Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2003:AN7876

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
06-10-2003
Datum publicatie
24-11-2003
Zaaknummer
02/335 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheid tot het instellen van bezwaar of beroep door College vanB&W namens de gemeente tegen WAO-besluit ten aanzien van werknemer.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Algemene wet bestuursrecht 10:19
Gemeentewet
Gemeentewet 156
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2004/37
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector bestuursrecht

Reg.nr.: 02/335 WAO

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

de Gemeente Overbetuwe, gevestigd te Elst (Gld), eiseres,

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 9 januari 2002.

2. Procesverloop

De heer X (hierna : X) was werkzaam bij de gemeente Overbetuwe toen hij wegens ziekte uitviel. Na de wachttijd van 52 weken heeft X een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) aangevraagd per 3 oktober 2001.

Bij besluit van 5 oktober 2001 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.

Tegen dit besluit heeft het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Overbetuwe (hierna: het college) bij brief van 9 november 2001 bezwaar gemaakt, waarna de gronden van het bezwaar zijn aangevuld bij brief van 18 december 2001.

Bij het onder 1 aangeduide besluit heeft verweerder het college, onder toepassing van artikel 7:3 van de Awb, kennelijk niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar.

Het hiertegen ingestelde beroep is behandeld tijdens de zitting van de rechtbank van 17 september 2003. Namens eiseres is mr. M. Wasser verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door de heer H.A.L. Knoben, werkzaam bij Uwv USZO te Heerlen.

3. Overwegingen

In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

Aan het bestreden besluit ligt het volgende ten grondslag. Verweerder is van mening dat het college geen zelfstandig recht heeft tot het maken van bezwaar tegen het voornoemde besluit van 5 oktober 2001 omdat het college geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2 van de Awb; het besluit van 5 oktober 2001 raakt niet een aan het college toevertrouwd belang, zoals is neergelegd in artikel 1:2, tweede lid, van de Awb. Verweerder geeft aan geen reden te zien om te toetsen of het college bij het indienen van het bezwaar heeft gehandeld volgens het bepaalde in artikel 164 van de Gemeentewet, dan wel of er sprake is van delegatie van bevoegdheden, aangezien ook ingeval één van die situaties zich voordoet het college duidelijk had moeten kenbaar maken dat hij (bij het instellen van bezwaar – de rechtbank) handelde door of namens de gemeente. Gezien de redactie van het ingediende bezwaarschrift en het in geding gebrachte delegatiebesluit van 2 januari 2001 meet het college zich volgens verweerder ten onrechte een zelfstandig recht aan om bezwaar te maken.

De rechtbank overweegt het volgende. Opgemerkt wordt dat de bepalingen die de rechtbank in de overwegingen zal noemen, de bepalingen zijn zoals deze golden ten tijde in geding.

De rechtbank stelt in de eerste plaats, gelet op de motivering van het bestreden besluit, vast dat verweerder zich niet op het standpunt stelt dat een werkgever niet als belanghebbende bij een WAO-besluit ten aanzien van een werknemer kan worden beschouwd bij gebreke van een rechtstreeks belang. De rechtbank gaat – mede gelet op de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep – eveneens uit van het aanmerken van de werkgever als belanghebbende in vorenomschreven zin. Tussen partijen is niet in geschil dat de gemeente de werkgever van X is. Dit is ook een juist uitgangspunt.

Gelet op artikel 147, tweede lid, Gemeentewet in samenhang bezien met artikel 108 Gemeentewet komt aan de gemeenteraad de bevoegdheid toe tot het instellen van bezwaar en beroep, onder meer ten aanzien van besluiten als het besluit van 5 oktober 2001.

Op grond van artikel 156 van de Gemeentewet kan de gemeenteraad bevoegdheden van de gemeenteraad overdragen aan – onder meer – het college. Dit geldt ook voor de bevoegdheid om bezwaar of beroep aan te tekenen. In dit geval heeft de gemeenteraad door middel van het raadsbesluit van 2 januari 2001 de bevoegdheid tot het instellen van bezwaar en beroep overgedragen aan het college. In het voorstel delegatiebesluit, dat door de gemeenteraad is geaccordeerd op 2 januari 2001, is onder meer het volgende neergelegd:

Door de gemeenteraad Overbetuwe aan het college van burgemeester en wethouders overgedragen bevoegdheden (artikel 108, 147,2e lid Gemeentewet en titel 10.1 Algemene wet bestuursrecht)

Nr.

(…)

6 Bevoegdheid tot het voeren van en tot het nemen van de daarbijbehorende beslissingen ter voorbereiding, ter voorkoming of ter beëindiging van strafrechtelijke, civielrechtelijke en bestuursrechtelijke procedures en het instellen van alle rechtsmiddelen in alle instanties zowel eisend als verwerend.

Door overdracht van de bevoegdheden als neergelegd in het delegatiebesluit is het college bevoegd om bezwaar of beroep aan te tekenen, ook tegen een besluit als het besluit van 2 oktober 2001. Dit houdt uiteraard niet in dat het college daarmee ook belanghebbende bij het besluit van 2 oktober 2001 is geworden. Het gaat immers uitsluitend om de bevoegdheid tot het instellen van bezwaar en beroep tegen een dergelijk besluit. Deze bevoegdheid houdt ook in dat het college het orgaan is dat het besluit neemt om bezwaar in te dienen. De rechtbank wijst hierop, omdat verweerder zich op het standpunt lijkt te stellen dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen het nemen van het besluit tot het indienen van bezwaar en het daadwerkelijk indienen van bezwaar. Voor het maken van een dergelijk onderscheid vindt de rechtbank geen steun in het delegatiebesluit. Een dergelijke uitleg zou ook inhouden dat het college eerst een besluit (van de gemeenteraad) zou moeten afwachten voordat hij tot het indienen van bezwaar kan overgaan. Dit komt de rechtbank niet erg logisch en werkbaar voor.

De rechtbank haakt voor haar verdere redenering aan bij een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 27 maart 2003 (RSV 2003/146) en de daaraan ten grondslag liggende uitspraak van 17 juni 1999 van de rechtbank Rotterdam. Weliswaar ging het in die uitspraken niet om een volledig vergelijkbare zaak - het ging in die zaken immers om bezwaar en beroep tegen een besluit tot navordering van premies - maar deze uitspraken bieden zeker aanknopingspunten voor de voorliggende zaak.

De rechtbank Rotterdam heeft in haar uitspaak (onder meer) het volgende overwogen. De gemeente werd als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb aangemerkt. Daarom kwam op grond van artikel 147, tweede lid, van de Gemeentewet aan de gemeenteraad het recht toe beroep in te stellen. In die zaak was er (nog) geen sprake van delegatie van deze bevoegdheid (op grond van artikel 156 van de Gemeentewet) aan het college van B & W. Het college van B & W had echter wel bezwaar ingediend tegen het primaire (premie)besluit, welk bezwaar inhoudelijk is beoordeeld. Uit het feitenoverzicht opgenomen in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 27 maart 2003 blijkt dat het bestuursorgaan (de Raad van Bestuur van het Uwv) had aangenomen dat het bezwaar namens de gemeente was ingediend en het besluit op bezwaar op naam van de gemeente heeft gesteld. Het beroep bij de rechtbank was ingediend namens de burgemeester. Uit de gedingstukken bleek niet dat aan het instellen van beroep een besluit van de gemeenteraad ten grondslag lag. De rechtbank overwoog tegen de achtergrond van deze gegevens dat de gemeente niet rechtsgeldig beroep had ingesteld tegen het besluit op bezwaar, omdat er geen besluit van de gemeenteraad aan ten grondslag lag; om die reden verklaarde de rechtbank de gemeente niet-ontvankelijk in het beroep. Ook als moest worden aangenomen dat het beroep door de burgemeester was ingesteld, zag de rechtbank geen reden anders te oordelen aangezien de burgemeester niet als belanghebbende bij het besluit op bezwaar kon worden aangemerkt; gesteld noch gebleken was dat de burgemeester door het besluit in de aan hem in zijn hoedanigheid van burgemeester toevertrouwde belangen was getroffen.

De Centrale Raad van Beroep heeft in zijn uitspraak van 27 maart 2003 (onder meer) overwogen dat de rechtbank terecht haar uitspraak op naam van de gemeente had gesteld, ook al was dat beroep door het college van B&W ingediend. De Raad heeft het college van B&W vervolgens echter gelet op artikel 18 van de Beroepswet niet ontvangen in het hoger beroep omdat er geen sprake was van een aan dat college toevertrouwd belang; er is geen wettelijk voorschrift aan te wijzen op grond waarbij aan het college taken zijn opgedragen met betrekking tot de afdracht van premies.

Gelet op deze uitspraken ziet de rechtbank in het onderhavige geding aanleiding de gemeente Overbetuwe als procespartij aan te merken. Verder ziet de rechtbank in ieder geval in de uitspraak van de rechtbank Rotterdam aanleiding aan te nemen dat verweerder in de onderhavige zaak voldoende aanknopingspunten had om bij de beoordeling van het ingediende bezwaar de gemeente als procespartij aan te merken en er vanuit te gaan dat het college namens de gemeente de bezwaren had ingediend. Daartoe weegt de rechtbank dat verweerder aan het college in een brief van 2 november 2001 heeft verzocht om nadere informatie waarin onder meer het volgende staat verwoord:

Gezien de redactie van het bezwaarschrift gaat het Lisv er vanuit dat het College van Burgemeester en Wethouders zich beschouwt als belanghebbende die zelfstandig bevoegd is bezwaar aan te tekenen. Wij beschouwen het College van Burgemeester en Wethouders derhalve als de indiener van het bezwaarschrift. Wij laten echter de mogelijkheid open dat er een vergissing of verschrijving in het spel is. Indien de gemeente bezwaar maakt dan stellen wij u in de gelegenheid dit alsnog aan ons kenbaar te maken.

Wij verzoeken u om binnen vier weken na dagtekening van deze brief aan ons kenbaar te maken welk orgaan bezwaar maakt. Als wij binnen de gestelde termijn geen reactie van u hebben ontvangen of indien u van oordeel bent dat het College van Burgemeester en Wethouders als belanghebbende dient te worden aangemerkt, dan zullen wij dienovereenkomstig een beslissing nemen. Dat houdt in dat wij het bezwaar niet-ontvankelijk zullen verklaren.

Indien de gemeente bezwaar maakt, dan verzoeken wij u eveneens binnen de gestelde termijn:

(…)

b)

indien gebruik is gemaakt van de mogelijkheid om de bevoegdheid om te beslissen over het instellen van beroep of het maken van bezwaar te delegeren aan het College van Burgemeester en Wethouders, overeenkomstig artikel 10:19 van de Algemene wet bestuursrecht het delegatiebesluit en de vindplaats te vermelden.

Het college heeft in reactie op dit verzoek gereageerd in een brief van 18 december 2001. In die brief heeft het college aangegeven:

Naar aanleiding van uw brief van 23 november jongstleden delen wij u het volgende mede:

De gemeenteraad van Overbetuwe heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de bevoegdheid om te beslissen over het instellen van een beroep of het maken van bezwaar te delegeren aan het college van burgemeester en wethouders, overeenkomstig artikel 10:19 van de algemene wet bestuursrecht.

Voor de volledigheid is een afschrift van het delegatiebesluit (…) bijgevoegd.

Met deze door het college gegeven informatie was het voor verweerder duidelijk dat het college bevoegd was om (te besluiten om) bezwaar tegen het primaire besluit in te dienen. Verweerder kon er dan ook vanuit gaan dat het college namens de gemeente de bezwaren had ingediend. Het is onder die omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank aangewezen het besluit op bezwaar op naam van de gemeente te stellen en tot een inhoudelijke beoordeling van het bezwaar over te gaan.

De rechtbank ziet dan ook aanleiding het beroep gericht tegen de niet-ontvankelijkheidsverklaring gegrond te achten en te bepalen dat verweerder een nieuw, inhoudelijk, besluit neemt.

De rechtbank realiseert zich dat door verschillende lagere rechters uitspraken zijn gedaan die niet in overeenstemming zijn met elkaar. Het is nu aan partijen te overwegen hoger beroep in te stellen tegen deze uitspraak, mede om definitief duidelijkheid te krijgen op dit punt. Het is de rechtbank namelijk uit het verhandelde op de zitting gebleken dat verweerder tegen de diverse uitspraken van lagere rechters op één uitzondering na (namelijk tegen een uitspraak van de rechtbank Zutphen) geen hoger beroep heeft ingesteld.

Gezien het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn er geen voor vergoeding in aanmerking te nemen door eiseres gemaakte proceskosten. Er zijn daarom geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuw besluit neemt op het bezwaar ;

- bepaalt voorts dat het Uwv aan eiseres het betaalde griffierecht ad

€ 218,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. A.J. Schaap, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2003, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Vermeulen als griffier.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 15 oktober 2003

Coll: