Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2003:AN9785

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
18-11-2003
Datum publicatie
10-12-2003
Zaaknummer
05/095021-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak; identificaties onvoldoende betrouwbaar om te kunnen bijdragen tot het bewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector strafrecht

Meervoudige Kamer

Parketnummer : 05/095021-03

Datum zitting : 6 mei 2003, 29 juli 2003 en 4 november 2003

Datum uitspraak : 18 november 2003

VERKORT VONNIS

TEGENSPRAAK

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats]

Raadsman: mr. D. Kotterman, advocaat te Arnhem.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 25 januari 2003 te Arnhem op de Steenstraat, in elk geval op de openbare weg, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer1] heeft gedwongen tot de afgifte van een portemonnee met inhoud en/of een mobiele telefoon, in elk geval van geld en/of een of meer goederen, geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde [slachtoffer1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of verdachtes mededader zich naar voormelde [slachtoffer1] hebben/heeft begeven, althans zich tot voormelde [slachtoffer1] hebben/heeft gewend, waarna verdachte die [slachtoffer1] (van achteren) heeft vastgepakt en/of die [slachtoffer1] (vervolgens) meerdere malen, althans eenmaal, met de 'blote' hand en/of met een mes heeft geslagen en/of die [slachtoffer1] (daarbij) dwingend/ dreigend de woorden heeft toegevoegd: "Ik wil geld, geld!" en/of "Ik heb 1500 euro nodig, je moet pinnen!" en/of "Als ik het geld niet krijg, dan vermoord ik je...en de politie zal je niet meer terugvinden!", althans woorden van gelijke dwingende/dreigende aard of strekking, en/of die [slachtoffer1] (vervolgens) - met genoemd mes op de keel - heeft meegevoerd/-getrokken naar een pinautomaat;

(parketnummer 095021/03; incident 3)

2.

hij op of omstreeks 25 januari 2003 te Arnhem ter hoogte van het NS-station Arnhem Velperpoort, in elk geval op de openbare weg, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer2] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, met voormeld oogmerk voornoemde [slachtoffer2] dwingend/dreigend de woorden heeft toegevoegd: "Geef me je geld!", althans woorden van gelijke dwingende/dreigende aard of strekking, en/of die [slachtoffer2] (vervolgens) heeft gestompt of geslagen, terwijl genoemd voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(parketnummer 095021/03; incident 4)

3.

hij op of omstreeks 01 februari 2003 te Arnhem op de [adres], in elk geval op de openbare weg, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer3] en/of [slachtoffer4] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van 10 euro, in elk geval van enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde [slachtoffer3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte voormelde [slachtoffer3] en/of [slachtoffer4] (van achteren) heeft vastgepakt en/of vastgehouden en/of die [slachtoffer3] en/of [slachtoffer4] (daarbij) dwingend/dreigend de woorden heeft toegevoegd: "Jullie gaan mij geld geven, nu!" en/of "Anders kan je een kogel krijgen!" en/of "Meer geld, of moet ik je vriendje neerschieten?!", althans woorden van gelijke dwingende/dreigende aard of strekking;

(parketnummer 095021/03; incident 2)

4.

hij op of omstreeks 01 februari 2003 te Arnhem op de Driekoningenstraat, in elk geval op de openbare weg, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer5] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, met voormeld oogmerk voornoemde (fietsende) [slachtoffer5] tot stoppen heeft gebracht en/of die [slachtoffer5] (vervolgens) de doorgang heeft belet en/of die [slachtoffer5] met de 'blote' hand en/of met een stuk hout heeft geslagen en/of die [slachtoffer5] (daarbij) dwingend/dreigend de woorden heeft toegevoegd: "Iemand gaat mij geld geven!", althans woorden van gelijke dwingende/dreigende aard of strekking, terwijl genoemd voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

(parketnummer 095021/03; incident 1)

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 6 mei 2003, 29 juli 2003 en 4 november 2003 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte versche-nen. Verdachte is aanvankelijk bijgestaan door mr. S.F.W. van ’t Hullenaar en laatstelijk door mr. D. Kotterman, beiden advocaat te Arnhem.

Als benadeelde partij ten aanzien van feit 2 heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd [slachtoffer2], die vordert dat verdachte wordt veroordeeld aan haar te betalen een bedrag van € 253,54 aan schadever-goe-ding.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 t/m 4 tenlastegelegde zal worden veroor-deeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorge-bracht.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat het in beslag genomen mes wordt onttrokken aan het verkeer.

De officier van justitie heeft verder het standpunt ingenomen dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer2] kan worden toegewezen, te weten € 253,54, en dat er een schadever-goedingsmaat-regel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opge-legd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 dagen hechte-nis.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging ge-voerd.

3. De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman heeft zich bij pleidooi afgevraagd, zakelijk weergegeven, of door de werkwijze van de politie bij de na de aanhouding van de verdachte gehouden confrontaties, welke werkwijze naar het oordeel van de raadsman in strijd is met het Besluit toepassing maatregelen in het belang van het onderzoek, geen sprake is van zodanige schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging. De raadsman heeft zich op dit punt uiteindelijk gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de ontvankelijkheid als volgt.

Voor een niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie zou slechts sprake zijn indien het openbaar ministerie doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte tekort is gedaan aan diens recht op een eerlijk proces. Hiervan is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Vanuit een oogpunt van zorgvuldige opsporing en waarheidsvinding valt te betreuren dat de betrokken opsporingsambtenaren om voor de rechtbank volstrekt onduidelijke redenen bij de gehouden confrontaties waarbij de verdachte in persoon was betrokken niet te werk zijn gegaan conform het Besluit maatregelen in het belang van het onderzoek en de inmiddels algemeen aanvaarde en ook aan de politie bekende wetenschappelijke inzichten ten aanzien van de bij confrontaties te volgen werkwijze, welke inzichten ook te kennen zijn uit de toelichting op genoemd Besluit en de daar genoemde literatuur. De rechtbank gaat er echter vanuit dat de betrokken opsporingsambtenaren niet de bedoeling hebben gehad om doelbewust aan de rechten van de verdachte tekort te doen. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie ook te kennen gegeven dat hij, dadelijk nadat hem bekend werd dat de politie overgegaan was tot enkelvoudige confrontaties, waarbij volgens de officier sprake was van een overmaat aan enthousiasme aan de zijde van de politie, de politie heeft opgedragen nog slechts meervoudige confrontaties uit te voeren.

Nu zich ook overigens geen omstandigheid voordoet die tot niet-ontvankelijkheid moet leiden, is de officier van justitie ontvankelijk in zijn vervolging.

4. Bewijsuitsluiting

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van onrechtmatige bewijsverkrijging die tot bewijsuitsluiting moet leiden. Allereerst heeft de raadsman gesteld, zakelijk weergegeven, dat sprake was van een onrechtmatige aanhouding nu ten aanzien van de verdachte op het moment van zijn aanhouding geen redelijk vermoeden van schuld bestond zoals bedoeld in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Daarnaast was er sprake van een aanhouding buiten heterdaad zonder dat daarvoor ingevolge artikel 54 Wetboek van Strafvordering toestemming was gegeven door de officier van justitie. Bovendien, aldus de raadsman, zijn de aanhoudende opsporingsambtenaren binnengetreden in de door de verdachte bewoonde kamer ter aanhouding zonder dat zij in het bezit waren van een machtiging op grond van artikel 2 van de Algemene wet op het binnentreden. Was de verdachte niet aangehouden, zo begrijpt de rechtbank de raadsman, dan zou verdachte ook niet hebben verklaard of met getuigen zijn geconfronteerd.

Voorts zou volgens de raadsman, wederom zakelijk weergegeven, de gang van zaken bij de gehouden confrontaties waarbij de verdachte in persoon was betrokken moeten leiden tot bewijsuitsluiting nu aldus de raadsman is gehandeld in strijd met het Besluit maatregelen in het belang van het onderzoek terwijl bovendien de verdachte geen toestemming had gegeven voor de gehouden enkelvoudige spiegelconfrontaties.

Naar het oordeel van de rechtbank is van een onrechtmatige aanhouding geen sprake. Om ongeveer 05.15 uur heeft de politie telefonisch de melding van de beroving van de heer [slachtoffer4] en mevrouw [slachtoffer3] ontvangen. Deze beroving had plaatsgevonden in de [adres]. Daarbij was een bedrag van 10 euro buitgemaakt. De heer [slachtoffer4] heeft bij zijn telefonische melding een signalement van de dader gegeven. Na ontvangst van de melding werden de verbalisanten op straat aangesproken door de heer [slachtoffer5] die aangaf dat iemand kort daarvoor in de Driekoningenstraat had geprobeerd hem te beroven. Daarbij was niets buit gemaakt. Ook de heer [slachtoffer5] gaf een signalement op. Gelet op het feit dat beide berovingen kort na elkaar en ook niet ver van elkaar hadden plaatsgevonden concludeerden de verbalisanten dat de dader nog in de directe omgeving moest zijn van de plaatsen waar de feiten hadden plaatsgevonden. Naar het oordeel van verbalisant voldeed een persoon die hij ambtshalve kende en wiens adres hij ook weet aan het beschikbare signalement. Deze persoon is verdachte en is woonachtig op het adres [adres]. Verbalisanten hebben zich onmiddellijk naar dat adres begeven. Nadat de verbalisanten door een bewoner van het pand [adres] in het pand waren binnengelaten zagen zij door de geopende deur van de door de verdachte bewoonde kamer de verdachte op een bank zitten met in zijn hand 1 biljet van 10 euro en 2 biljetten van 5 euro.

De verdachte voldeed aan het opgegeven signalement. Naar het oordeel van de rechtbank leveren de voornoemde gegevens feiten en omstandigheden op die konden leiden tot een rechtmatige verdenking.

Nu één beroving en één poging daartoe kort tevoren hadden plaats-gevonden, terwijl aansluitend onafgebroken opsporingshandelingen waren verricht, kan gesproken worden van heterdaad.

De verbalisanten zijn in de kamer van de verdachte door de openstaande deur binnengetreden maar zij hebben hem daar toen niet aangehouden. Zij hebben hem verzocht mee naar buiten te komen. Aan dit verzoek heeft de verdachte voldaan. Vervolgens is hij aangehouden. Van binnentreden ter aanhouding zonder de daartoe vereiste machtiging als bedoeld in artikel 2 Algemene wet op het binnentreden is geen sprake. Het verweer mist feitelijke grondslag.

Anders dan de raadsman heeft gesteld, is ook bij de gehouden spiegelconfrontaties geen sprake van onrechtmatige bewijsverkrijging. Het enkele feit dat de bij deze confrontaties gevolgde werkwijze zich niet in alle opzichten verdraagt met in het Besluit maatregelen in het belang van het onderzoek gegeven regels en met de aan dit besluit ten grondslag liggende inzichten, maakt deze confrontaties niet onrechtmatig. Dit zou anders kunnen zijn indien de betrokken opsporingsambtenaren de bedoeling hadden gehad de resultaten van de confrontaties in voor de verdachte ongunstige zin te beïnvloeden maar daarvan is, zoals hiervoor reeds is aangegeven, niet gebleken. Dan nog zou overigens bewijsuitsluiting geen noodzakelijk gevolg behoeven te zijn.

Het verweer wordt in al zijn onderdelen verworpen.

5. Beslissing inzake het bewijs

De rechtbank heeft niet op grond van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het aan hem onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan en zal hem daarvan vrij spreken.

De raadsman heeft voorts als verweer gevoerd dat, indien zijn beroep op onrechtmatig verkregen bewijs door de rechtbank zou worden verworpen, de resultaten van de gehouden confrontaties, de spiegelconfrontatie met mevrouw De [slachtoffer2] daaronder begrepen, als gevolg van de bij deze confrontaties gevolgde werkwijze onbetrouwbaar zijn en om die reden geen bruikbaar bewijs opleveren.

Ten aanzien van de feiten 1 en 2 komt de rechtbank tot vrijspraak reeds omdat er naar het oordeel van de rechtbank, wat er ook zij van de door de raadsman gewraakte herkenningen, onvoldoende wettig bewijs is om tot een veroordeling te kunnen komen. Bij beide feiten is er telkens slechts één aangifte en één herkenning door de aangever respectievelijk aangeefster.

De rechtbank acht voor haar oordeelsvorming inzake het bewijs met betrekking tot de feiten 3 en 4 de volgende punten van belang:

a. Het betreft een beroving van de heer [slachtoffer4] en mevrouw [slachtoffer3] en een poging tot beroving van de heer [slachtoffer5]. Van een en dezelfde modus operandi was geen sprake. Zo is de heer [slachtoffer5] geslagen met een stuk hout terwijl aangevers [slachtoffer4] en [slachtoffer3] verbaal zijn bedreigd dat er geschoten zou worden waarbij de overvaller zijn hand in een jaszak hield waardoor bij aangevers de indruk ontstond dat hij een vuurwapen in zijn zak had.

Indien de feiten door een en dezelfde dader zouden zijn gepleegd is weliswaar geenszins uitgesloten dat hij daarbij niet op dezelfde wijze te werk ging maar met even veel recht kan een afwijkende modus operandi worden opgevat als een indicatie dat de overvallen het werk zijn van verschillende daders.

b. De vermelding in het op 21 februari 2003 door de politie opgemaakte proces-verbaal dat volgens de geautomatiseerde bestanden van de politie na de aanhouding van de verdachte geen berovingen meer zouden hebben plaatsgevonden in het Spijkerkwartier is door de raadsman weersproken met verwijzing naar publicaties in de pers.

c. De beroving van [slachtoffer4] en [slachtoffer3] zou volgens de aangifte hebben plaatsgevonden tussen 05.00 uur en 05.15 uur. De poging tot beroving van [slachtoffer5] tussen 05.15 uur en 05.30 uur. Op grond van de verklaringen die door de getuige [X] ter terechtzitting van 6 mei 2003 en 29 juli 2003 zijn afgelegd in combinatie met de ten overstaan van de rechter-commissaris afgelegde verklaring van de getuigen [Y] en [Z] acht de rechtbank aannemelijk dat de verdachte op 1 februari 2003 niet eerder dan 05.00 uur maar zeer waarschijnlijk nog iets later door getuige [X] voor zijn woning in de [adres] is afgezet. De verdachte was volgens getuige [X] behoorlijk aangeschoten. Ter terechtzitting van 4 november 2003 heeft de heer [slachtoffer4] als getuige verklaard dat de verdachte een beetje versuft was toen hij, [slachtoffer4], op straat met de verdachte werd geconfronteerd en dit lijkt te passen bij hetgeen [X] omtrent de toestand van de verdachte heeft verklaard.

Ook het feit dat de politie de verdachte wakker maakt nadat zij hem in zijn woning heeft aangetroffen past daarbij. Nadat [X] de verdachte voor zijn huis had afgezet heeft zij hem het poortje bij zijn huis zien inlopen. Hij zou derhalve, nadat hij was afgezet, binnen een tijdsbestek van ten hoogste een kwartier in aangeschoten toestand twee berovingen hebben moeten plegen.

d. Aan de politie is door de heer [slachtoffer4] telefonisch een signalement opgegeven. Hij heeft daarbij onder meer aangegeven dat de verdachte een gouden tand had. Dit laatste gegeven heeft hij, naar ter terechtzitting van 4 november 2003 door hem is verklaard, overigens van mevrouw [slachtoffer3] verkregen evenals de door hem tegenover de politie genoemde gegevens over de haardracht van de dader. Het is een feit van algemene bekendheid dat in het Spijkerkwartier niet weinig Antilliaanse en Surinaamse mannen wonen en komen en dat bij hen een gouden voortand zeker niet uitzonderlijk is. Aan de hand van de foto’s die zijn gebruikt bij de fotoconfrontatie met mevrouw [naam] heeft de rechtbank kunnen constateren dat bij de politie in Arnhem blijkbaar meerdere mannen bekend zijn met een Surinaams of Antilliaans uiterlijk met (zeer) kort haar. Het is ook een feit van algemene bekendheid dat veel mannen uit deze bevolkingsgroepen tegenwoordig hun haar zeer kort dragen.

e. Blijkens het proces-verbaal van aanhouding troffen de verbalisanten de verdachte aan in zijn kamer op de bank en leek hij diep in slaap. Nadat zij aan zijn schouder hadden geschud werd hij wakker. In zijn handen heeft hij 1 biljet van 10 euro en 2 biljetten van 5 euro. Bij de beroving van de heer [slachtoffer4] en mevrouw [slachtoffer3] is een enkel briefje van 10 euro buit gemaakt.

f. Nadat de verdachte was aangehouden heeft de politie de heer [slachtoffer5] en mevrouw [naam] thuis opgehaald en vervolgens in de Steenstraat in elkaars bijzijn met de verdachte geconfronteerd. Dit leidde tot een 100% herkenning. De heer [slachtoffer4] heeft de aangehouden verdachte op straat herkend nadat de politie hem had opgebeld met het verzoek om naar de Driekoningenstraat te komen om een persoon te identificeren. De verdachte zat toen in een politieauto. Mevrouw [slachtoffer3] heeft de verdachte herkend bij een enkelvoudige spiegelconfrontatie nadat zij voordien had vernomen dat de heer [slachtoffer4] de verdachte had herkend.

g. Mevrouw [naam] is met de verdachte geconfronteerd door middel van een meervoudige fotoconfrontatie. Zij heeft na aanvankelijk sterk te hebben geaarzeld of zij wel iemand zou kunnen herkennen twee foto’s aangewezen waaronder een foto van de verdachte.

h. Er is niet gebleken dat de verdachte een bekende was van de aangevers of van een van de anderen die de verdachte als de dader hebben aangewezen.

i. Bij tussenvonnis van 12 augustus 2003 heeft de rechtbank het onderzoek heropend teneinde aangever [slachtoffer4] ter terechtzitting als getuige en professor Wagenaar als getuige-deskundige te horen. Voorafgaand aan de zitting is het door de politie opgemaakt proces-verbaal aan professor Wagenaar toegezonden. Professor Wagenaar heeft bij brief van 23 oktober 2003 de rechtbank geïnformeerd met betrekking tot zijn bevindingen aangaande de in deze zaak gehouden confrontaties.

Bij het verhoor van de getuige [slachtoffer4] ter terechtzitting van 4 november 2003 is professor Wagenaar in de zittingszaal aanwezig geweest.

In zijn brief aan de rechtbank heeft professor Wagenaar na een inleidende uiteenzetting met betrekking tot het verschil tussen een opsporingsconfrontatie en een bewijsconfrontatie zijn oordeel gegeven omtrent de confrontaties waarbij respectievelijk de heer [slachtoffer5], mevrouw [naam], de heer [slachtoffer4] en mevrouw [slachtoffer3] waren betrokken. In alle gevallen had naar zijn oordeel een meervoudige confrontatie dienen plaats te vinden. Waar dit laatste is gebeurd, in het geval van mevrouw [naam], had duidelijk moeten zijn hoe de aan haar getoonde foto’s zijn geselecteerd en of deze selectie heeft plaatsgevonden aan de hand van een door mevrouw [naam] verstrekt signalement, wat haar is verteld toen zij werd uitgenodigd om ten behoeve van de confrontatie op het politiebureau te komen en welke instructie zij heeft gekregen. Hij merkt op dat zij aarzelde bij het maken van haar keuze en twee foto’s heeft aangewezen. In zijn brief concludeert hij uiteindelijk, zakelijk weergegeven, dat de bij al deze confrontaties gehanteerde methoden suggestief zijn en dat daardoor het resultaat van de confrontaties is beïnvloed. Hij heeft in zijn brief tevens aangegeven dat hem uit het dossier wel duidelijk is geworden dat [slachtoffer4] de verdachte op straat heeft geïdentificeerd maar niet welke procedure daarbij is gevolgd.

Ter terechtzitting van 4 november 2003 heeft de getuige-deskundige, nadat getuige [slachtoffer4] had aangegeven hoe de confrontatie met de verdachte op straat had plaatsgevonden, verklaard dat de enige betrouwbare methode van confrontatie ook in het geval van [slachtoffer4] een Osloconfrontatie zou zijn geweest. Hij heeft tevens uiteengezet waarom naar zijn mening het door [slachtoffer4] telefonisch aan de politie opgegeven signalement beïnvloed is door informatie die [slachtoffer4] had verkregen van [slachtoffer3]. Naar zijn mening had de politie van beiden afzonderlijk een signalement moeten opnemen.

Nadat de officier ter terechtzitting heeft aangegeven dat aan mevrouw [naam] de standaardinstructie is gegeven heeft de getuige-deskundige nog verklaard dat daarmee zijn bezwaar tegen het feit dat zij twee foto’s heeft aangewezen niet is weggenomen.

De getuige-deskundige heeft verder verklaard dat uit het dossier niet duidelijk is hoe de politie op de gedachte is gekomen dat de verdachte de dader was. Als de gouden tand, die op 1 februari 2003 deel uitmaakte van het beschikbare signalement, bij de totstandkoming van die gedachte een rol heeft gespeeld acht hij het niet bijzonder dat de politie bij de verdachte is uitgekomen.

De getuige-deskundige heeft voorts verklaard dat ook nu bij de confrontaties naar zijn mening in alle gevallen een onjuiste procedure is gevoerd niettemin de uitkomsten van deze confrontaties juist kunnen zijn maar dat in vrijwel alle hem bekende gevallen waarin sprake was van een persoonsverwisseling en dus een vals positieve herkenning een onjuiste procedure was gevolgd.

j. De rechtbank neemt tot slot in ogenschouw dat de feiten hebben plaatsgevonden tussen zonsondergang en zonsopgang. De beschikbare verlichting was minder dan bij daglicht. Ook is er is sprake van interraciale herkenningen. Dit zijn beide factoren die, naar uit de literatuur bekend is, het risico van een onjuiste herkenning vergroten.

Samengevat komt het er op neer dat de verdachte weliswaar bij de gehouden confrontaties telkens is aangewezen als de dader maar dat de resultaten van deze confrontaties rekening houdend met alle naar het oordeel van de rechtbank relevante omstandigheden en bezien in het licht van hetgeen professor Wagenaar over de confrontaties heeft betoogd en van hetgeen overigens uit de literatuur bekend is over de wijze waarop tot een betrouwbare identificatie kan worden gekomen, onvoldoende betrouwbaar moeten worden geoordeeld om te kunnen bijdragen tot het bewijs van de ten laste gelegde feiten. Daarzonder is er ook onvoldoende bewijs om tot een bewezenverklaring van de feiten 3 en 4 te kunnen komen.

4. De beslissing inzake het beslag

Onder verdachte is het volgende inbeslaggenomen:

- een geldbedrag van € 20,00;

- een mobiele telefoon van het merk Sony;

- een mobiele telefoon van het merk Motorola.

Voorts is een mes inbeslaggenomen.

Het in beslag genomen mes zal worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecon-troleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

Het in beslag genomen geldbedrag en de in beslag genomen telefoons zullen worden teruggegeven aan verdachte.

5. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de

gevor-derde op-legging van de schadevergoedings-maat-regel

De benadeelde partij [slachtoffer2] heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vorde-ring, strekkende tot vergoeding van geleden schade.

De benadeelde partij dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering, nu aan verdachte terzake van het onderliggende feit geen straf of maatregel zal worden opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing zal vinden. Verdachte zal immers, onder meer, van dit feit worden vrijgesproken.

6. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is, behalve op de hiervoor genoemde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 36b en 36c van het Wetboek van Straf-recht.

7. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van de onder 1 t/m 4 ten laste gelegde feiten.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen mes.

Beveelt de teruggave van het in beslag genomen geldbedrag van € 20,00 en de in beslag genomen mobiele telefoons, 1 van het merk Sony en 1 van het merk Motorola, de rechthebbende, te weten [verdachte].

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer2] (feit 2).

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

Aldus gewezen door:

mr. A. van Waarden, als voorzitter,

mr. A.Th.M. Vrijhoeven, rechter,

mr. M. Keppels, rechter,

in tegenwoordigheid van M.H.J. Materman, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 november 2003.

Mr. Keppels voornoemd is buitenstaat dit vonnis mede te ondertekenen.