Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2003:AL7569

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
27-08-2003
Datum publicatie
07-10-2003
Zaaknummer
97454 / HA ZA 03-395
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Burenrecht

Erfdienstbaarheden over percelen

Verjaring

BW oud: 719, 744 en 749

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

(ST)

Zaak-/rolnummer: 97454 / HA ZA 03-395

Datum uitspraak: 27 augustus 2003

Vonnis

in de zaak van

X,

wonende te [C]

eiseres,

procureur en advocaat mr. C.W. Reintjes te Duiven,

tegen:

Y,

wonende te [C]

gedaagde,

procureur en advocaat mr. R.L. Beckers te [C]

en

A,

wonende te [C]

gevoegde partij aan de zijde van gedaagde,

procureur en advocaat mr. R.L. Beckers te [C]t.

Het verloop van de procedure

Voor het eerdere verloop van de procedure wordt verwezen naar het tussenvonnis van 4 juni 2003. De daarop gehouden comparitie van partijen ter plaatse waarvan het proces-verbaal zich bij de stukken bevindt, heeft niet tot overeenstemming geleid. Vervolgens is vonnis bepaald.

De vaststaande feiten

1.1 De partijen zijn buren. Het echtpaar X woont op het adres [adres] 39 te [C]t. Achter hun woning ligt de woning [adres] 37, die door Y met haar partner wordt bewoond. De verbinding tussen die woning en de [adres] wordt gevormd door een pad langs de woning van X en loopt over haar terrein. Aan de andere kant van het pad staat de door A en zijn echtgenote bewoonde woning [adres] 35.

1.2 De drie genoemde woningen, alsmede de woning [adres] 33 zijn indertijd door de grootvader van X gebouwd en waren toen in een hand. Na verloop van tijd zijn de panden [adres] 33, 35 en 37 verkocht. Alleen [adres] 39 is nu nog in de familie.

1.3 X heeft op 25 juli 1996 een strook grond naast haar woning grenzend aan de openbare weg In den Bongerd in eigendom verworven.

2. X vordert te verklaren voor recht dat er ten behoeve van het perceel [adres] 37 en ten laste van het perceel [adres] 39 geen erfdienstbaarheid bestaat, subsidiair te verklaren voor recht dat de strook grond gelegen tussen het perceel van Y enerzijds en de openbare weg de [adres] niet als uitweg is of kan worden aangewezen, met de vaststelling van de strook grond gelegen tussen het erf van Y enerzijds en de openbare weg In den Bongerd anderzijds aan te wijzen als uitweg/noodweg, meer subsidiair indien en voor zover er sprake zou zijn van een noodweg van het perceel van Y naar de openbare weg de [adres], deze uitweg/noodweg te verplaatsen van het perceel van Y naar de openbare weg In den Bongerd, alles met de veroordeling van Y in de kosten van deze procedure.

X legt naast de vaststaande feiten aan haar vordering ten grondslag dat Y zonder haar toestemming en daarmee onrechtmatig gebruik maakt van het bewuste pad.

Y en A als aan haar zijde gevoegde partij voeren gemotiveerd verweer.

De beoordeling van het geschil

3. Terecht stelt X zich op het standpunt dat anders dan is opgeworpen er geen sprake is van een erfdienstbaarheid van weg die door verjaring is ontstaan. Naar het recht dat gold tot 1 januari 1992 was dat in beginsel niet mogelijk, omdat een zodanige erfdienstbaarheid niet voordurend was in de zin van de artikelen 744 en 747 (oud) BW, daar zij slechts door menselijk toedoen kon worden uitgeoefend. Er zijn geen feiten en omstandigheden gesteld of gebleken die een uitzondering op die regel mogelijk maken. Er is immers geen sprake van de aanwezigheid van een in strijd met het burenrecht aanwezig -voortdurend- werk dat verband houdt met de uitweg (vgl. HR 24 september 1999, NJ 2000, 18).

Naar huidig recht kan evenmin de verjaring worden aangenomen. De daarvoor geldende termijn van 20 jaar is immers nog lang niet verstreken, terwijl de korte termijn van 10 jaar niet in aanmerking komt, omdat van de daarvoor noodzakelijke goede trouw geen sprake is. Deze ontbreekt omdat Y en A door raadpleging van de openbare registers hadden kunnen weten dat er geen ingeschreven titel van verkrijging van een erfdienstbaarheid bestond.

4. Zowel Y als A hebben tijdens de comparitie meegedeeld hun verweer mede te baseren op het bestaan van een buurweg. Naar het voor 1992 geldende recht, artikel 719 (oud) BW dat ingevolge artikel 160 van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek van toepassing blijft op buurwegen die voordien zijn ontstaan, kon een buurweg ontstaan indien meer buren een weg gezamenlijk als uitweg gebruikten en die weg door de eigenaren van de grond waarover de weg loopt ook uitdrukkelijk of stilzwijgend tot buurweg was bestemd.

Tussen de partijen staat vast dat sinds jaar en dag het pad is gebruikt door de bewoners van [adres] 37, dat is sinds 1983 Y, om te gaan en te komen naar en van de openbare weg. De bewoners van [adres] 33 en 35 gebruikten de weg ook. Op grond van een ten laste van nummer 35 en ten gunste van nummer 33 gevestigde erfdienstbaarheid gebruikten de bewoners van nummer 33 de weg om er ook met hun auto overheen te rijden naar en van de garage die achter in hun tuin was gebouwd. Sinds 2000 wordt van de erfdienstbaarheid en het pad geen gebruik meer gemaakt. Er is een andere oplossing gevonden. Ook de bewoners van nummer 35 hebben een garage achter hun huis laten bouwen. Het is niet duidelijk geworden of de rechtsvoorgangers van A ook met een motorvoertuig over de weg gingen. Hij zelf, sinds ongeveer 5 jaar de eigenaar, doet dat wel met zijn motorfiets.

5. Zoals ter gelegenheid van de comparitie duidelijk werd is het bezwaar van X niet zozeer gericht tegen het gebruik van het pad om er te voet of met de fiets overheen te gaan, maar wenst zij niet dat er motorvoertuigen over rijden. De rechtsvoorgangers van Y hadden volgens X geen auto. Dat gold in haar lezing ook voor B op nummer 35, toen deze, nadat de nummers 33 en 35 decennia geleden waren gesplitst, de aanvankelijk met nummer 33 gezamenlijke voordeur aan de straatzijde niet meer kon benutten. Nu het pad door X zelf eigenlijk niet werd en wordt gebruikt rechtvaardigt dit alles de conclusie dat het pad op enig tijdstip dat vele jaren voor 1992 is gelegen, door (de rechtsvoorganger van) X stilzwijgend tot buurweg is bestemd om er te voet of met de fiets overheen te gaan. De vraag die vervolgens aan de orde komt is of die bestemming zich ook uitstrekt tot het gebruik met motorvoertuigen.

6. X voert terecht aan dat het bestaan van een erfdienstbaarheid ten gunste van [adres] 33 en ten laste van [adres] 35 op zichzelf beschouwd niet betekent dat zij verplicht is de bewoners van 35 -met een motorvoertuig- over haar pad te laten gaan. Het bestaan daarvan brengt echter wel mee dat de bewoners van [adres] 33 krachtens een eigen zakelijk recht het pad konden bereiken, waardoor zij ook buren waren in de zin van artikel 719 (oud) BW.

7. X heeft opgemerkt dat toen zij en haar echtgenoot na een afwezigheid van tien jaar in 1983 (weer) hun intrek namen in hun huidige woning, zij hebben geconstateerd dat de bewoner van [adres] 33 het pad voor zijn auto gebruikte en dat Y dat ook deed. Niet is gesteld of gebleken dat X tegen dat gebruik terstond bezwaren heeft gemaakt. Met die bezwaren is zij eerst veel later, naar de rechtbank heeft begrepen nadat er problemen tussen de partijen waren gerezen, gekomen. Dit alles gevoegd bij de uiterlijke staat van het pad, dat zich zonder bezwaar leent voor het gebruik met een motorvoertuig en een zodanig feitelijk gebruik gedurende geruime tijd, geven tezamen dusdanig sterke aanwijzingen dat het pad ook stilzwijgend is bestemd voor motorvoertuigen, dat daarvan behoudens door X te leveren tegenbewijs moet worden uitgegaan. Daartoe zal zij worden toegelaten.

8. Zou X niet in het door haar te leveren tegenbewijs slagen dan staat het bestaan van een buurweg voor motorvoertuigen vast en behoeft de vraag of het pad als noodweg voor motorvoertuigen dient voor Y als bewoner van [adres] 37 niet worden beantwoord. Dat is anders indien geen voor gemotoriseerd verkeer toegankelijke buurweg kan worden aangenomen, waarbij wordt aangetekend dat een noodweg niet altijd behoeft te worden gevorderd. Dan moet worden aangenomen dat het pad door X of haar rechtsvoorganger stilzwijgend als noodweg is aangewezen. Voor dat geval wordt reeds nu overwogen dat de daarop slaande meer subsidiaire vordering tot verplaatsing van die weg moet worden ontzegd. Voorop staat daarbij dat de woning van Y per auto moet kunnen worden bereikt, omdat de ingesloten woning naar huidige maatstaven anders geen behoorlijke toegang heeft. Anders dan in het door X gegeven voorbeeld gaat het hier niet om een recreatiewoning, waar die eis niet kon worden gesteld. De aanvaarding van het voorgestelde alternatief, waarbij wordt uitgegaan van een voetpad, kan in redelijkheid niet van Y worden verlangd. Daargelaten wordt dat de eigendom van een stukje van 10 m2 van X waarover het pad zou moeten komen te lopen, is betwist, alsmede dat geen relevante wijziging in de plaatselijke omstandigheden is gesteld of gebleken, die een verlegging noodzakelijk maakt.

9. Tussentijds hoger beroep van dit vonnis zal niet worden toegestaan. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

De beslissing

De rechtbank,

laat X toe te bewijzen feiten en omstandigheden waaruit volgt dat het in geschil zijnde pad niet tot buurweg voor motorvoertuigen is bestemd,

bepaalt dat, voor zover X dit bewijs door middel van getuigen wil leveren, de getui-gen door de rechtbank (mr. D. van Driel van Wageningen) gehoord zullen worden in het Gerechtsgebouw aan de Walburg-straat 2-4 te Arnhem op een door de recht-bank vast te stellen datum en tijd,

verwijst de zaak naar de tweede rolzitting na de dag- waarop dit vonnis is uitge-sproken voor het opgeven van eventuele getuigen met hun respectieve verhin-derdagen, alsmede de verhinderdagen van de partijen en hun advoca-ten in de maanden oktober tot en met december 2003, waarna dag en uur van het getui-genver-hoor zullen worden bepaald,

bepaalt dat het aan de hand van de gedane opgave(n) vastgestelde tijdstip in beginsel niet zal worden gewij-zigd,

verstaat dat bij gebreke van de gevraagde opgave van getuigen geen gelegen-heid meer zal worden gegeven voor het doen horen van getuigen,

verwijst in dat geval de zaak naar de zesde rolzitting na de dag waarop dit vonnis is uitgespro-ken, voor het nemen van een conclusie na niet gehouden getuigenverhoor aan de zijde van X, waarbij deze desgewenst ook het bewijs schriftelijk kan leveren, of voor bepaling datum vonnis,

bepaalt dat de partijen bij de getuigenverhoren aanwezig zullen zijn,

bepaalt voorts dat de partijen, in persoon, indien daartoe naar het oordeel van de rechter aanleiding bestaat,- tijdens en/of na de getuigenverhoren voor de genoemde rechter zullen verschijnen om aan deze inlichtingen over de zaak te geven en deze te laten onderzoeken of partijen het op een of meer punten alsnog met elkaar eens kunnen worden,

bepaalt dat voorzover de partijen in verband met de getuigenverhoren nog stukken in het geding willen brengen, dit dient te geschieden bij akte op de hiervoor bedoelde tweede rolzitting na de dag waarop dit vonnis is uitgesproken,

verstaat dat hoger beroep van dit vonnis alleen mogelijk is tegelijk met dat van het eindvonnis,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. D. van Driel van Wageningen en uitge-spro-ken in het openbaar op 27 augustus 2003.

de griffier de rechter

Coll.:

WA