Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2003:AI1667

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
20-08-2003
Datum publicatie
01-09-2003
Zaaknummer
Reg.nr.: AWB 02/2699 WRB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen recht op toevoeging ter zake van een procedure tot voornaamwijziging. Het is onvoldoende aannemelijk geworden dat de betrokkene aantoonbaar hinder ondervindt van de huidige voornaam en daardoor ernstig wordt belemmerd in het maatschappelijk functioneren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2017/18.3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector Bestuursrecht

Reg.nr.: AWB 02/2699 WRB

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

eiseres,

en

de Raad voor Rechtsbijstand,

te Arnhem, verweerder.

1. Aanduiding van het bestreden besluit

Het besluit van verweerder van 22 november 2002.

2. Procesverloop

Op 27 juni 2002 heeft mr. P. Wessing, advocaat te Groesbeek, namens eiseres bij verweerder verzocht een toevoeging als bedoeld in de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) te verlenen voor rechtsbijstand ter zake van een verzoek om de wijziging van de voornaam van de minderjarige zoon van eiseres.

Het Bureau Rechtsbijstandvoorziening van de Raad voor Rechtsbijstand te Arnhem (hierna: het bureau) heeft dit verzoek bij besluit van 27 augustus 2002 afgewezen.

Hiertegen heeft mr. Wessing, voornoemd, namens eiseres op 5 september 2002 administratief beroep ingesteld.

Bij het bestreden besluit heeft de Raad voor Rechtsbijstand te Arnhem het beroep, onder verwijzing naar het door de Commissie van bezwaar en beroep uitgebrachte advies, ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft mr. Wessing, voornoemd, namens eiseres bij schrijven van 5 december 2002, ingekomen op 10 december 2002, beroep bij de rechtbank ingesteld.

Verweerder heeft op 2 januari 2003 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 6 augustus 2003. Eiseres is aldaar in persoon noch bij haar gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. P.A.W. Slaats.

3. Overwegingen

In dit geding moet worden beoordeeld of verweerder bij het bestreden besluit het namens eiseres ingestelde beroep op goede gronden ongegrond heeft verklaard.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de aanvraag van eiseres om gefinancierde rechtsbijstand terecht is afgewezen omdat volgens vast beleid in de regel geen toevoeging wordt verleend ter zake van verzoeken om naamswijziging. Verweerder wijst hierbij op de parlementaire geschiedenis van de Wrb waarin wijziging van de voornaam uitdrukkelijk wordt genoemd als voorbeeld van een belang waarvoor doorgaans geen, en slechts bij hoge uitzondering wel, toevoeging verstrekt zou moeten worden.

Er is – zo stelt verweerder – in het onderhavige geval niet gebleken van een zodanig zwaarwegend belang dat gefinancierde rechtsbijstand noodzakelijk moet worden geacht.

Eiseres kan zich met het standpunt van verweerder niet verenigen en voert daartegen aan dat de huidige voornaam van haar zoon afkomstig is uit de cultuur van zijn vader – van wie eiseres inmiddels gescheiden leeft – en door hem tegen de wens van eiseres in aan haar zoon is gegeven. Eiseres stelt dat de huidige voornaam van haar zoon onbekend is in haar eigen cultuur en op veel weerstand zal stuiten, waardoor zowel eiseres als haar zoon zullen worden geïdentificeerd als schijnbaar behorend tot een andere stam en zullen worden belemmerd in hun maatschappelijk functioneren binnen de cultuur van eiseres.

Eiseres stelt dat daarmee sprake is van een voldoende zwaarwegend belang dat toevoeging gerechtvaardigd is, temeer nu voor een procedure tot voornaamswijziging verplichte procesvertegenwoordiging geldt en eiseres afhankelijk is van een bijstandsuitkering.

De rechtbank overweegt als volgt.

In artikel 12, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) is bepaald dat rechtsbijstand niet wordt verleend indien de aan de te verlenen bijstand verbonden kosten niet in redelijke verhouding staan tot het belang van de zaak.

Bij de toepassing van genoemd artikel dient van geval tot geval te worden bekeken of aan het verzoek om gefinancierde rechtsbijstand een wezenlijk belang ten grondslag ligt. Op dit punt komt aan verweerder een discretionaire bevoegdheid toe.

Verweerder heeft ter zake van het verlenen van rechtsbijstand bij voornaamswijziging beleid vastgesteld. Ingevolge dit beleid wordt geen toevoeging verstrekt bij voornaamswijziging, tenzij de rechtzoekende aantoonbaar hinder ondervindt van de huidige voornaam en daardoor ernstig belemmerd wordt in het maatschappelijk functioneren.

Dit beleid is naar het oordeel van de rechtbank niet kennelijk onredelijk of anderszins rechtens onjuist te achten.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat in het onderhavige geval onvoldoende aannemelijk is geworden dat eiseres en haar zoon zodanige hinder van de huidige voornaam ondervinden dat zij in hun maatschappelijk leven ernstig worden belemmerd. De rechtbank merkt daarbij op dat niets eiseres belet om in het dagelijks verkeer de door haar gewenste voornaam voor haar zoon te bezigen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen zwaarwegende belangen aanwezig zijn op grond waarvan een toevoeging dient te worden verleend.

Het beroep van eiseres op het ontbreken van voldoende draagkracht om de kosten van de in de procedure tot voornaamswijziging vereiste procesvertegenwoordiging zelf te voldoen, doet aan het voorgaande niet af nu de afwijzing niet is gelegen in de financiële draagkracht van eiseres maar in de bijzondere omstandigheid dat om rechtsbijstand is verzocht ter zake van een verzoek tot voornaamswijziging.

Uit het bovenstaande volgt dat het beroep van eiseres ongegrond dient te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig om over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. H.A.W. Snijders, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2003, in tegenwoordigheid van mr. M.J.E. Heutink als griffier.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA ’s-Gravenhage.