder het verlies van zijn linkeroog het C-rijbewijs zou hebben behaald zonder de beperking tot nationaal vervoer. Een aanwijzing daarvoor vormt dit feit wel. Voorts dient X te onderbouwen dat hij naar redelijke verwachting op 60-jarige leeftijd zou hebben kunnen stoppen en gebruik had kunnen maken van een pre-pensioenregeling en zo ja welke. De zaak zal naar de rol worden verwezen zodat X bij akte die onderbouwing kan geven. Gedaagden zullen daar dan op mogen reageren.

27. Vervolgens zal X, uitgaande van de juistheid van de door hem genoemde uitgangspunten, deugdelijk en zo mogelijk door inschakeling van een rekenkundig adviesbureau, dienen te becijferen welk salaris hij zou hebben verdiend in de hypothetische situatie dat het oogletsel niet zou zijn toegebracht. In verband met de begroting van de schade zal X tevens glashelder zijn feitelijke inkomenssituatie ná het oogletsel en de ontwikkeling van dat inkomen tot 60-jarige leeftijd moeten becijferen. X zal, kortom, een deugdelijke schadeberekening in het geding dienen te brengen. X wordt in de gelegenheid gesteld die berekening bij akte in het geding te brengen. Gedaagden zullen daarop mogen reageren.

28. Gedaagden hebben ten slotte ieder voor zich een beroep op matiging gedaan. Op grond van art. 6:109 BW kan de rechter een wettelijke verplichting tot schadevergoeding matigen indien toekenning van volledige schadevergoeding in de gegeven omstandigheden waaronder aard van de aansprakelijkheid, de tussen partijen bestaande rechtsverhouding en hun beider draagkracht, tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden. X heeft daarop nog niet afdoende kunnen reageren. Hij zal in de gelegenheid worden gesteld dit bij akte alsnog te doen.

29. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. Tussentijds hoger beroep van dit vonnis is uitgesloten.

De beslissing

De rechtbank, recht doende,

verwijst de zaak naar de rolzitting van 28 januari 2004 voor het nemen van een akte aan de zijde van X tot het onder 22, 26, 27 en 28 genoemde doel;

houdt iedere verdere beslissing aan;

verstaat dat hoger beroep van dit vonnis alleen mogelijk is tegelijk met dat van het eindvonnis.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. van der Pol, rechter, en uitgesproken in het openbaar op woensdag 17 december 2003.

De griffier: De rechter: