Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2003:AM2433

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
27-08-2003
Datum publicatie
21-10-2003
Zaaknummer
95078/ HA ZA 03-34
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

niet nakomen overeenkomst

Malversaties voor faillissement?

Was daling omzet te voorzien voor sluiten overeenkomst?

Doorbreking paritas creditorm

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2004, 101
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 95078 / HA ZA 03-34

Datum vonnis: 27 augustus 2003

Vonnis

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GRAND HOTEL HUIS TER DUIN B.V.,

gevestigd te Noordwijk,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur mr. J.M. Bosnak,

advocaat mr. M. Aukema te Leiden,

tegen

1. W,

wonende te X,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MEDIASET HOLDING B.V.,

gevestigd te Malden,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

procureur mr. W.J.G.M. van den Broek,

advocaat mr. P.J. Willard te Nijmegen.

In dit vonnis zullen partijen ook Huis ter Duin, W en Mediaset Holding worden genoemd.

1. Het verloop van de procedure

Voor het verloop van de procedure tot het tussenvonnis van 2 april 2003 wordt naar dat vonnis verwezen. Ter uitvoering daarvan is op 8 juli 2003 een comparitie van partijen gehouden. Ter comparitie heeft Huis ter Duin een conclusie van antwoord in reconventie genomen. Het proces-verbaal van de comparitie bevindt zich bij de stukken. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De vaststaande feiten

2.1 Mediaset Uitgeverij B.V., thans geheten Mediaset Holding B.V., heeft op 10 januari 1996 FoodWorld Association B.V. opgericht. De naam van deze laatstgenoemde vennootschap is nadien achtereenvolgens gewijzigd in Mediaset FoodWorld B.V. en Retailworld B.V. (hierna te noemen: Retailworld). W is althans was tot voor kort enig directeur en mede-aandeelhouder van Mediaset Holding alsmede bestuurder van Retailworld.

2.2 Retailworld heeft in oktober 1998 met Huis ter Duin een overeenkomst gesloten tot afname van goederen en diensten. Dit hield verband met het National Food Congress (NFC) dat Retailworld in 1999 in de accommodatie van Huis ter Duin heeft georganiseerd.

2.3 Op basis van die overeenkomst heeft Huis ter Duin een bedrag van ƒ 150.358,35 aan Retailworld gefactureerd. In mindering daarop heeft Retailworld in december 1999 een bedrag van ƒ 50.000,-- betaald, zodat ƒ 100.358,35 onbetaald gebleven is.

2.4 Bij vonnis van 9 augustus 2000 heeft deze rechtbank Retailworld in staat van faillissement verklaard. Aan de crediteuren zullen geen uitkeringen kunnen worden gedaan, zo heeft de curator aan de raadsman van Huis ter Duin doen weten.

2.5 Huis ter Duin heeft ten laste van W en Mediaset Holding beslagen gelegd.

3. Het geschil

In conventie

3.1 Huis ter Duin vordert, na haar eis te hebben verminderd -samengevat en zakelijk weergegeven -, dat de rechtbank W en Mediaset Holding zal veroordelen aan haar te betalen een bedrag van € 59.101,16 vermeerderd met rente, met veroordeling van W en Mediaset Holding in de kosten van deze procedure, alle bedoelde bedragen verminderd met de BTW-bestanddelen daarin.

3.2 Aan deze vordering legt Huis ter Duin het volgende ten grondslag.

W en Mediaset Holding hebben onrechtmatig gehandeld jegens Huis ter Duin door:

a. Retailworld een verplichting te laten aangaan tegenover Huis ter Duin in de wetenschap dat zij deze niet zou kunnen nakomen en geen verhaal zou bieden voor de vordering tot nakoming;

b. substantiële activa aan Retailworld te onttrekken zonder dat daar een financiële tegemoetkoming tegenover stond;

c. selectief en volledig andere crediteuren te betalen en Mediaset-vennootschappen te bevoordelen, met doorbreking van de paritas creditorum.

Het onbetaald gebleven bedrag van bedrag van ƒ 100.358,35 dient te worden vermeerderd met rente en kosten, hetgeen resulteert in een vordering ten bedrage van € 59.101,16 vermeerderd met nadere vertragingsrente.

De omzetbelasting is voor haar verrekenbaar en dus zijn de BTW-bestanddelen in de door haar gevorderde bedragen geen onderdeel van de schade, zo heeft Huis ter Duin ter comparitie nader gesteld.

3.3 W en Mediaset Holding voeren gemotiveerd verweer. Voor zover relevant zal daarop bij de beoordeling worden ingegaan.

In reconventie

3.4 W en Mediaset Holding vorderen voorwaardelijk, namelijk indien en voor zover Huis ter Duin in haar vordering in conventie niet ontvankelijk wordt verklaard en/of haar vordering wordt afgewezen -samengevat en zakelijk weergegeven -, dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat Huis ter Duin onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld en dat Huis ter Duin aansprakelijk is voor de schade die zij hebben geleden, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, alsmede Huis ter Duin te veroordelen tot betaling aan hen van een bedrag van € 5.000,-- vermeerderd met rente, met veroordeling van Huis ter Duin in de kosten van dit geding.

3.5 Aan deze vordering leggen W en Mediaset Holding het volgende ten grondslag. Indien en voor zover Huis ter Duin in haar vordering niet-ontvankelijk zou worden verklaard en/of deze zou worden afgewezen, moeten de door haar gelegde beslagen als onrechtmatig worden gekwalificeerd. Voor de daaruit voortgevloeide schade is zij aansprakelijk. Die schade bestaat in elk geval uit de kosten van rechtsbijstand, de kosten van een gestelde bankgarantie en een mogelijke claim van de kopers van aandelen in Mediaset Holding tegen W, maar is thans nog niet te begroten. Het gevorderde bedrag van € 5.000,-- strekt tot voorschot op de schadevergoeding.

3.6 Huis ter Duin voert gemotiveerd verweer. Voor zover relevant zal daarop bij de beoordeling worden ingegaan.

4. De beoordeling

In conventie

4.1 Met betrekking tot de gelegde beslagen is aan de wettelijke voorschriften en termijnen voldaan.

4.2 W en Mediaset Holding voeren primair het verweer dat Huis ter Duin in haar vordering niet ontvankelijk is. Daaromtrent oordeelt de rechtbank als volgt.

Uit de overgelegde faillissementsverslagen kan worden afgeleid dat de curator van Retailworld het standpunt inneemt dat voorafgaande aan het faillissement van malversaties geen sprake is geweest. Dit doet aan de ontvankelijkheid van Huis ter Duin echter niets af. Ook het feit dat de curator eerder een procedure in kort geding aanhangig heeft gemaakt tegen Mediaset Holding en Mediaset Business Events B.V. en dat als uitvloeisel daarvan een vaststellingsovereenkomst tussen hen is aangegaan, leidt niet tot de niet-ontvankelijkheid van Huis ter Duin in deze procedure. Dat geding had immers betrekking, naar de rechtbank begrijpt, op de rechten op de organisatie van het NFC en betrof derhalve een ander geschil dan in het onderhavige geding aan de rechtbank ter beoordeling is voorgelegd. Niet van belang is derhalve of de curator daarbij handelde namens de gezamenlijke crediteuren of namens de boedel.

Het ontvankelijkheidsverweer wordt op grond van het bovenstaande verworpen.

4.3 Haar stelling dat Retailworld een verplichting tegenover Huis ter Duin is aangegaan in de wetenschap dat zij deze niet zou kunnen nakomen en geen verhaal zou bieden voor de vordering tot nakoming, baseert Huis ter Duin op het sterk negatieve eigen vermogen alsmede op de teruglopende omzet van Retailworld.

Dat eigen vermogen, ultimo 1997 reeds negatief, bedroeg ultimo 1998 ƒ 524.000,-- (€ 238.181,--) en was ultimo 1999 opgelopen tot meer dan € 454.545,-- (ƒ 1.000.000,--). Naar het oordeel van de rechtbank is een negatief eigen vermogen op zichzelf onvoldoende om tot de conclusie te kunnen komen dat die bedoelde wetenschap aan de zijde van Retailworld bestond, ook nu de omvang van dat negatieve eigen vermogen aanzienlijk was en stijgende, zoals Huis ter Duin onweersproken heeft gesteld. Bijkomende omstandigheden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden, zijn in dit verband niet gesteld of gebleken.

De omzet van Retailworld bedroeg in 1998 ƒ 1,25 miljoen en in 1999 ƒ 1,1 miljoen. Daargelaten of de daling van de omzet ten tijde van het sluiten van de overeenkomst en het NFC reeds kenbaar of voorzienbaar was -W heeft ter comparitie verklaard dat alles is gedaan om nieuwe activiteiten op te starten en Retailworld tot een succes te maken-, kan ook uit een dergelijke omzetdaling niet worden geconcludeerd dat die wetenschap dat Retailworld niet zou kunnen nakomen en geen verhaal zou bieden aan de zijde van Retailworld aanwezig was.

Ook indien het negatieve eigen vermogen en de daling van de omzet in onderling verband worden beschouwd, leidt dat niet tot een ander oordeel. Het verweer op dit punt van W en Mediaset Holding is derhalve gegrond.

4.4 Huis ter Duin voert verder aan dat W en Mediaset Holding onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld doordat:

a. aan Retailworld substantiële activa zijn onttrokken zonder dat daar een financiële tegemoetkoming tegenover stond;

b. dat de paritas creditorum is doorbroken door andere crediteuren selectief en volledig te betalen en door Mediaset-vennootschappen te bevoordelen.

Hieromtrent overweegt de rechtbank het volgende.

Ad a: haar hiervoor onder a. weergegeven stelling dat substantiële activa aan Retailworld zijn onttrokken zonder dat daar een financiële tegemoetkoming tegenover stond, baseert Huis ter Duin ten dele op vermoedens en veronderstellingen, zoals namens haar ter comparitie is verklaard. Voor zover dat het geval is, acht de rechtbank deze stelling, die gemotiveerd wordt betwist, onvoldoende onderbouwd en wordt deze verworpen.

Tot de activa die aan Retailworld zijn onttrokken, behoort volgens Huis ter Duin ook de organisatie van het NFC. Zij erkent dat de intellectuele eigendomsrechten op het NFC aan Mediaset Holding toebehoren, maar Retailworld zou rechthebbende op de organisatie zijn geweest. Dat laatste leidt zij af uit het feit dat Retailworld het NFC in 1999 heeft georganiseerd, alsmede uit het feit dat de vennootschap in 1999 haar naam in Retailworld heeft veranderd. De rechtbank kan zonder toelichting, die niet is gegeven, niet inzien dat deze naamswijziging een aanwijzing vormt dat Retailworld rechthebbende is op de organisatie van het NFC. W en Mediaset Holding voeren als verweer aan dat Mediaset Holding rechthebbende is op de organisatie van NFC, dat die organisatie dus niet tot de activa van Retailworld behoorde en dat de organisatie slechts voor één jaar, 1999, bij Retailworld is ondergebracht. Nu Huis ter Duin daarop ter comparitie niet heeft gereageerd, anders dan met een herhaling van haar stelling dat de naamswijziging van de vennootschap in Retailworld een aanwijzing vormt voor haar rechten op de organisatie, is dat verweer gegrond.

Ad b: indien de stelling van Huis ter Duin omtrent de doorbreking van de paritas creditorum zo zou moeten worden begrepen dat naar haar oordeel Retailworld als debiteur gehouden was haar crediteuren naar evenredigheid van hun respectieve vorderingen te betalen, kan deze niet als juist worden aanvaard. Een dergelijke verplichting berust niet op enige rechtsregel. Wel zou onder omstandigheden een bevoordeling van bepaalde crediteuren of van de Mediaset-vennootschappen boven andere crediteuren onrechtmatig kunnen zijn. Dat daarvan sprake is geweest, volgt echter niet uit de eigen stellingen van Huis ter Duin. Dat bepaalde crediteuren “selectief en volledig” zijn voldaan, heeft Huis ter Duin niet onderbouwd en is ook niet aannemelijk geworden. Volgens Huis ter Duin heeft Retailworld in het boekjaar 2000 aan de Mediaset-vennootschappen een bedrag van in totaal ƒ 194.784,-- betaald en aan de (overige) crediteuren een bedrag van in totaal ƒ 278.936,--. Volgens de overgelegde opgave van Huis ter Duin bedroegen de schulden van Retailworld per 31 december 1999 in totaal ƒ 1.480.533,--, waarvan ƒ 387.694,-- aan Mediaset-vennootschappen en ƒ 637.454,-- aan (overige) crediteuren (het restant is verschuldigd aan diverse andere specifieke crediteuren). Omtrent de aard en ouderdom van deze schulden is niets gesteld. Procentueel gezien hebben de Mediaset-vennootschappen, uitgaande van deze bedragen, in het boekjaar 2000 meer ontvangen dan de overige crediteuren, maar zulks is onvoldoende om tot onrechtmatige bevoordeling van de Mediaset-vennootschappen te kunnen concluderen. De rechtbank merkt nog op dat Huis ter Duin bovendien zelf kort voor het boekjaar 2000, in december 1999, een bedrag van ƒ 50.000,-- heeft ontvangen. Ook de hoogte van de vorderingen zoals deze zijn ingediend bij de curator blijkens bijlage 2 bij diens tweede verslag, vormt geen aanwijzing voor bevoordeling van de Mediaset-vennootschappen: hun concurrente vordering beloopt immers in totaal ƒ 592.524,52, terwijl de vorderingen van de overige crediteuren in totaal ƒ 173.781,37 bedragen.

4.5 Huis ter Duin verzoekt aan de rechtbank W en Mediaset Holding ”ieder voor zich en gezamenlijk te bevelen (1) de volledige boekhouding van Mediaset Holding en (2) schriftelijke bescheiden, waaruit alle betalingen door Mediaset Holding aan al haar crediteuren en aan groepsmaatschappijen en W privé blijken, open te leggen”. Dit verzoek zal worden afgewezen. In deze procedure staan immers betalingen door Retailworld ter discussie, en niet betalingen door Mediaset Holding.

4.6 Op grond van hetgeen hierboven is overwogen, zal de vordering worden afgewezen met veroordeling van Huis ter Duin in de kosten van dit geding.

In reconventie

4.7 Nu de voorwaarde waaronder de vordering was ingesteld, is vervuld, is de vordering onvoorwaardelijk van karakter geworden.

4.8 Gezien het feit dat de vordering in conventie is afgewezen, heeft Huis ter Duin onrechtmatig gehandeld door ten laste van W en Mediatek Holding beslagen te leggen. De gevorderde verklaring voor recht is derhalve toewijsbaar.

4.9 De rechtbank acht aannemelijk, gezien de stellingen van W en Mediatek Holding daaromtrent, dat zij als gevolg van de beslagen schade hebben geleden. Vooral gezien de onduidelijkheid omtrent een eventuele aanspraak jegens W zal deze schade thans nog niet kunnen worden begroot. De vordering tot verwijzing naar de schadestaatprocedure acht de rechtbank dan ook toewijsbaar.

4.10 Niet toewijsbaar is het gevorderde voorschot ten bedrage van € 5.000,--, nu uit de stellingen van W en Mediaset Holding op geen enkele wijze kan worden afgeleid wat het schadebedrag is of zal worden. Dit onderdeel van de vordering zal derhalve worden afgewezen.

4.11 Nu beide partijen ten dele in het ongelijk gesteld zijn, zullen de kosten van dit geding worden gecompenseerd als na te melden.

De beslissing

De rechtbank:

in conventie

- wijst de vordering af;

- veroordeelt Huis ter Duin in de kosten van dit geding, gevallen aan de zijde van W en Mediaset Holding en tot aan dit vonnis begroot op € 1.125,-- wegens verschotten en € 1.542,-- wegens salaris procureur;

in reconventie

- verklaart voor recht dat Huis ter Duin onrechtmatig heeft gehandeld jegens W en Mediaset Holding door eerdergenoemde beslagen te leggen;

- veroordeelt Huis ter Duin aan W en Mediaset Holding te vergoeden de schade die zij daardoor hebben geleden en nog zullen lijden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

- verklaart dit vonnis in reconventie in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde;

- compenseert de kosten van dit geding in dier voege dat elke partij zijn eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr O. Nijhuis en uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2003.

de griffier, de rechter,