Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2003:AO0073

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
08-12-2003
Datum publicatie
15-12-2003
Zaaknummer
105797 / KG ZA 03-714
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Toedeling hond; artikel 3:178 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2004, 26
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 105797 / KG ZA 03-714

Datum vonnis: 8 december 2003

Vonnis

in kort geding

in de zaak van

X,

wonende te

eiseres,

procureur en advocaat mr. E. Weijer te Culemborg,

tegen

Y,

wonende te

gedaagde,

advocaat mr. F.W. Henstra te Utrecht.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als respectievelijk X en Y.

Het verloop van de procedure

X heeft Y ter zitting in kort geding doen dagvaarden en gevorderd als weergegeven in de dagvaarding. Y heeft geconcludeerd tot weigering van de gevorderde voorzieningen.

De advocaat van X en de advocaat van Y hebben de zaak bepleit, laatstgenoemde overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnotitie. Daarbij hebben zij producties in het geding gebracht.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De vaststaande feiten

Op grond van de stellingen van partijen en de inhoud van de producties - alles voor zover niet dan wel onvoldoende weersproken - staat voorshands het volgende vast.

1.1 Partijen hebben vanaf april 2000 tot 24 juni 2003 een affectieve relatie gehad. Vanaf april 2002 woonden partijen samen in de woning van X.

1.2 Tijdens een vakantie in Frankrijk in september 2002 is een hond aan komen lopen op de camping waar partijen verbleven. Nadat partijen was gebleken dat deze hond, door hen Z genoemd, een zwerfhond was, hebben ze hem meegenomen naar hun woning in Nederland.

1.3 Over de dagelijkse verzorging van Z hebben partijen afspraken gemaakt. Vanaf december 2002 is Y met Z diverse gehoorzaamheidscursussen gaan volgen bij de Kynologenclub Culemborg & Omstreken, waarvan de gedragscursussen A en B met goed gevolg zijn afgesloten en gedragscursus C binnenkort met een examen zal worden afgesloten.

1.4 Tijdens een gesprek op 23 juni 2003 heeft Y X gemeld de relatie met haar te willen beëindigen, waarna Y op 24 juni 2003 met al zijn spullen haar woning heeft verlaten. Z is tegelijkertijd met Y meegegaan en verblijft sedertdien bij Y.

1.5 De heer A, dierenarts te Culemborg, heeft op verzoek van Y na onderzoek van Z op 12 november 2003 schriftelijk verklaard dat Z een gezonde hond is. Verder heeft hij verklaard:

“Het lijkt mij niet verstandig dat deze bastaard (jacht)hond elke week van adres verandert. Als het niet gaat tussen mensen en deze besluiten uit elkaar te gaan, dan hoeft in mijn ogen de hond hier niet de dupe van te worden. Zeker bij dit type honden is het onverstandig ze tweewekelijks te verhuizen.”

1.6 Op 11 november 2003 heeft de heer B, gedrags-/ervaringsdeskundige voor honden van hondenschool B te W, Z samen met Y geobserveerd. B verklaart onder meer dat Z zowel fysiek als psychisch in zeer goede conditie verkeert en tevens dat het duidelijk is dat Z zich prettig voelt bij zijn eigenaar/geleider. Voorts verklaart B, voor zover relevant:

“Een hond is niet zomaar een ding in huis maar een levend wezen dat in staat is tot een volledige bestaansbelevenis, (…).

Van de andere kant is het geen kind dat men kan vertellen dat hij vandaag naar zijn vader moet en morgen naar zijn moeder. Een hond kan dit absoluut niet begrijpen.

Vanuit deze wetenschap is het niet verstandig, honden in het algemeen, maar zeker niet deze hond te onderwerpen aan een bezoekregeling waar hij afwisselend, van de ene week naar de andere, als een soort proefkonijn, in twee competatieve relationele sferen terecht komt.”

De vordering

2.1 X vordert primair, samengevat weergegeven, Y te veroordelen om de hond Z binnen twee dagen na het in deze te wijzen vonnis aan haar af te geven, op straffe van een dwangsom. Subsidiair vordert X dat een omgangsregeling wordt vastgesteld zodanig dat Z om de week een week bij haar zal zijn, eveneens op straffe van een dwangsom.

2.2 X legt aan haar primaire vordering ten grondslag dat zij enig eigenaar is van Z en nimmer aan Y toestemming heeft gegeven om Z mee te nemen. Y houdt Z derhalve zonder recht. X kan als eigenaar Z revindiceren. Subsidiair stelt zij dat zij op het moment van het verbreken van de relatie met Y de enige bezitter was van Z, welk bezit zij heeft verloren doordat Y Z zonder toestemming en op heimelijke wijze heeft weggenomen. Op grond van artikel 3:125 lid 1 en lid 2 BW heeft X recht op terugverkrijging van Z. Meer subsidiair, voor zover wordt aangenomen dat beide partijen eigenaar danwel bezitter van Z zijn, stelt X dat Z aan haar toegescheiden dient te worden op grond van het feit dat zij een beter recht heeft op Z dan Y. Zij stelt een beter recht te hebben omdat zij veel meer tijd en geld aan Z heeft besteed dan Y. Daarnaast is Z erg belangrijk voor haar welzijn.

2.3 Voor zover bepaald mocht worden dat Z niet aan X toegescheiden wordt, vordert X subsidiair te bepalen dat een omgangsregeling, zoals onder 2.1 aangegeven, wordt vastgesteld.

3. Y voert hiertegen gemotiveerd verweer, welk verweer, voor zover nodig, in het navolgende zal worden besproken.

De beoordeling van de vordering

4. Het spoedeisend belang vloeit voort uit de onbestreden stellingen en standpunten van X.

5. Vast staat dat X en Y tijdens de vakantie in Frankrijk een volgens hen aan niemand toebehorende hond, genaamd Z, mee naar Nederland hebben genomen. Daarvan uitgaande moet er ten deze van worden uitgegaan dat zij Z - die als een aan niemand toebehorende roerende zaak dient te worden aangemerkt - in bezit hebben genomen en dat zij aldus gezamenlijk op de voet van artikel 5:4 BW de eigendom daarvan hebben verkregen. Z is aan X en Y gezamenlijk gaan toebehoren, en in zoverre is tussen hen sprake van gemeenschap als bedoeld in artikel 3:166 BW. Het bezit komt hen dan eveneens gezamenlijk toe. De enkele registratie op C van Z op naam van één van hen doet hier niet aan af. X en Y hebben hierdoor als deelgenoten ieder een onverdeeld aandeel in Z gekregen. Daaruit volgt dat, behoudens een afwijkende regeling, iedere deelgenoot in beginsel bevoegd is tot het gebruik van Z. Tussen partijen is geen van deze hoofdregel afwijkende regeling tot gebruik van Z tot stand gekomen.

6. De stellingen van X dat zij (enig) rechthebbende op Z is dan wel dat zij het (uitsluitend) bezit van de hond heeft stuiten derhalve reeds op het vorenstaande af. Voor zover haar primaire vordering op deze stellingen is gegrond, dient deze dus te worden afgewezen.

7. Ook het verweer van Y dat X afstand van Z zou hebben gedaan door hem tijdens de verhuizing van Y op 24 juni 2003 op straat te zetten met de woorden “wegwezen jij” kan door betwisting hiervan door X echter niet slagen: óf deze situatie zich heeft voorgedaan vereist nader feitelijk onderzoek waartoe een kort geding procedure zich niet leent.

8. Aan de primaire vordering heeft X tenslotte ten grondslag gelegd de stelling dat zij een beter recht op Z heeft dan Y, en dat daarom Z aan haar dient te worden toegescheiden. Zij voert daartoe aan - samengevat - dat zij in Frankrijk de nodige formaliteiten heeft geregeld om Z mee te kunnen nemen naar Nederland, dat zij het grootste deel van de dagelijkse zorg voor Z op zich heeft genomen, dat zij meer tijd heeft voor Z te zorgen dan Y, dat zij degene was die met Z naar de dierenarts ging, dat Y problematisch drinkgedrag vertoont en dat hij in het algemeen een levensstijl koestert die niet geschikt is om voor dieren te zorgen. Y heeft een en ander gemotiveerd bestreden, en gelet daarop vereisen óók die stellingen nader feitelijk onderzoek waarvoor in kort geding géén plaats is.

9. De voorzieningenrechter is van oordeel dat aannemelijk is dat de bodemrechter, indien tot verdeling als bedoeld in artikel 6:178 BW geroepen, zal oordelen dat goede grond bestaat tot toescheiding van Z aan Y. Daarbij wordt vooropgesteld dat Z zich sedert juni 2003 feitelijk bij Y bevindt en dat Y voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat tussen hem en Z een affectieve relatie bestaat. Volgens de huidige dierenarts van Z, de heer A, verkeert Z bovendien in goede gezondheid, hetgeen wordt bevestigd door gedrags-/ervaringsdeskundige B. De juistheid van die verklaringen is door X niet bestreden, zodat daarvan wordt uitgegaan. Uit de verklaringen van A en B leidt de voorzieningenrechter voorts af dat het in het algemeen niet de voorkeur verdient een hond te vaak van omgeving te doen veranderen, en dat dit temeer geldt in de situatie van twee “competatieve relationele sferen”, waarvan - zo is ter zitting gebleken - hier sprake is. Uit de overgelegde producties blijkt verder - eveneens onbestreden - dat Y en Z twee tot nu toe gevolgde hondencursussen goed hebben doorlopen. Y heeft met deze cursussen in Z geïnvesteerd en zal dat, zoals door hem verklaard, in de toekomst graag blijven doen.

10. Een en ander brengt mee dat ook in zoverre de primaire vordering niet voor toewijzing vatbaar is.

11. Nu voorshands moet worden geoordeeld dat aannemelijk is dat Z door de bodemrechter in het kader van een verdeling aan Y zal worden toegescheiden, bestaat voor een omgangsregeling, zoals subsidiair gevorderd, geen grond. Ten overvloede geldt nog dat uit de verklaringen van A en B blijkt dat een omgangsregeling niet in het belang van Z zal zijn, terwijl voorts de verstandhouding tussen partijen zodanig slecht is dat te voorzien is dat de uitvoering van een omgangsregeling tot grote problemen aanleiding zal geven.

12. Gelet op de relatie die tussen partijen heeft bestaan zullen de kosten van dit kort geding tussen hen worden gecompenseerd.

De beslissing

De voorzieningenrechter, recht doende in kort geding,

1. weigert de gevraagde voorzieningen,

2. compenseert de proceskosten tussen partijen met dien verstande dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. van der Pol en in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.M. Goldhoorn in het openbaar uitgesproken op 8 december 2003.

de griffier de voorzieningenrechter