Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2003:AL7587

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
20-08-2003
Datum publicatie
07-10-2003
Zaaknummer
98366 / HA ZA 03-558
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onbevoegdheid rechtbank?

Erflater overleden in Oostenrijk. Wordt het toepasselijke recht beheerst door recht woonplaats erflater?

Nee, artikelen 2 en 99 Rv

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 2
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 99
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 98366 / HA ZA 03-558

Datum vonnis: 20 augustus 2003

Vonnis

in de zaak van

X,

wonende te [C] en kantoorhoudende te Nijmegen,

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van A.W.M. Y,

eiser in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

procureur mr. J.A.M.P. Keijser,

tegen

Y,

wonende te H[D]),

gedaagde in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

procureur mr. A.J. de Bie.

De partijen zullen verder worden aangeduid als “de curator” en “Y”.

1. Het verloop van de procedure

De volgende processtukken zijn gewisseld:

? een dagvaarding van de zijde van de curator;

? een conclusie houdende verweermidelen en (tegen-)vorderingen van de zijde van Y;

? een conclusie van repliek tevens conclusie van antwoord in incidentele vorderingen van de zijde van de curator.

Ten slotte hebben partijen vonnis in de incidenten gevraagd.

2. Het geschil in de hoofdzaak

2.1 De curator vordert in de hoofdzaak bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Y te veroordelen tot het afgeven aan hem van alle goederen waarop hij aanspraak heeft gemaakt dan wel kan maken terzake de nalatenschap van zijn overleden moeder, in het bijzonder de aanspraak die Y volgens Oostenrijks recht zal blijken te hebben op de goederen van de overleden moeder bij de Sparkasse Baden te Baden, de SKWB Schöllerbank Aktiengesellschaft te Wenen, de Bausparkasse der Österreichischen Sparkassen te Baden, de Raffeisenbank te Baden en de UBS Bank in Zürich.

Voorts vordert de curator dat Y veroordeeld wordt om alle rechtshandelingen te verrichten die naar het oordeel van de Oostenrijkse autoriteiten en Oostenrijkse partijen noodzakelijk zijn om te effectueren dat de tot het aandeel in de nalatenschap van de overledene behorende vermogensbestanddelen aan hem in zijn gemelde hoedanigheid worden afgegeven, respectievelijk ten gunste van de door hem beheerde boedel worden geïnd.

Tevens vordert de curator dat de rechtbank bij vonnis hem in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement aanwijst als vertegenwoordiger van Y om hierboven gevorderde rechtshandelingen te verrichten indien Y op eerste verzoek van de curator mocht weigeren deze rechtshandelingen te verrichten.

Ten slotte vordert de curator veroordeling van Y in de proceskosten.

2.2 De curator stelt hiertoe dat Y als gefailleerde

onrechtmatig heeft gehandeld jegens de door hem in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement beheerde boedel en de crediteuren.

Y heeft de curator niet op de hoogte gebracht van de tijdens het faillissement opengevallen nalatenschap. Het aandeel van Y in de nalatenschap valt in de boedel. Y heeft te kennen gegeven niet te willen meewerken om het aandeel ten gunste van de boedel en de crediteuren te doen komen.

Ook heeft hij geweigerd een volmacht te tekenen ertoe strekkende dat de curator de nodige handelingen kon verrichten teneinde de vermogensbestanddelen in de boedel te doen vallen.

3 De incidentele vorderingen

3.1 Voor alle weren heeft Y gevorderd dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart van het onderhavige geschil kennis te nemen, met veroordeling van de curator in de proceskosten.

Hij voert hiertoe aan dat naar Oostenrijks recht en ook naar IPR het recht van de erflater het toepasselijke recht beheerst in de procedure tot verkrijging van een gerechtelijke voorziening met betrekking tot een in Oostenrijk opengevallen nalatenschap.

Y stelt daarnaast dat de aard van de verzochte voorzieningen, behalve dat Y in Nederland woont, geen rechtsrelatie tot Nederland heeft.

Een eventueel in Nederland verkregen vonnis met betrekking tot die nalatenschap kan niet in Oostenrijk ten uitvoer worden gelegd. Y beroept zich voorts op de uitsluiting van erfenissen in art. 1 lid 2 onder 1 van het EEX oud en “nieuw”, waarmee bedoeld zal zijn: de EG-verordening 44/2001.

3.2 Tevens heeft Y gevorderd dat de rechtbank bij wege van provisionele voorzieningen de curator beveelt Y aanstonds en in de volledige vorm alle stukken door de curator ontvangen of verzonden met betrekking tot de nalatenschap dan wel de aanspraken van Y daarin aan Y ter hand te stellen en de curator te bevelen hem diens paspoort terug te geven en hem toestemming te verlenen te verschijnen voor een Oostenrijks gerecht.

Hij voert hiertoe aan dat hij afschriften van Oostenrijkse stukken met betrekking tot de nalatenschap tot op heden niet heeft ontvangen, terwijl deze wel verstuurd zijn. Y zal voorts in Oostenrijk in persoon voor het gerecht aldaar moeten worden gehoord in het kader van een gerechtelijke vaststelling van degenen die tot de nalatenschap zijn gerechtigd.

3.3 De curator voert gemotiveerd verweer in de incidenten.

4 De beoordeling van de incidentele vorderingen

4.1 Y meent dat deze zaak moet worden behandeld en afgedaan door een meervoudige kamer. De rechtbank gaat hier niet in mee, althans niet bij dit incidentele vonnis. De hoofdregel van art. 15 Rv is dat de zaken bij de rechtbank worden behandeld en beslist door een enkelvoudige kamer. In dit geval is er geen wettelijke uitzonderingsgrond en de rechter, die dit vonnis wijst, ziet in de aard en de omvang van de zaak, zoals deze nu voorligt, geen reden voor verwijzing naar een meervoudige kamer.

4.2 Bij akte conclusie houdende verweermiddelen en

(tegen)vorderingen heeft Y ter aanvulling van zijn stellingen tevens een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van de curator.

Y stelt hiertoe dat hij de door de curator gevorderde vermogensrechtelijke voorzieningen niet kan uitvoeren daar hij in staat van faillissement is verklaard. De gevorderde voorzieningen strekken ertoe datgene te doen dat reeds door de curator zelf kan worden verricht, aldus Y.

Dit komt neer op een principaal verweer in de hoofdzaak en kan eerst daar aan de orde komen. Ze blijft derhalve in dit stadium onbesproken.

4.3 Het beroep op de onbevoegdheid van de rechtbank wordt verworpen. De rechtbank ontleent haar internationale rechtsmacht en relatieve bevoegdheid aan de woonplaats van Y als de gedaagde in dit geding. De rechtbank verwijst naar de artikelen 2 en 99 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Er is geen sprake van een verdragsrechtelijke of wettelijke bepaling die, met uitsluiting van de rechter van de woonplaats van Y als de gedaagde, een ander gerecht in het buitenland of in Nederland exclusief bevoegd verklaart om op de vorderingen van de curator te beslissen. Het feit dat die vorderingen verband houden met de afwikkeling van een in Oostenrijk opengevallen nalatenschap zou wellicht een alternatieve (en niet een exclusieve) bevoegdheid kunnen scheppen bij een Oostenrijks gerecht, ware het niet dat de vorderingen van de curator niet op het erfrecht, maar op onrechtmatige daad zijn gebaseerd. Bij onrechtmatige daad is, zowel naar nationaal als naar internationaal procesrecht, het gerecht van de woonplaats van de gedaagde het eerst aangewezen forum.

4.4 In zijn provisionele vorderingen als bedoeld in art. 223 Rv is Y niet ontvankelijk. Y vordert dat de rechtbank voorzieningen treft met betrekking tot de (uitvoering van de) postblokkade, die door de rechtbank op grond van art. 14 Fw is gelast bij het faillissementsvonnis van 22 augustus 2001. Voorts vordert Y ontheffing van het op art. 91 Fw gebaseerde reisverbod en de daarmee samenhangende inneming van zijn paspoort. Voor beide kwesties dient hij zich eerst tot de rechter-commissaris in zijn faillissement te wenden en van deze een beslissing uit te lokken, alvorens hij zich ter zake, middels hoger beroep tegen die beschikkingen, tot de rechtbank kan wenden.

4.5 Iedere verdere beslissing, waaronder die met betrekking tot de kosten van het incident, zal worden aangehouden.

De beslissing

De rechtbank,

In de incidenten:

verklaart de rechtbank bevoegd om van het geschil in de hoofdzaak kennis te nemen;

verklaart Y niet-ontvankelijk in zijn provisionele vorderingen;

houdt de beslissing met betrekking tot de kosten van de incidenten aan;

In de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rol van vier weken na heden voor het nemen van conclusie van dupliek in de hoofdzaak van de zijde van Y;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.W. Huijgen en uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2003.

de griffier de rechter

Coll SD