Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2003:AI1666

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
20-08-2003
Datum publicatie
01-09-2003
Zaaknummer
Reg.nr.: AWB 02/2516 WRB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rechtsbijstand ter zake van een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (aanvraag mvv). Er is sprake van een zodanige bijzondere juridische complexiteit van de zaak als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het Brt dat aanleiding bestaat om een toevoeging te verstrekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector Bestuursrecht

Reg.nr.: AWB 02/2516 WRB

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

eiser,

en

de Raad voor Rechtsbijstand,

te Arnhem, verweerder.

1. Aanduiding van het bestreden besluit

Het besluit van verweerder van 16 oktober 2002.

2. Procesverloop

Op 30 mei 2002 heeft mr. W.L.M. Fleuren, advocaat te Apeldoorn, namens eiser bij verweerder verzocht een toevoeging als bedoeld in de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) te verlenen voor rechtsbijstand ter zake van een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (aanvraag mvv).

Het Bureau Rechtsbijstandvoorziening van de Raad voor Rechtsbijstand te Arnhem (hierna: het bureau) heeft dit verzoek bij besluit van 6 juni 2002 afgewezen.

Hiertegen heeft mr. Fleuren, voornoemd, namens eiser op 9 juli 2002 administratief beroep ingesteld.

Bij het bestreden besluit heeft de Raad voor Rechtsbijstand te Arnhem het beroep, onder verwijzing naar het door de Commissie van bezwaar en beroep uitgebrachte advies, ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit is namens eiser op 20 november 2002 beroep bij de rechtbank ingesteld.

Verweerder heeft op 5 februari 2003 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 6 augustus 2003. Eiser is aldaar in persoon en bij zijn gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. P.A.W. Slaats.

3. Overwegingen

In dit geding moet worden beoordeeld of verweerder bij het bestreden besluit het namens eiser ingestelde beroep op goede gronden ongegrond heeft verklaard.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers aanvraag om gefinancierde rechtsbijstand terecht is afgewezen omdat volgens vast beleid geen toevoeging wordt verstrekt voor het indienen van aanvragen om toelating tot Nederland, een aanvraag mvv daaronder begrepen. Eerst ingeval op de aanvraag mvv afwijzend wordt beslist en eiser daartegen in bezwaar wenst te komen, kan sprake zijn van een belang dat toevoeging rechtvaardigt.

Er is - zo stelt verweerder - in het onderhavige geval geen sprake van een zodanige bijzondere feitelijke of juridische ingewikkeldheid van de zaak dat bij uitzondering reeds in de aanvraagfase een toevoeging kan worden verstrekt. De door eiser geschetste problematiek rond de vaststelling van zijn arbeidsongeschiktheid in het kader van zijn aanvraag mvv acht verweerder daartoe onvoldoende.

Eiser kan zich met het standpunt van verweerder niet verenigen en voert daartegen aan dat de onderhavige aanvraag mvv wel een zodanig feitelijk en/of juridisch complexe zaak betreft dat toevoeging dient te worden verleend.

Eiser wijst daarbij op het feit dat hij voor het krijgen van vrijstelling van de inkomenseis bij de aanvraag mvv in verband met zijn visuele handicap een medische keuring naar zijn arbeidsongeschiktheid dient te ondergaan. Nu de GGD in weerwil van de aanwijzing als keuringsinstituut in de door het ministerie opgestelde voorwaarden weigert deze medische keuring uit te voeren, heeft eiser zich genoodzaakt gezien een advocaat in te schakelen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria (Brt) wordt geen toevoeging verstrekt voor het indienen van aanvragen om toelating tot Nederland op grond van de Vreemdelingenwet (Vw), tenzij sprake is van dreigende onmiddellijke uitzetting of inbewaringstelling.

Artikel 8, tweede lid, van het Brt bepaalt vervolgens dat in afwijking van het eerste lid een toevoeging kan worden verleend, indien de bijzondere feitelijke of juridische ingewikkeldheid van het geval dat vereist.

Verweerder heeft op grond van laatstgenoemd artikellid derhalve een discretionaire bevoegdheid om in afwijking van het eerste lid een toevoeging te verstrekken.

Op grond van het bepaalde in hoofdstuk B1/1.2.3.5 onder c van de Vreemdelingencirculaire (Vc) kunnen personen die blijvend arbeidsongeschikt zijn vrijgesteld worden van het vereiste van duurzaam en zelfstandig beschikken over voldoende middelen van bestaan en dient de betrokkene zelf zorg te dragen voor een schriftelijk verklaring van een keuringsarts waaruit blijkt van de blijvendheid van de arbeidsongeschiktheid. Daarbij is bepaald dat als keuringsarts kunnen worden geaccepteerd de verzekeringsgeneeskundige van een bedrijfsvereniging of de keuringsarts van de GGD.

Gebleken is dat de rechtsbijstand is verzocht voor het indienen van een aanvraag om toelating tot Nederland op grond van de Vw en dat er geen sprake was van een dreiging met onmiddellijke uitzetting of inbewaringstelling.

Ten aanzien van de vervolgens aan de orde komende vraag of in de situatie van eiser sprake was van bijzondere feitelijke of juridische ingewikkeldheid van de zaak, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het Brt, overweegt de rechtbank het volgende.

Volgens het beleid van verweerder is van feitelijke ingewikkeldheid sprake indien zich in de zaak een veelheid van juridisch relevante feiten voordoet. Juridische ingewikkeldheid wordt aangenomen indien sprake is van rechtsvragen die uitzonderlijk van aard zijn en die slechts incidenteel voorkomen. De rechtbank acht dit beleid niet kennelijk onredelijk of anderszins juridisch onjuist.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank gebleken dat eiser vanwege zijn visuele handicap ten tijde van de aanvraag mvv niet over een vast inkomen beschikte en dat hij - om in aanmerking te kunnen komen voor een mvv - een medische verklaring van de keuringsarts van de GGD diende over te leggen waaruit zijn blijvende invaliditeit blijkt.

Eiser heeft hiertoe bij herhaling getracht zich bij de GGD te laten keuren doch de GGD heeft zich in weerwil van het bepaalde in de Vreemdelingencirculaire telkenmale niet bereid getoond de medische keuring op verzoek van eiser uit te voeren. Gebleken is dat de aanwijzing van de GGD in de Vreemdelingencirculaire als keuringsinstantie buiten overleg en zonder toestemming van de GGD heeft plaatsgevonden.

Eiser heeft zowel de hulp van een sociaal raadsman, een contactpersoon van Stichting Vluchtelingenwerk als een functionaris van de Vreemdelingendienst ingeschakeld voor advies en assistentie bij het verkrijgen van de vereiste medische verklaring. Zij hebben eiser allen vanwege de uitzonderlijke materie doorverwezen naar een advocaat, tot wie eiser zich eerst daags voor het indienen van de aanvraag mvv heeft gewend. De betreffende advocaat heeft de aanvraag mvv uiteindelijk voor eiser ingevuld en de situatie betreffende de weigerachtige houding van de GGD en de onmogelijkheid van eiser om zijn arbeidsongeschiktheid aan te tonen toegelicht.

In het licht van voornoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een zodanige bijzondere juridische complexiteit van de zaak als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het Brt dat aanleiding bestaat om aan eiser ten behoeve van zijn aanvraag mvv een toevoeging te verstrekken.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder dan ook op onjuiste gronden de gevraagde toevoeging heeft geweigerd, zodat het beroep gegrond dient te worden verklaard en het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

De rechtbank acht geen termen aanwezig om over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb, nu van kosten in dit verband niet is gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder binnen acht weken na de verzenddatum van deze uitspraak opnieuw op het beroep van eiser dient te beslissen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht ad € 29,= vergoedt.

Aldus gegeven door mr. H.A.W. Snijders, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2003, in tegenwoordigheid van mr. M.J.E. Heutink als griffier.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA ’s-Gravenhage.

Verzonden op: 20 augustus 2003