Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2003:AI1067

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
06-08-2003
Datum publicatie
19-01-2004
Zaaknummer
02/21 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WW-uitkering ex-medewerker.

Verweerder heeft het bezwaar ongegrond verklaard wat betreft de aanwijzing van eiseres als werkgever in de zin van de Wet Premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeids-ongeschiktheidsverzekeringen (Wet Pemba) en niet-ontvankelijk verklaard wat betreft de bepaling van de hoogte van het dagloon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector bestuursrecht

Reg.nr.: 02/21 WAO

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

B.V. Cabinebouw Warmtetechniek Nederland C.W.N.,

gevestigd te Ede, eiseres,

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemers-verzekeringen (UWV), rechtsopvolger van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv), verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 22 november 2001, uitgereikt door Gak Nederland bv, kantoor Arnhem.

2. Procesverloop

Op 5 juni 2000 is [medewerkster] uitgevallen in haar werkzaamheden als [functie] bij eiseres. Bij besluit van 10 juli 2001 heeft verweerder aan [medwerkster] per 4 juni 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Tegen dit besluit heeft eiseres tijdig bezwaar gemaakt. Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard wat betreft de aanwijzing van eiseres als werkgever in de zin van de Wet Premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeids-ongeschiktheidsverzekeringen (Wet Pemba) en niet-ontvankelijk verklaard wat betreft de bepaling van de hoogte van het dagloon.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 20 december 2001 beroep bij de rechtbank ingesteld, waarna de gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 29 maart 2002.

Verweerder heeft bij brief van 26 februari 2002 een verweerschrift ingediend.

Bij beslissing van 11 maart 2002 heeft de rechtbank, kort samengevat, bepaald dat de kennisneming van een aantal gedingstukken niet wordt toegestaan aan eiseres maar uitsluitend wordt voorbehouden aan een door eiseres aan te wijzen arts, advocaat of andere gemachtigde.

Eiseres heeft bij brief van 29 maart 2002 nog nadere stukken ingezonden.

Eiseres, verweerder en [medewerkster] zijn uitgenodigd voor de behandeling van het beroep ter zitting op 4 juli 2003. Eiseres en verweerder zijn, zoals tevoren bericht, niet verschenen.

[medewerkster] is verhuisd zonder de rechtbank daarvan op de hoogte te stellen en de rechtbank heeft haar nieuwe adres niet kunnen achterhalen. Zij is evenmin ter zitting verschenen.

3. Overwegingen

Ingevolge artikel 9, tweede lid, van de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (hierna: de Invoeringswet) geldt een besluit dat door het Lisv of namens dit instituut door een uitvoeringsinstelling is genomen als een besluit van het UWV. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Invoeringswet, voor zover hier van belang, treedt (de Raad van Bestuur van) het UWV in bestuursrechtelijke gedingen waarin het Lisv partij is in zijn plaats.

Eiseres heeft het besluit van 22 november 2001 gemotiveerd bestreden. Op haar stellingen zal de rechtbank, voor zover nodig, hieronder ingaan.

Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder haar ten onrechte als werkgever in de zin van de Wet Pemba heeft aangemerkt.

De rechtbank overweegt hieromtrent dat verweerder eiseres een afschrift van het aan [medewerkster] (hierna: betrokkene) gerichte

besluit van 10 juli 2001 tot toekenning van een WAO-uitkering heeft verzonden. In de begeleidende brief heeft verweerder aangegeven dat eiseres als (ex)werkgever mede-belanghebbende bij dat besluit is. Voormelde grief van eiseres is tegen deze passage gericht.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiseres terecht als belanghebbende bij het besluit van 10 juli 2001 heeft aangemerkt, zodat deze grief faalt. Daarbij is het volgende van belang.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, van het Besluit premiedifferentiatie WAO wordt bij de vaststelling van het individuele werkgeversrisico-percentage het totaalbedrag van de ten laste van de Arbeids-ongeschiktheidskas komende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen,

die in het tweede kalenderjaar vóór het premiejaar zijn betaald aan werknemers die bij het intreden van de arbeidsongeschiktheid als bedoeld in het vijfde lid, in dienstbetrekking stonden tot een werkgever, meegenomen. Niet in geschil is dat betrokkene op dat moment (5 juni 2000) in dienstbetrekking stond tot eiseres. De aan betrokkene toegekende WAO-uitkering speelt derhalve een rol bij de werkgeverspremie die eiseres vanaf 2003 verschuldigd is.

Anders dan door eiseres is gesteld, is in dit verband niet van belang of verweerder eiseres heeft betrokken bij het ziekteverloop van betrokkene dan wel anderszins in haar taakuitoefening tekort is geschoten. Evenmin is relevant hoe lang betrokkene voor eiseres heeft gewerkt.

Met eiseres is de rechtbank evenwel van oordeel dat verweerder haar bezwaar ter zake van de vaststelling van het dagloon ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Daartoe wordt overwogen dat het besluit van 10 juli 2001, inclusief de daaraan ten grondslag liggende dagloonberekening, een elementair onderdeel is van de (toekomstige) besluitvorming leidend tot de premievaststelling ingevolge de WAO. Gelet op het bepaalde in artikel 87e van de WAO is het eiseres niet toegestaan met deze grief te wachten tot het moment waarop zij van verweerder een premiebesluit ontvangt. In voornoemd artikel is bepaald dat het bezwaar of beroep van een werkgever tegen de premie-opslag of -korting niet kan zijn gegrond op de grief dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Verweerder heeft derhalve ten onrechte het betreffende bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Het voorgaande brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met artikel 7:11 van de Awb moet worden vernietigd. Verweerder dient in een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiseres inhoudelijk in te gaan op de hoogte van het dagloon.

Voor dit geding ten overvloede, deels ter voorlichting van eiseres voegt de rechtbank aan het vorenstaande nog het volgende toe.

Eiseres heeft daarnaast aangevoerd dat zij, gelet op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van url(''20 juli 2001 '',../../uitspraak/showdetail_homepage.asp?ljn=ab2857) (USZ 2001/199) recht heeft op inzage in de medische stukken die aan de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid van betrokkene ten grondslag zijn gelegd.

De rechtbank moet in dit verband vaststellen dat eiseres geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid die haar bij de in rubriek 2 vermelde beslissing van de rechtbank van 11 maart 2002 is geboden om een arts, een advocaat of een andere gemachtigde aan te wijzen.

Geconcludeerd moet daarom worden dat eiseres het aan zichzelf heeft te wijten dat namens haar geen inzage in deze stukken is verkregen. Anders dan eiseres heeft gesteld, brengt de jurisprudentie van de CRvB niet mee dat eiseres een zelfstandig recht op inzage in de medische stukken heeft, indien de betrokken werknemer daarvoor geen toestemming verleent.

Voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb zijn geen termen aanwezig nu van voor vergoeding in aanmerking komende kosten niet is gebleken. Wel dient verweerder op grond van artikel 8:74, eerste lid, van de Awb aan eiseres het griffierecht te vergoeden.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond voor zover bij het bestreden besluit het bezwaar ter zake het dagloon niet-ontvankelijk is verklaard;

- vernietigt het bestreden besluit in zoverre;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- bepaalt voorts dat het UWV aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ad € 218,= vergoedt.

Aldus gegeven door mr. F.H. de Vries als rechter en in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2003 in tegenwoordigheid van

mr. E.M Vermeulen als griffier.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 6 augustus 2003

Coll: