Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2003:AN9007

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
12-11-2003
Datum publicatie
27-11-2003
Zaaknummer
104163 / KG ZA 03-624
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Tekortkoming in de nakoming koopovereenkomst; art. 6:265, 6:268, 3:311 BW. DNA-onderzoeksrapport maakt aannemelijk dat het geleverde paard een ander is dan het gekochte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 104163 / KG ZA 03-624

Datum vonnis: 17 oktober 2003

Vonnis

in kort geding

in de zaak van

X,

wonende te S,

eiseres bij dagvaarding van 19 september 2003,

procureur mr. W.D. Huizinga,

advocaat: mr. S.A. Wensing te Peize,

tegen

Y,

wonende te T,

gedaagde,

gemachtigde: mr. A. Y te Lunteren.

Het verloop van de procedure

Eiseres (hierna aangeduid als X) heeft gedaagde (hierna aangeduid als Y) ter zitting in kort geding doen dagvaarden en gevorderd als weergegeven in de dagvaarding.

De advocaat van X en de gemachtigde van Y hebben de zaak bepleit, eerstgenoemde overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnotities.

Daarbij hebben zij producties in het geding gebracht.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De vaststaande feiten

1. Y heeft in februari 2002 een paard, een schimmelmerrie met de naam A, geboren op 13 juli 1994 en afstammeling van de hengst B, verkocht aan X. X had dit paard daarvoor een periode “op proef gehad”. Na aflevering van het paard heeft Y de stamboekpapieren aan X overhandigd. Voorafgaand aan de (ver)koop is een aankoopkeuring verricht. Het keuringsrapport vermeldt zowel een chipnummer als het stamboeknummer van de merrie.

2. Y had het paard op 1 juli 2001 gekocht bij een paardenhandelaar, van Ommeren. Het keuringsrapport dat bij die aankoop is opgemaakt, vermeldt geen stamboeknummer of chipnummer.

3. X heeft Y bij de koop aangegeven dat het de bedoeling was dat haar dochter het paard zou gaan berijden.

Na enige tijd ondervond X problemen met het paard. Zij heeft in april 2003 zonder succes getracht het paard te verkopen. Aansluitend heeft X bij het C Laboratorium te Wageningen een DNA-onderzoek op het paard laten verrichten. Op 7 mei 2003 is een DNA-rapport opgesteld.

4. Medio 2003 heeft X telefonisch contact opgenomen met Y en bij brief van 4 september 2003 heeft X de koopovereenkomst met Y buitengerechtelijk ontbonden op grond van non-conformiteit, subsidiair vernietigd op grond van dwaling. Y heeft zich daartegen verweerd.

Het geschil

5. X vordert, samengevat, om Y:

1. te veroordelen om binnen zeven dagen na dit vonnis het paard D terug te nemen,

2. te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 2.500,-- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat Y in gebreke blijft aan de vordering te voldoen, met een maximum van € 50.000,-,

3. te veroordelen om aan X de koopsom terug te betalen,

4. te veroordelen tot betaling van een voorschot in de kosten van X, van € 6.300,-,

5. te veroordelen in de kosten van het geding,

en subsidiair: een voorziening te treffen zoals de voorzieningenrechter toewijsbaar oordeelt.

6. Y heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vorderingen van X.

De beoordeling

7. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat Y tekort is gekomen in de nakoming van de koopovereenkomst met X. Art. 6:265 van het Burgerlijk wetboek (BW) bepaalt, samengevat, dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een verbintenis de andere partij in beginsel de bevoegdheid geeft de overeenkomst te ontbinden, tenzij die tekortkoming gezien haar aard of betekenis, de ontbinding niet rechtvaardigt.

8. X heeft, onder meer door overlegging van een DNA-onderzoeksrapport, aannemelijk gemaakt dat het paard dat zij van Y geleverd heeft gekregen, een ander paard was dan zij blijkens de door Y bij de verkoop aan haar verstrekte stamboekpapieren had gekocht. De aan X overhandigde stamboekpapieren vermelden het stamboeknummer 94.12115, als behorend bij A. Het DNA-rapport vermeldt het stamboeknummer 91.24.63, dat aan het paard D toebehoort. D is een op 30 maart 1991 geboren schimmel en afstammeling van E.

9. Y heeft niet betwist dat zij niet het paard A, maar het drie jaar oudere paard D aan X heeft geleverd. Wel heeft zij gesteld bij de verkoop te goeder trouw te zijn geweest. Aangezien het voor een geslaagd beroep op ontbinding niet noodzakelijk is dat de tekortkoming toerekenbaar is, is niet relevant of Y er zelf kennis van droeg dat zij X (mogelijk) een ander paard verkocht.

Ook acht de voorzieningenrechter niet relevant dat de schimmel bij de aankoop was goedgekeurd en dat Y, of derden – zoals volgt uit één van de twee ter zitting voorgelezen verklaringen – zelf niet eerder problemen met het paard hebben ondervonden. Dit laat immers onverlet dat X een ander paard geleverd heeft gekregen dan zij veronderstelde te hebben gekocht.

10. Voldoende aannemelijk is dat nakoming aan de zijde van Y – te weten levering van het juiste paard – niet mogelijk was, zodat X bevoegd was om zonder voorafgaande ingebrekestelling te ontbinden.

11. X heeft de ontbinding, conform art. 6:268 jo. 3:311 BW tijdig ingeroepen. Ook het spoedeisend belang van X staat voldoende vast, nu zij, onweersproken, heeft gesteld dat zij maandelijks € 400,-- aan kosten voor het paard voldoet, de merrie gevaarlijk is voor haar omgeving en emotioneel belastend voor X en haar familie.

12. Y heeft betwist dat de koopsom € 5.000,- bedroeg. Zij stelt het paard op internet te hebben aangeboden voor fl. 6.750,-- en uiteindelijk te hebben verkocht aan X voor fl. 5.000,-. X heeft niet aannemelijk kunnen maken (bijvoorbeeld aan de hand van een uitdraai van de advertentie dan wel het aankoopbewijs) dat zij € 5.000,-- heeft betaald. De voorzieningenrechter zal bij zijn (voorlopige) beoordeling dus uitgaan van het door Y aangegeven bedrag.

13. Het door X gevorderde voorschot in verband met kosten voor onderhoud van het paard zal gematigd worden. De voorzieningenrechter zal een bedrag van € 3.000,-- toewijzen, voor (6 maanden) stalling, dierenarts- en hoefsmitnota’s. Daarbij wordt rekening gehouden met het feit dat X, zeker gedurende de eerste maanden na de aankoop, (rij)genot van het paard heeft gehad.

14. Ten aanzien van de vorderingen die zullen worden toegewezen, zullen de gevorderde dwangsommen, alsmede het totaal, aan een maximum worden verbonden.

15. Als de in het ongelijk gestelde partij zal gedaagde in de kosten van dit kort geding worden verwezen.

De beslissing

De voorzieningenrechter

1. veroordeelt Y om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis het paard (merrie) D, geboren op 30 maart 19991, terug te nemen,

2. veroordeelt Y om ingeval zij na betekening van dit vonnis in gebreke mocht blijven aan de vordering onder 1. te voldoen, aan X een dwangsom van € 250,- te betalen voor iedere dag of een gedeelte daarvan, echter tot een maximum van € 5.000,--,

3. veroordeelt Y om aan X, als voorschot op terugbetaling van de koopsom een bedrag van € 2.268,90 (fl. 5.000,--) te betalen,

4. veroordeelt Y om aan X een voorschot op de door haar gemaakte kosten te betalen van € 3.000,--,

5. veroordeelt Y in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van X begroot op € 703,-- voor salaris, € 245,-- voor verschotten en € 81,16 voor exploot dagvaarding,

6. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

7. weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. AE. Uniken Venema en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. E. de Boer op 17 oktober 2003.

De griffier De rechter