Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2003:AI1643

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
20-08-2003
Datum publicatie
01-09-2003
Zaaknummer
Reg. nr.: 02/1234
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omzetting voorlopige in definitieve toevoeging.

Voor de vaststelling van het vermogen is bepalend het moment waarop de rechtsbijstand is beeindigd. Het gaat daarbij om het saldo van bezittingen en schulden waarover de betrokkene op dat moment kon beschikken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector bestuursrecht

Reg. nr.: 02/1234

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

eiseres,

en

de Raad voor Rechtsbijstand

te Arnhem, verweerder

Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 29 mei 2002.

2. Procesverloop

Het Bureau Rechtsbijstandvoorziening van de Raad voor Rechtsbijstand te Arnhem (hierna: het bureau) heeft op 30 maart 1999 eiseres een voorwaardelijke toevoeging als bedoeld in de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) verleend voor rechtsbijstand ter zake van loonvordering. Bij besluit van 5 februari 2002 heeft het bureau geweigerd deze toevoeging om te zetten in een definitieve toevoeging en de voorwaardelijke toevoeging ingetrokken.

Hiertegen is namens eiseres administratief beroep ingesteld bij schrijven van 18 februari 2002.

Bij het bestreden besluit heeft de Raad voor Rechtsbijstand te Arnhem het beroep, onder verwijzing naar het door de Commissie van bezwaar en beroep uitgebrachte advies, ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit is namens eiseres door mr. S.F.M. Oomen bij schrijven van 13 juni 2002 beroep bij de rechtbank ingesteld.

Verweerder heeft op 24 juli 2002 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 6 augustus 2003. Eiseres is aldaar in persoon en bij haar gemachtigde mr. Oomen, voornoemd, verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. P.A.W. Slaats.

3. Overwegingen

In dit geding is tussen partijen in geschil of verweerder bij het bestreden besluit het door eiseres ingestelde beroep op goede gronden ongegrond heeft verklaard.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres de gestelde vermogensgrens van f. 20.000.= heeft overschreden. Eiseres heeft in het kader van een verzoek aan het kantongerecht tot ontbinding van haar arbeidsovereenkomst wegens dringende redenen onder meer een bedrag van f. 30.000,= ontvangen ter zake van een ontbindings-vergoeding. Daarbij kan de door eiseres opgevoerde schuld niet voor aftrek in aanmerking komen, omdat ten tijde van het beëindigen van de rechtsbijstand er geen sprake was van enige schuld of terugbetalingsverplichting waarmee ingevolge het Besluit draagkrachtcriteria rechtsbijstand rekening kan worden gehouden, aldus verweerder.

Eiseres kan zich met het standpunt van verweerder niet verenigen en voert daartegen aan dat haar financiële draagkracht ten tijde van de beëindiging van de rechtsbijstand niet zodanig was dat deze de vermogensgrens overschreed.

Zij stelt daartoe in de eerste plaats dat de vergoeding van f. 30.000,= niet eerder verschuldigd werd dan per 1 juli 1999, de datum waartegen de dienstbetrekking door de kantonrechter werd ontbonden.

Daarnaast stelt eiseres dat nu verweerder feitelijk medio juni 1999 toetst en daarbij wel rekening houdt met een toekomstig tegoed van eiseres ook de terugbetalingsverplichting aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) niet buiten beschouwing dient te blijven bij de berekening van haar vermogen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Wrb geeft het bureau een voorwaardelijke toevoeging af, indien het verzoek betrekking heeft op een aanmerkelijk financieel belang of aannemelijk is dat de kosten van rechtbijstand verhaald kunnen worden op een derde.

Het derde lid van dit artikel bepaalt dat indien na beëindiging van de rechtsbijstand blijkt dat de financiële draagkracht van de verzoeker zodanig is toegenomen dat deze de in artikel 34 genoemde bedragen overschrijdt, het bureau geen definitieve toevoeging afgeeft. Ingevolge artikel 34, tweede lid, van de Wrb - voor zover hier van belang - wordt geen rechtsbijstand verleend, indien de rechtzoekende beschikt over een eigen vermogen van ten minste f 20.000,=.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van het Besluit draagkrachtcriteria rechtsbijstand (Bdr) worden voor de vaststelling van het vermogen als bezittingen in aanmerking genomen: giro-, bank- en spaartegoeden, kasgelden en cheques, effecten, onroerende zaken, ondernemings-vermogen, hypothecaire en andere vorderingen, het aandeel in onverdeelde boedels, alsmede overige bezittingen, ter beoordeling van het bureau, voorzover zij een aanzienlijke waarde vertegenwoordigen.

Ingevolge artikel 9, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bdr worden voor de vaststelling van het vermogen schulden die zijn aangegaan ter verkrijging van bezittingen als bedoeld in het vorige lid, als schulden in aanmerking genomen.

Ingevolge artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van het Bdr worden voor de vaststelling van het vermogen schulden die betrekking hebben op bijzondere uitgaven die de rechtzoekende gedwongen is te doen als gevolg van persoonlijke omstandigheden hemzelf of zijn huishouding betreffende als schulden in aanmerking genomen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht geweigerd de voorlopige toevoeging om te zetten in een definitieve toevoeging. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Bij de beslissing omtrent het verlenen van een definitieve toevoeging is voor de vaststelling van het vermogen bepalend het moment waarop de rechtsbijstand is beëindigd.

De beschikking van de kantonrechter, waarbij aan eiseres een ontbindingsvergoeding van f. 30.000,=, verminderd met loonheffing, is toegekend, dateert van juni 1999. Aansluitend aan de afrekening zijn de werkzaamheden door de rechtsbijstandverlener beëindigd. Gelet op het bepaalde in artikel 9, eerste lid, van het Bdr betekent dit dat voornoemde ontbindingsvergoeding bij de vaststelling van het vermogen van eiseres op de peildatum in aanmerking genomen dient te worden. Hieraan doet niet af dat de dienstbetrekking per 1 juli 1999 is ontbonden.

Uit het verhandelde ter zitting is verder gebleken dat aan eiseres bij de afwikkeling van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst naast voornoemde ontbindingsvergoeding tevens een loonnabetaling is toegekend. In totaal is aan eiseres een nettobedrag van f. 24.423,05 verstrekt.

De rechtbank deelt het standpunt van verweerder dat het bedrag aan loonnabetaling eveneens bij de vaststelling van het vermogen van eiseres in aanmerking dient te worden genomen nu eiseres daarover op de peildatum kon beschikken.

Hierdoor overschrijden de bezittingen van eiseres de wettelijke grens van f. 20.000,=.

Niet gebleken is dat eiseres - ter overbrugging van de voorliggende periode in verband met het uitblijven van loonbetaling of anderszins - schulden is aangegaan, welke op deze bezittingen in mindering dienen te worden gebracht.

Ten aanzien van het namens eiseres gestelde ten aanzien van het aan haar verstrekte voorschot op de WAO-uitkering overweegt de rechtbank dat het schrijven van het Uwv van 11 januari 2002 slechts een mededeling bevat, dat ten onrechte een voorschot betaald zou zijn. Een schuld staat daardoor alsdan nog niet vast en blijkens het verhandelde ter zitting ook thans nog niet, zodat ter zake daarvan geen sprake is van een schuld welke bij de vaststelling van het vermogen op de peildatum betrokken kan worden. Hierbij laat de rechtbank dan nog in het midden of deze schuld in het voorkomende geval wel zou voldoen aan de voorwaarden van artikel 9 van het Bdr.

Uit het voorgaande volgt dat de financiële draagkracht van eiseres na de beëindiging van de rechtsbijstand de wettelijke grens overschrijdt, zodat ingevolge artikel 34, tweede lid, van de Wrb geen rechtsbijstand kan worden verleend.

Verweerder heeft dan ook terecht geweigerd de voorwaardelijke toevoeging om te zetten in een definitieve toevoeging en de voorwaardelijke toevoeging ingetrokken.

Het beroep dient derhalve ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. H.A.W. Snijders, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2003, in tegenwoordigheid van mr. M.J.E. Heutink als griffier.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 20 augustus 2003