Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2003:AI1065

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
06-08-2003
Datum publicatie
19-01-2004
Zaaknummer
AWB 02/1901
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Functiewaardering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector bestuursrecht

Reg.nr.: AWB 02/1901

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[eiser],

wonende te [woonplaats], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Buren, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 25 juli 2002, bekendgemaakt op 30 juli 2002.

2. Procesverloop

Bij besluit van 5 februari 2002, bekendgemaakt op 8 februari 2002, heeft verweerder de functiebeschrijving Medewerker [functie] (code […]) vastgesteld en deze functie gewaardeerd.

Het hiertegen door eiser (tijdig) ingediende bezwaar is door verweerder bij het in rubriek 1 aangeduide besluit ongegrond verklaard.

Het tegen dit besluit (tijdig) ingediende beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 4 juli 2003. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. W.J. Dammingh, werkzaam bij Abvakabo te Utrecht. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door C.J.M. Reijmer, ambtenaar der gemeente.

3. Overwegingen

De rechtbank stelt voorop dat de bij het bestreden besluit in stand gelaten functiebeschrijving tot stand is gekomen met toepassing van de "Procedureregeling organieke functiebeschrijving en -waardering gemeente Buren". Zoals blijkt uit de benaming van deze regeling, alsmede uit de toelichting bij de conceptbeschrijving, zoals op 31 januari 2001 aan de medewerkers van verweerders gemeente is toegezonden, betreft het een organieke functiebeschrijving die niet is gebaseerd op de feitelijke werkzaamheden die eiser reeds verrichtte, maar op de invulling van de functie zoals die verweerder voor ogen staat.

De beschrijving van een organieke functie vormt naar haar aard een vrije bevoegdheid van het bestuursorgaan, zodat een terughoudende rechterlijke toetsing is aangewezen. Dit neemt niet weg dat dergelijke beschrijvingen op een voldoende feitelijke grondslag dienen te berusten. Een beschrijving mag niet zo vaag zijn dat niet of nauwelijks inzicht wordt gegeven in het concrete samenstel van werkzaamheden en de organisatorische setting daarvan (vgl. CRvB 14 november 2002, TAR 2003/77).

De door verweerder vastgestelde beschrijving van de functie Medewerker [functie] voldoet naar het oordeel van de rechtbank niet aan dit criterium. De in die beschrijving opgenomen hoofdtaken en bijbehorende kernactiviteiten geven immers nauwelijks inzicht in de aard en diepgang van de functie, terwijl evenmin - overeenkomstig de eisen die het betreffende functiewaarderings-systeem stelt - is gebleken van gegevens waarin is aangegeven op welke wijze opdrachten worden verstrekt en welke regels, voorschriften en wetten in acht moeten worden genomen. Ook bij een beschrijving op hoofdlijnen dienen deze elementen (tenminste op summiere wijze) terug te komen en zo nodig van een toelichting te worden voorzien.

De terminologie die verweerder in de beschrijvingen hanteert biedt in dit opzicht onvoldoende houvast.

Het bestreden besluit is bovendien onvoldoende gemotiveerd omdat in casu sprake is van een beschrijving die in overwegende mate terugwerkende kracht heeft en verweerder niet bevredigend heeft aangegeven waarom voorbij is gegaan aan een aantal door eiser (tijdig) ingebrachte, niveaubepalende werkzaamheden die hem in de periode vanaf 1 januari 1999 concreet zijn opgedragen. De rechtbank is niet kunnen blijken dat verweerder ten tijde van het opstellen van de beschrijving een reëel beeld had van het kader waarbinnen eiser moest functioneren, onder meer wat betreft de mate waarin hij inhoudelijk door de afdeling […] werd aangestuurd.

Nu de functiebeschrijving onvoldoende inzicht biedt in het niveau van de functie, is de daarop gebaseerde waardering eveneens onvoldoende gemotiveerd. Ook in zoverre dient het bestreden besluit daarom te worden vernietigd.

Het beroep is mitsdien gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 644,- zijnde de kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiser dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 644,-, te betalen door de gemeente Buren;

bepaalt voorts dat de gemeente Buren aan eiser het door hem betaalde griffierecht ad € 109,-- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. F.H. de Vries als rechter en in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2003 in tegenwoordigheid van mr. E.M. Vermeulen als griffier.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 6 augustus 2003

Coll: