Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2003:AI1348

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
25-07-2003
Datum publicatie
22-08-2003
Zaaknummer
101742 / KG ZA 03-452
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De vrouw vordert de man te veroordelen:

a. tot afgifte van de kinderen binnen twee dagen na betekening van dit vonnis, met machtiging aan de vrouw dit indien noodzakelijk te bewerkstelligen met behulp van de sterke arm, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- per dag of gedeelte daarvan, dat de man weigerachtig blijft aan deze veroordeling te voldoen,

b. met veroordeling van de man in de kosten van deze procedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 101742 / KG ZA 03-452

Datum vonnis: 25 juli 2003

Vonnis

in kort geding

in de zaak van

mevrouw A,

wonende te Culemborg,

eiseres,

procureur mr. E.L.M. Louwen,

tegen

meneer B,

wonende te Culemborg,

gedaagde,

advocaat mr. S.H. Gaertman te Utrecht.

Het verloop van de procedure

Eiseres - hierna te noemen de vrouw - heeft gedaagde - hierna te noemen de man - ter zitting in kort geding doen dagvaarden en gevorderd als weergegeven in de dagvaarding. Namens beide partijen zijn producties overgelegd.

De procureur van de vrouw en de advocaat van de man hebben de zaak bepleit, laatstgenoemde overeenkomstig de door haar voor de zitting overgelegde pleitnotitie.

De man heeft geconcludeerd tot weigering van de gevorderde voorzieningen.

De voorzieningenrechter heeft de kinderen van partijen gehoord op 21 juli 2003.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De vaststaande feiten

Op grond van de stellingen van partijen en de inhoud van de producties – alles voor zover niet dan wel onvoldoende weersproken – staat voorshands het volgende vast:

1. Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie zijn geboren:

— minderjarige zoon, op 22 juli 1989 te Tiel, en

— minderjarige dochter, op 17 september 1992 te Tiel.

De kinderen zijn door de man erkend. De vrouw heeft van rechtswege - alleen - het ouderlijk gezag.

2. Bij beëindiging van de relatie heeft de vrouw op 13 december 2002 de woning verlaten en is verhuisd, waarbij dochter is meegegaan met de vrouw en zoon is achtergebleven bij de man. Dochter verbleef hierna de ene week bij de vrouw en de andere week bij de man. Met Zoon heeft zij nadien ongeveer tien keer omgang gehad.

3. Sinds 28 mei 2003 verblijft ook Dochter volledig bij de man. De vrouw heeft thans twee maal per week telefonisch contact met Zoon. Zij heeft sinds voormelde datum geen contact met Dochter.

De vordering

1. De vrouw vordert de man te veroordelen:

a. tot afgifte van de kinderen binnen twee dagen na betekening van dit vonnis, met machtiging aan de vrouw dit indien noodzakelijk te bewerkstelligen met behulp van de sterke arm, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- per dag of gedeelte daarvan, dat de man weigerachtig blijft aan deze veroordeling te voldoen,

b. met veroordeling van de man in de kosten van deze procedure.

2. De vrouw stelt zich daarbij op het standpunt dat zij als gezaghebbende ouder de verblijfplaats van de kinderen kan bepalen. Zij is van mening dat de kinderen door de man worden beïnvloed in hun keuze om bij hem te blijven wonen. Zij acht het echter in het belang van de kinderen dat zij bij haar wonen. De vrouw vindt het haar taak als gezaghebbende ouder de kinderen tegen de man te beschermen. Zij is van mening dat zij in de huidige situatie haar gezag niet kan uitoefenen. De vrouw is bereid om via mediation te proberen een oplossing te vinden voor het geschil met betrekking tot de kinderen.

3. De man voert gemotiveerd verweer tegen de vordering en stelt zich daarbij op het standpunt dat de kinderen zelf de keuze hebben gemaakt bij hem te wonen. Indien zij willen kunnen zij omgang hebben met de vrouw. De man voert aan dat hij, ten tijde van de samenwoning van de partijen, de dagelijkse zorg voor de kinderen had. Met betrekking tot het gezag over de kinderen stelt de man dat de partijen wel van plan waren om tot gezamenlijk gezag over de kinderen te komen maar dat zij door omstandigheden daaraan niet zijn toegekomen en dat vervolgens vanwege de beëindiging van de relatie het gezamenlijk gezag uiteindelijk niet meer is gerealiseerd.

De man is evenals de vrouw bereid door middel van mediation de problemen op te lossen maar onder de voorwaarde dat de vrouw hetgeen besproken wordt tijdens de bemiddeling niet bespreekt met de kinderen.

De beoordeling van de vordering

1. Het spoedeisend belang vloeit voort uit de stelling van de vrouw.

2. Vooropgesteld moet worden dat het ouderlijk gezag de bevoegdheid omvat de verblijfplaats van de kinderen te bepalen. Echter bij uitoefening van dit recht dient het belang van de minderjarigen voorop te staan.

3. Bij uitoefening van het gezag gaat wat het kind dienaangaande zelf vindt, naarmate het ouder en rijper wordt, steeds meer gewicht in de schaal leggen. Deze zienswijze is ook bevestigd in het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind.

4. Uit het verhoor van de voorzieningenrechter met Zoon, bijna 14 jaar, en Dochter is gebleken dat de kinderen behoefte hebben aan duidelijkheid omtrent hun situatie. Zij hebben een duidelijke mening omtrent hun verblijfplaats en hun omgang met hun ouders. Dochter wil bij haar vader wonen en omgang met haar moeder zoals dat voorheen was, mits eerst vaststaat tussen haar ouders dat zij bij haar vader woont. Zoon wil bij zijn vader blijven wonen; dat is voor hem duidelijk en daar voelt hij zich veilig. Hij wil wel weer omgang met zijn moeder. Beide kinderen hebben behoefte aan begeleiding in de omgang met de vrouw in die zin dat er afspraken over worden gemaakt.

5. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningrechter zal, gelet op het bovenstaande, afgifte van de kinderen aan de vrouw door de executie van het vonnis voor hen een zeer traumatische ervaring kunnen zijn en is dit derhalve niet in hun belang. De vordering van de vrouw zal dan ook worden afgewezen.

6. De ouders hebben echter de verantwoordelijkheid en de verplichting om in het belang van hun kinderen duidelijkheid te scheppen over de gezagsvoorziening, de gewone verblijfplaats van de kinderen en de omgang met de ouder bij wie ze hun gewone verblijfplaats niet hebben.

Daarom zal de voorzieningenrechter, nu geen van beide partijen daartoe stappen heeft gezet, bepalen dat binnen zes weken na dagtekening van dit vonnis een bodemprocedure (ex art. 1:253c BW) aanhangig moet zijn gemaakt, bij gebreke waarvan de vrouw zich weer tot de rechter in kort geding zal kunnen wenden, waardoor duidelijkheid ontstaat over deze kwesties.

Dit neemt niet weg dat partijen gedurende deze procedure alsnog door mediation tot een oplossing van hun geschillen kunnen komen.

7. Gelet op de relatie die tussen partijen heeft bestaan zullen de kosten van dit kort geding worden gecompenseerd.

De beslissing

De voorzieningenrechter

1. weigert de gevorderde voorzieningen,

2. bepaalt dat binnen zes (6) weken na dagtekening van dit vonnis de bodemprocedure als genoemd in overweging 6 aanhangig dient te zijn gemaakt,

3. compenseert de proceskosten tussen de partijen in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.N. Dijkstra en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier drs. M. van der Wel op 25 juli 2003.

de griffier de rechter