Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2003:AN7209

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
24-10-2003
Datum publicatie
04-11-2003
Zaaknummer
AWB 03/2021 (hoofdzaak) en AWB 03/2022 (voorlopige voorziening)
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

aanhoudingsplicht ex artikel 52 Woningwet; werkingssfeer Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer; van rechtswege vervallen Hinderwetvergunning.

Niet de feitelijke maar de vergunde situatie is doorslaggevend voor het antwoord op de vraag of een verleende Hinderwetvergunning van rechtswege is komen te vervallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector bestuursrecht

Registratienummers: AWB 03/2021 (hoofdzaak) en AWB 03/2022 (voorlopige voorziening)

Uitspraak

van de voorzieningenrechter ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[verzoeker]

allen wonende te Deil, vertegenwoordigd door ir. A.K.M. van Hoof, te Wageningen,

verzoekers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Geldermalsen,

verweerder,

alsmede

[partij],

te Deil, vertegenwoordigd door mr. D.A.J.M. Melchers, advocaat te Arnhem,

partij ex artikel 8:26 van de Awb.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 12 augustus 2003.

2. Procesverloop

Bij besluit van 17 april 2003 heeft verweerder aan [partij]hierna: vergunninghouder) bouwvergunning verleend voor het veranderen/vergroten van een schuur aan de Bulkstraat 47 te Deil.

Bij het in rubriek 1 genoemde besluit heeft verweerder het daartegen gemaakte bezwaar van verzoekers ongegrond verklaard.

Hiertegen hebben verzoekers bij brief van 9 september 2003 beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij brief van gelijke datum hebben verzoekers de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende schorsing van het bestreden besluit.

Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is behandeld ter zitting van 21 oktober 2003. Verzoekers hebben zich aldaar doen vertegenwoordigen door ir. A.K.M. van Hoof, werkzaam bij het Milieu- adviesbureau het Groene Schild te Wageningen. Verweerder heeft zich aldaar doen vertegenwoordigen door M.L.C. Laureij en mw. N.H.I. van Berkel. Voorts is namens vergunninghouder verschenen mr. D.A.J.M. Melchers, advocaat te Arnhem.

3. Overwegingen

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaande aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter indien het verzoek, bedoeld in artikel 8:81 van de Awb, wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

Ten aanzien van de hoofdzaak

In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Vooreerst wordt vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat zich ten aanzien van het bouwplan geen weigeringsgrond voordoet als bedoeld in artikel 44 van de Woningwet, zodat ook de voorzieningenrechter daarvan heeft uit te gaan.

Ingevolge het bepaalde in artikel 52, eerste lid, van de Woningwet

-voor zover hier relevant- houden burgemeester en wethouders, in afwijking van het bepaalde in artikel 46, eerste lid, van deze wet, de beslissing omtrent een aanvraag om bouwvergunning aan, indien er geen grond is om de vergunning te weigeren en het bouwen tevens is aan te merken als het oprichten of veranderen van een inrichting waarvoor een vergunning krachtens artikel 8:1 van de Wet milieubeheer is vereist.

Verzoekers hebben zich op het standpunt gesteld dat de aanvraag om bouwvergunning op grond van het bepaalde in artikel 52 van de Woningwet had moeten worden aangehouden. Hierbij hebben zij er op gewezen dat de te veranderen/vergroten schuur ten dienste staat van de door vergunninghouder gedreven melkrundveehouderij, welke is gelegen op een afstand van minder dan 50 meter van de woningen van verzoekers. Gelet hierop en vanwege de omstandigheid dat -naar verzoekers stellen- in de inrichting meer dan 50 stuks melkrundvee worden gehouden, valt de melkrundveehouderij naar de mening van verzoekers niet onder de werking van het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer, zodat mitsdien op voet van artikel 8.1 Wet Milieubeheer een milieuvergunning is vereist.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

De voorzieningenrechter stelt vast en tussen partijen is niet in geschil dat aan vergunninghouder bij besluit van 22 januari 1992 een Hinderwetvergunning is verleend voor het houden van 70 stuks melkrundvee, 25 stuks jongvee, 10 kalveren en 15 meststieren op het perceel Bulkstraat 37 te Deil (bedoeld is Bulkstraat 47 te Deil).

In artikel XXII, eerste lid, van de Wet Vergunningen en algemene regels (VAR; Stb. 1992,414), is -voor zover hier relevant- bepaald dat vergunningen die voor 1 maart 1993 zijn verleend (en onherroepelijk zijn geworden) krachtens de Hinderwet, gelijk worden gesteld met een vergunning, verleend krachtens de Wet milieubeheer (Wm).

Vastgesteld kan worden dat de aan vergunninghouder verleende Hinderwetvergunning voor 1 maart 1993 onherroepelijk is geworden. Gelet op het bepaalde in voornoemd artikel XXII van de VAR, dient deze Hinderwetvergunning mitsdien te worden gelijkgesteld met een vergunning ingevolge de Wm.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1, tweede lid, van het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer (hierna: het Besluit) is dit besluit niet van toepassing op een melkrundveehouderij die is opgericht:

a. na de datum van inwerkingtreding van dit besluit en die is gelegen op minder dan 50 meter afstand van een woning van derden of een gevoelig object;

b. vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit en:

1. die is gelegen op minder dan 25 meter afstand van een woning van derden of een gevoelig object;

2. waarin meer dan 50 stuks melkrundvee worden gehouden en die is gelegen op minder dan 50 meter afstand van een woning van derden of een gevoelig object.

Niet is in geschil dat de inrichting van vergunninghouder is opgericht vóór de datum van inwerkingtreding van het Besluit. Evenmin is in geschil dat de inrichting is gelegen op een afstand van minder dan 50 meter van een woning van derden of een gevoelig object.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de zogenaamde meitelling en uit een nadien gehouden controle op 5 juni 2003 is gebleken dat ter plaatse niet meer dan 50 stuks melkrundvee worden gehouden. Zulks brengt -zo stelt verweerder- met zich dat de inrichting van vergunninghouder valt onder de werkingssfeer van het besluit en dat de ingevolge de Hinderwet verleende vergunning mitsdien is komen te vervallen.

De voorzieningenrechter kan verweerder hierin niet volgen.

Anders dan verweerder is de voorzieningenrechter van oordeel dat niet de feitelijke maar de vergunde situatie bepalend is voor het antwoord op de vraag of de Hinderwetvergunning (van rechtswege) is komen te vervallen. Eerst indien moet worden gezegd dat de situatie zoals die is vergund met de inwerkingtreding van het Besluit niet langer als milieuvergunningplichtig is aan te merken, zou sprake kunnen zijn van een (van rechtswege) omzetting van de vergunning in een (geaccepteerde) melding in het kader van het Besluit. Voor zover verweerder en vergunninghouder zich op het standpunt hebben gesteld dat uit de bij het besluit behorende Nota van Toelichting blijkt dat voor een inrichting die binnen de werkingssfeer van het Besluit valt een eerder verleende hinderwetvergunning van rechtswege vervalt, dient dit standpunt naar het oordeel van de voorzieningenrechter te worden verworpen. In bedoelde Nota wordt in dit verband enkel gesproken van het vervallen van de vergunningsplicht, hetgeen iets anders is dan het vervallen van een voor de inrichting verleende vergunning.

Nu niet in geschil is dat de destijds verleende en nog immer vigerende Hinderwetvergunning betrekking heeft op meer dan 50 stuks melkrundvee en voorts vast staat dat de melkrundveehouderij is gelegen op een afstand van minder dan 50 meter van een woning van derden of van een gevoelig object, moet worden vastgesteld dat de situatie zoals die in 1992 is vergund niet valt onder de werkingssfeer van het Besluit. Zulks brengt met zich dat de verleende Hinderwetvergunning, nu niet is gebleken van een wettelijke grondslag hiervoor als bedoeld in artikel 8:18 van de Wm, niet is komen te vervallen.

Voor zover overigens moet worden aangenomen dat vergunninghouder feitelijk en blijvend niet meer dan 50 stuks melkrundvee wenst te houden, zou dit voor verweerder wellicht aanleiding kunnen zijn de milieuvergunning op grond van het bepaalde in artikel 8:25 van de Wm in te trekken. Van zulk een intrekking is de voorzieningenrechter evenwel niet gebleken.

Voorgaande brengt evenwel nog niet zonder meer met zich dat verweerder de bouwaanvraag had moeten aanhouden ex artikel 52 van de Woningwet. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter dat geen milieuvergunning is benodigd (en derhalve ook geen aanhoudingsplicht geldt als bedoeld in artikel 52 Woningwet) indien sprake is van veranderingen van de inrichting of de werking daarvan die in overeenstemming zijn met de voor de inrichting verleende vergunning en de daaraan verbonden voorschriften (artikel 8:1, derde lid, van de Wm), terwijl voorts evenmin een vergunning is benodigd indien de veranderingen van de inrichting meldingsplichtig zijn op grond van het bepaalde in artikel 8:19, tweede lid, van de Wm.

Op basis van de thans voorhanden zijnde gegevens kan de voorzieningenrechter de toepasselijkheid van artikel 8:1, derde lid, van de Wm respectievelijk artikel 8:19, tweede lid, van de Wm evenwel niet vaststellen. In dit verband wordt opgemerkt dat niet duidelijk is of de thans te verbouwen en uit te breiden schuur deel uitmaakt van de in 1992 verleende Hinderwetvergunning en dat (daarmee) eveneens onduidelijk is of met de beoogde verplaatsing van het melkrundvee sprake is van een (voor het milieu nadelige) verplaatsing van het emissiepunt.

Voorgaande leidt er toe dat verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom de aanhoudingsplicht ex artikel 52 van de Woningwet in onderhavig geval niet van toepassing is. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit niet wordt gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering, hetgeen in strijd is met het bepaalde in artikel 7:12 van de Awb.

Mitsdien moet het beroep gegrond worden verklaard en dient het bestreden besluit te worden vernietigd. Verweerder zal met in achtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuwe beslissing op bezwaar dienen te nemen.

De voorzieningenrechter acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:84, vierde lid jo. artikel 8:75, eerste lid, van de Awb en verweerder te veroordelen in de door verzoekers gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 644,- aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de voorzieningenrechter niet gebleken. Voorts ziet de voorzieningenrechter aanleiding de gemeente Geldermalsen te gelasten het door verzoekers betaalde griffierecht aan hen te vergoeden.

Ten aanzien van het verzoek om voorlopige voorziening

Gegeven de hierna weer te geven beslissing in de hoofdzaak, bestaat er in dit geval aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter dat de gegrondverklaring van het beroep van verzoekster met zich brengt dat het primaire besluit van 17 april 2003 komt te herleven, welk besluit evenwel dezelfde rechtsgevolgen kent als het thans bestreden besluit. Gelet hierop is het verzoek voor toewijzing vatbaar en zal het herleefde primaire besluit van 17 april 2003 worden geschorst tot zes weken nadat verweerder (opnieuw) op de door verzoekers hiertegen ingebrachte bezwaren heeft beslist.

De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling. Hiertoe wordt overwogen dat de hoofdzaak en het verzoek om voorlopige voorziening in casu dienen te worden aangemerkt als samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht, zodat er geen aanleiding bestaat om voor de indiening van het verzoekschrift afzonderlijk een punt toe te kennen. Wel bestaat aanleiding de gemeente Geldermalsen te gelasten het door verzoekers betaalde griffierecht aan hen te vergoeden.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

4. beslissing

De voorzieningenrechter,

I verklaart het beroep gegrond;

II vernietigt het bestreden besluit van 12 augustus 2003;

III bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op het bezwaarschrift van verzoekers dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

IV veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644 en wijst de gemeente Geldermalsen aan als de rechtspersoon die deze kosten aan hen dient te vergoeden;

V bepaalt dat de gemeente Geldermalsen aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht van € 116,- vergoedt.

Ten aanzien van het verzoek om voorlopige voorziening:

I wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb toe;

II schorst het besluit van 17 april 2003 tot zes weken nadat een nieuwe beslissing op het bezwaarschrift is genomen;

III bepaalt dat de gemeente Geldermalsen aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht van € 116,- vergoedt.

Aldus gewezen door mr. F.H. de Vries als voorzieningenrechter en in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2003 in tegenwoordigheid van mr. S.A. van Hoof als griffier.

de griffier, de voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA ’s-Gravenhage.

Hoger beroep staat niet open voor zover is beslist op het verzoek om voorlopige voorziening.

Verzonden op:

Coll: