Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2003:AN9691

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
19-11-2003
Datum publicatie
09-12-2003
Zaaknummer
105058 / KG ZA 03-672
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht; nastreven van ontslag rechtvaardigt niet zonder meer een op nonactiefstelling. Die is er slechts als er zwaarwegende bezwaren zijn tegen tewerkstelling van de werknemer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 105058 / KG ZA 03-672

Datum vonnis: 19 november 2003

Vonnis

in kort geding

in de zaak van

X,

wonende te Z

eiser in conventie bij dagvaarding van 15 oktober 2003,

verweerder in reconventie,

hierna te noemen: X,

procureur mr. W.H.B.K. Brunet de Rochebrune,

advocaat mr. G.W.J.M. van Mierlo,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AUTOBEDRIJF VISSCHER CULEMBORG B.V.,

gevestigd te Culemborg,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

hierna te noemen: Visscher,

procureur mr. J.L.J.J. Nelissen.

Het verloop van de procedure

X heeft Visscher ter terechtzitting in kort geding doen dagvaarden en gevorderd zoals is weergegeven in de dagvaarding. Visscher heeft geconcludeerd tot weigering van de gevorderde voorzieningen en tevens een eis in reconventie ingesteld zoals is weergegeven in de akte houdende conclusie van eis in reconventie. X heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering in reconventie. De advocaten van de partijen hebben de zaak bepleit overeenkomstig de door hen overgelegde pleitnotities. Zij hebben daarbij producties in het geding gebracht. Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

De vaststaande feiten

1. X, automonteur, is sinds 1 april 2002 in dienst van Visscher. Visscher is Peugeot-dealer.

2. Naar aanleiding van een gesprek tussen de heer G, als bestuurder van Visscher, en X, heeft de heer G voornoemd X een brief d.d. 30 september 2003 doen toekomen, ter ondertekening door X voor akkoord. In die brief heeft de heer G onder andere geschreven:

“Naar aanleiding van ons gesprek van d.d. 30 september 2003 (…) inzake de onderhoudsbeurt uitgevoerd aan de auto met het kenteken 92-JP-DL, hebben wij het volgende geconstateerd en/of besproken.

De onderhoudsbeurt is niet volledig en conform de richtlijnen van Peugeot uitgevoerd. Dit heeft geleid tot acties van de klant welke tot verstrekkende gevolgen voor de betrouwbaarheid en de continuïteit van ons bedrijf kunnen leiden. Hierdoor is het vertrouwen dat ik in jouw persoon heb dusdanig geschaad dat ik het volgende met je overeen gekomen ben.

Jouw dienstverband bij ons bedrijf zal op uiterlijk 30 december 2003 met wederzijds goedvinden eindigen. Tot deze datum zullen we uiteraard respectvol met je omgaan en alle verplichtingen welke we met je aangegaan zijn nakomen. Van jouw verwachten we dat je tot deze datum alle werkzaamheden naar behoren en conform de voorschriften van Peugeot zult uitvoeren.”

X heeft deze brief niet voor akkoord ondertekend.

3. Bij brief d.d. 7 oktober 2003 van voornoemde heer G aan X is X door Visscher per direct met behoud van loon op non-actief gesteld en heeft Visscher aangekondigd dat zij aanstuurt op beëindiging van het dienstverband met X. In de brief van 7 oktober 2003 staat onder andere:

“Zojuist heb ik met u een persoonlijk onderhoud gehad. Ik heb toen met u stilgestaan bij hetgeen wat zich vorige week zoal heeft voorgedaan. Toen heeft de heer H van Autorijschool Accent te Utrecht zich bij ons beklaagd over een door ons uitgevoerde onderhoudsbeurt aan de auto. De heer H stelde dat een aantal werkzaamheden niet waren uitgevoerd, terwijl deze wel door ons waren gefactureerd. Omdat u de onderhoudsbeurt had uitgevoerd, hebben wij u op maandag 29 september jl. gevraagd of de heer H zich wellicht terecht beklaagde. U heeft daarop ontkennend geantwoord; u stelde alle door u opgegeven werkzaamheden uitgevoerd te hebben. Vervolgens heeft B (de chef werkplaats) tezamen met J en S de auto gecontroleerd. Zij hebben vastgesteld dat de klacht van de heer H gegrond was; er waren een groot aantal werkzaamheden niet verricht. U bleek gelogen te hebben.

Op woensdag 1 oktober jl. heb ik u op een en ander aangesproken en u kenbaar gemaakt dat ons bedrijf in diskrediet is gebracht. Daarnaast heb ik u voorgehouden dat met name uw leugens ons tot de conclusie hadden gebracht dat de vertouwensbasis aan de arbeidsrelatie was komen te vervallen. Ik heb u toen het voorstel gedaan om op een nette manier uit elkaar te gaan. U zou gaan solliciteren en over drie maanden zou de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden eindigen. U stemde daarmee in. Vervolgens heb ik deze afspraken op schrift gesteld en u op 3 oktober jl. gevraagd deze te ondertekenen. U weigerde echter. U stelde naar eer en geweten te hebben gehandeld en niet te willen tekenen. Wij moesten de zaak maar voorleggen aan de kantonrechter. Op 6 oktober jl. heb ik uw houding in het directieoverleg besproken. Wij zijn tot de conclusie gekomen dat de opstelling die u op vrijdag 3 oktober jl. heeft geëtaleerd een hernieuwde bevestiging is van het feit dat wij u niet kunnen vertrouwen.”

4. Bij verzoekschrift van 17 oktober 2003 aan de sector kanton van deze rechtbank, locatie Tiel, heeft Visscher ontbinding van de arbeidsovereenkomst met X gevorderd. In het verzoekschrift heeft Visscher onder andere vermeld:

“De wijze waarop X de goede naam en faam van Visscher in diskrediet heeft gebracht, vormt voor Visscher reden het onderhavige verzoekschrift in te dienen. Visscher is namelijk van oordeel dat het door X gepleegde bedrog en de hardnekkige leugens die hij daaromtrent verkondigd heeft onacceptabel zijn. Zij dienen er toe te leiden dat de dienstbetrekking met X onverwijld beëindigd wordt.”

De vordering

In conventie

1. X vordert kort weergegeven veroordeling van Visscher om X in staat te stellen zijn werkzaamheden als monteur te hervatten bij Visscher totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd, op straffe van verbeurte van een dwangsom, en met veroordeling van Visscher in de proceskosten.

2. X legt aan het gevorderde ten grondslag dat hij ten onrechte op non-actief is gesteld. X stelt daartoe dat de werkzaamheden waarvan in de hiervóór vermelde brieven wordt gesteld dat hij die niet heeft verricht, wél door hem zijn uitgevoerd. X ontkent in dit verband dat hij heeft gelogen. Hij ontkent ook dat hij heeft ingestemd met de door Visscher voorgestelde beëindiging van de arbeidsovereenkomst. X vindt daarom dat hij ook op dat punt niet heeft gelogen. Volgens X is er geen enkele grond voor een zo zwaarwegend middel als zijn op non-actiefstelling. Daarbij heeft X aangegeven dat hij nog steeds goed kan opschieten met zijn collega’s en dat hij graag weer voor Visscher wil werken. X stelt een spoedeisend belang bij wedertewerkstelling te hebben, vooral omdat continuering van de op non-actiefstelling hem op achterstand brengt in de door Visscher opgestarte procedure tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

3. Visscher voert gemotiveerd verweer tegen het gevorderde, waarop hierna voor zover nodig zal worden ingegaan.

In reconventie

4. Visscher vordert kort weergegeven veroordeling van X tot betaling aan Visscher, bij wijze van voorschot, van een bedrag groot € 2.073,00, althans een door de voorzieningenrechter vast te stellen bedrag, met veroordeling van X in de kosten van deze procedure.

5. Voor het gevorderde voert Visscher aan dat X schadeplichtig is jegens Visscher zoals bedoeld in artikel 7:677 BW.

6. X voert gemotiveerd verweer tegen het gevorderde, waarop hierna voor zover nodig zal worden ingegaan.

De motivering van de beslissing

In conventie

1. Voorop staat dat het nastreven van het ontslag van X, wat de kennelijke bedoeling van Visscher is, niet zonder meer een op non-actiefstelling rechtvaardigt. Die rechtvaardiging is er slechts als Visscher voldoende zwaarwegende bezwaren tegen tewerkstelling van X heeft. In de brief van 7 oktober 2003 heeft Visscher als reden voor de op non-actiefstelling opgegeven dat de vertrouwensbasis onder de relatie met X is weggevallen, vooral omdat X niet wil toegeven dat hij door bepaalde werkzaamheden niet (correct) uitgevoerd te hebben het bedrijf van Visscher in diskrediet heeft gebracht.

2. De standpunten van partijen over de uitvoering door X van de bedoelde werkzaamheden, evenals die met betrekking tot een ander door Visscher aangevoerd incident waarbij X volgens Visscher werkzaamheden niet (correct) heeft verricht, staan lijnrecht tegenover elkaar. Naar deze incidenten zal nader onderzoek gedaan moeten worden, bijvoorbeeld in de door Visscher aanhangig gemaakte procedure tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Het beperkte kader van het kort geding biedt voor dat onderzoek geen ruimte. Gelet op de zijdens Visscher overgelegde verklaringen met betrekking tot het incident als bedoeld in de brief van 7 oktober 2003 is het evenwel niet uitgesloten dat Xs aandeel in het incident dat heeft geleid tot de vertrouwensbreuk, althans aan de zijde van Visscher, een rechtvaardiging is voor de op non-actiefstelling. Voor de voorzieningenrechter is dit reden om de op non-actiefstelling niet te schorsen. Daarbij heeft het navolgende meegewogen. Voorshands bezien heeft Visscher zorgvuldig gehandeld. Niet alleen heeft zij X de gelegenheid gegeven om zijn kant van het verhaal te doen nadat de heer H zijn ongenoegen over de onderhoudsbeurt van de auto kenbaar had gemaakt, Visscher heeft X ook de mogelijkheid geboden om aanwezig te zijn bij de controle door de heren B, J en S van de verrichte werkzaamheden aan de auto, van welke mogelijkheid X geen gebruik heeft gemaakt. Een garagebedrijf moet, niet in de laatste plaats voor de veiligheid van de auto, ervan op aan kunnen dat een monteur een onderhoudsbeurt correct uitvoert omdat het niet iedere handeling van de monteur kan controleren. Om die reden moet Visscher vertrouwen kunnen hebben in haar monteurs. Thans heeft Visscher dat vertrouwen in X niet. Vooralsnog lijkt dat niet onredelijk.

3. Als de in deze procedure in het ongelijk gestelde partij zal X in de kosten van deze procedure worden veroordeeld.

In reconventie

4. In het midden kan worden gelaten of X jegens Visscher schadeplichtig is zoals bedoeld in artikel 7:677 BW nu Visscher niet, althans onvoldoende haar spoedeisend belang bij toewijzing van een voorschot op schadevergoeding heeft onderbouwd en het ook op zich zelf niet al duidelijk is dat Visscher om dringende financiële reden belang heeft bij een spoedige betaling van het gevorderde voorschot. De vordering zal daarom worden afgewezen.

5. Als de in het ongelijk gestelde partij zal Visscher worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. In verband met de nauwe samenhang tussen het in reconventie en in conventie gevorderde, zal het salaris van de procureur van X in reconventie worden begroot op nihil.

De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

1. weigert de gevorderde voorzieningen;

2. veroordeelt X in de kosten van de deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Visscher bepaald op € 205,00 voor griffierecht en op € 703,00 voor salaris procureur;

in reconventie

3. weigert de gevorderde voorzieningen;

4. veroordeelt Visscher in de kosten van deze procedure;

5. begroot het salaris procureur van X in deze procedure op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.L. Drabbe en in tegenwoordigheid van de griffier, mr. M.J. Daggenvoorde in het openbaar uitgesproken op 19 november 2003.