Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2003:AI0765

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
21-07-2003
Datum publicatie
05-08-2003
Zaaknummer
Reg.nr.: 02/656
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Besluit tot aanwijzing als specifieke slachterij in verband met varkenspest door staatssecretaris van LNV ingetrokken wegens niet voldoende meewerken. Rechtbank acht dit besluit onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd omdat deze grond voor intrekking niet is komen vast te staan. Geen hoor en wederhoor.

Uitspraak bevestigd door ABRS; LJN AO7975

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector bestuursrecht

Reg.nr.: 02/656

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

Compaxo Vlees Zevenaar BV,

gevestigd te Zevenaar, eiseres,

en

de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 18 februari 2002

2. Procesverloop

Bij besluit van 6 juni 1997 is namens verweerder een eerder besluit van 27 mei 1997 tot aanwijzing van het bedrijf van eiseres als slachthuis voor het slachten van varkens afkomstig uit het toezichtsgebied Baarle-Nassau ingetrokken.

Bij uitspraak van 22 oktober 2001, nr. 99/1940, heeft de rechtbank het besluit van 2 september 1999 op het namens eiseres tegen het besluit van 6 juni 1997 ingediende bezwaarschrift vernietigd en bepaald dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen.

Bij besluit van 18 februari 2002 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 6 juni 1997 ongegrond verklaard.

Namens eiseres is tijdig beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen. Het beroep is op 12 juni 2003 ter zitting behandeld, waarbij namens eiseres de medewerkers B.J. Schennink en C.N.M. van der Post, alsmede mr. R. van Rees, advocaat te Gouda, en namens verweerder mr. H.C.M. Borman-Nijman en J. Rojer, ambtenaren ten departemente, aanwezig waren.

3. Overwegingen

Het bestreden besluit is namens verweerder genomen door de Teamleider rechtsbescherming, mr. C.J.M. Oudshoorn. Blijkens artikel 2, aanhef en onder a en b van de toepasselijke mandaatregeling van 17 augustus 1998, in werking getreden op 23 augustus 1998, strekt het mandaat van deze teamleider, voor zover hier relevant, tot het nemen van beslissingen op bezwaar voor zover deze conform het advies van de Commissie voor de bezwaarschriften (hierna: bezwaarcommissie) luiden, dan wel voor zover geen advies bij de bezwaarcommissie is ingewonnen.

Voorafgaand aan voormelde uitspraak van de rechtbank d.d. 22 oktober 2001 heeft de bezwaarcommissie verweerder geadviseerd het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. Na de vernietiging door de rechtbank van de (gelijkluidende) beslissing op bezwaar is, zo is ter zitting namens verweerder medegedeeld, besloten geen nieuw advies aan de bezwaarcommissie te vragen.

In deze omstandigheden moet naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat het bestreden besluit niet berust op een advies van de bezwaar-commissie, zodat voormelde teamleider, gelet op artikel 2, aanhef en onder b van de mandaatregeling, bevoegd was tot het nemen van dit besluit. Ook overigens ziet de rechtbank geen beletselen om de zaak ten gronde te beoordelen.

Uit de gedingstukken is de rechtbank het volgende gebleken.

In verband met het uitbreken van klassieke varkenspest is Baarle-Nassau omstreeks mei 1997 aangewezen als toezichtsgebied, hetgeen meebrengt dat varkens afkomstig uit dat gebied uitsluitend naar specifiek aangewezen slachterijen mogen worden gebracht. Op 16 juni 1997 is het toezichtsgebied Baarle-Nassau opgeheven. Op eigen verzoek is het bedrijf van eiseres op 27 mei 1997 door tussenkomst van het Centraal Orgaan voor de Vleeshandel (een niet tot de overheid behorend samenwerkingsverband van varkensbedrijven dat door verweerder als coördinerende instantie is ingeschakeld, hierna: COV), als zodanig aangewezen. Ingevolge artikel 3 van Beschikking 97/308/EG van de Europese Commissie van 22 mei 1997 inzake het merken en het gebruik van varkensvlees overeenkomstig artikel 9 van Richtlijn 80/217 EEG van de Raad met betrekking tot Nederland, ziet Nederland erop toe dat de slachthuizen die zijn aangewezen voor het slachten van de in artikel 1, eerste lid, bedoelde varkens - kort gezegd de varkens die uit het toezichtsgebied afkomstig zijn en aan een aantal voorwaarden voldoen - op dezelfde dag geen andere slachtvarkens opnemen. Tussen eiseres en verweerder is afgesproken dat de slachtlijn van eiseres met ingang van 30 mei 1997 iedere vrijdag beschikbaar zou zijn voor deze bijzondere slachtprocedure.

Aan de besluiten van 6 juni 1997 en 18 februari 2002 ligt ten grondslag dat op een zodanig ongelukkig moment vlak voor de op 6 juni 1997 geplande bijzondere slachtprocedure is gebleken dat deze geen doorgang kon vinden, dat niet meer onvoorwaardelijk kon worden vertrouwd op de deelname van eiseres aan deze procedure. Deze annulering heeft volgens verweerder aanzienlijke organisa-torische problemen en veterinaire risico’s veroorzaakt.

Eiseres heeft het bestreden besluit gemotiveerd aangevochten. Op haar stellingen zal de rechtbank, voor zover nodig, in het navolgende ingaan.

Gesteld noch gebleken is dat de regelgeving met betrekking tot de aanwijzing van slachterijen als hier aan de orde voorschriften omtrent het intrekken van deze aanwijzingen bevat. Evenmin is in het besluit tot aanwijzing van het bedrijf van eiseres aangegeven in welke gevallen dit besluit kan worden ingetrokken. Dit brengt mee dat de rechtbank de intrekking van de aanwijzing, die moet worden gekwalificeerd als de uitoefening van een discretionaire bevoegdheid, uitsluitend kan toetsen aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, al dan niet gecodificeerd in de Awb.

Een besluit tot intrekking van een begunstigende beschikking, zoals hier aan de orde, dient (onder meer) te voldoen aan de eisen van zorgvuldige voorbereiding en draagkrachtige motivering. Zulks geldt met name indien daarbij aanzienlijke (financiële) belangen van betrokkenen aan de orde zijn.

Eiseres heeft, ter onderbouwing van haar standpunt dat ten onrechte tot intrekking van de aanwijzing is overgegaan, aangevoerd dat niemand op of vlak voor 6 juni 1997 namens eiseres jegens verweerder en/of de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees (hierna RVV) heeft aangegeven dat de op 6 juni 1997 geplande slacht geen doorgang kon vinden, zodat van een afmelding of annulering geen sprake is. Zij acht het besluit tot intrekking van de aanwijzing daarom onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.

De rechtbank moet op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting vaststellen dat verweerder niet aannemelijk heeft weten te maken dat door of namens eiseres op of vlak voor 6 juni 1997 jegens verweerder dan wel de RVV is aangegeven dat op die datum geen bijzondere slachtprocedure kon plaats-vinden. Zo heeft verweerder in dit verband geen faxen, telefoonnotities o.i.d. kunnen overleggen.

Evenmin heeft verweerder kunnen afgaan op de enkele telefonische mededeling van de zijde van het COV richting RVV dat de slacht geen doorgang zal vinden.

Zonder nader onderzoek respectievelijk gegevens kan daaruit niet worden afgeleid dat eiseres haar slachtlijn op 6 juni 1997 niet beschikbaar heeft gesteld.

Zonder nader onderzoek valt geenszins uit te sluiten dat eiseres haar slachtlijn wel beschikbaar hield, maar dat Dumeco heeft geweigerd de door eiseres te slachten varkens te leveren tegen een eerder overeengekomen prijs. Dat eiseres haar slachtlijn wel beschikbaar heeft gehouden is ook hierom niet op voorhand onaannemelijk, nu zij tevens van plan was een aanzienlijk aantal eigen varkens uit Baarle-Nassau te slachten; voor die varkens was in ieder geval geen sprake van enig geschil omtrent de in rekening te brengen prijs.

Het beroep is mitsdien gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb.

Voor zover eiseres in haar beroep heeft betoogd dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte heeft geweigerd schadevergoeding toe te kennen, moet worden vastgesteld dat namens eiseres reeds bij brief van 3 december 2001, derhalve voorafgaand aan het onderhavige beroep, bij verweerder om vergoeding van schade is verzocht. Derhalve kan de rechtbank niet met toepassing van artikel 8:73 van de Awb een veroordeling tot schadevergoeding uitspreken.

Het voorgaande brengt mee dat het bestreden besluit in zoverre een primair besluit op een verzoek tot het nemen van een zuiver schadebesluit betreft.

Dit betekent dat het betreffende deel van het beroep door verweerder als bezwaarschrift dient te worden afgehandeld.

Wat betreft de door eiseres gevorderde vergoeding van de proceskosten in de bezwaarfase overweegt de rechtbank als volgt. Ingevolge het overgangsrecht bij de Wet kosten bestuurlijke voorprocedures dient deze vordering naar het voor 12 maart 2002 geldende recht te worden beoordeeld. Blijkens de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijven deze kosten in beginsel voor rekening van eiseres en komen zij alleen in bijzondere gevallen voor vergoeding in aanmerking. Van een dergelijke bijzondere situatie is naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de omstandigheden ten tijde van het primaire besluit, geen sprake, zodat deze vordering wordt afgewezen.

De rechtbank acht termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van eiseres. Deze kosten worden begroot op € 644,- ter zake van rechtsbijstand en van andere kosten in dit verband is niet gebleken.

Zulks leidt, mede gezien artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit en gelast verweerder een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiseres te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van

€ 644,- te betalen door de Staat der Nederlanden;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden het door eiseres gestorte griffierecht van

€ 218,- aan haar vergoedt;

- bepaalt dat het beroep, voor zover gericht op het verkrijgen van schade-vergoeding (anders dan de proceskosten in de bezwaarfase) naar verweerder wordt doorgezonden ter behandeling als bezwaar.

Aldus gegeven door mr. J.J. Penning als rechter en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2003, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Vermeulen als griffier.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto artikel 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA ’s-Gravenhage.

Verzonden op: 21 juli 2003