Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2003:AI0736

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
16-07-2003
Datum publicatie
04-08-2003
Zaaknummer
85384/ HA ZA 02-469
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voorlichting bij afsluiten nieuwe hypotheek zou onvoldoende zijn geweest, waardoor schade is ontstaan. Onvolledige of onjuiste informatieverstrekking is onvoldoende komen vast te staan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 85384 / HA ZA 02-469

Datum vonnis: 16 juli 2003

Vonnis

in de zaak van

1. X,

2. Y

echtelieden, wonende te Z,

eisers bij dagvaarding van 21 maart 2002,

procureur mr. C. van Zalingen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MAKELAARS- EN ASSURANTIEKANTOOR B B.V.,

gevestigd te Echteld,

gedaagde,

procureur mr. J.M.J. Huver,

advocaat mr. M.C.J. Peters te Arnhem.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als X c.s. en B.

1. Het verloop van de procedure

In deze procedure is bij dagvaarding een eis ingesteld. Daarbij zijn 7 producties in het geding gebracht. Daarna is een conclusie van antwoord genomen met 17 producties.

Bij tussenvonnis van 6 juni 2002 is een comparitie van partijen gelast. Ter uitvoering van dit tussenvonnis is een comparitie van partijen gehouden. Het proces-verbaal daarvan bevindt zich bij de stukken.

Bij gelegenheid van de comparitie van partijen op 24 juli 2002 heeft de rechtbank een mondeling tussenvonnis gewezen.

Ter uitvoering van dit tussenvonnis heeft getuigenverhoor plaatsgevonden. De processen-verbaal van enquête en contra-enquête bevinden zich bij de stukken. Nadien zijn nog de volgende processtukken gewisseld:

* een conclusie na getuigenverhoor en comparitie van de zijde van X c.s.;

* een conclusie na getuigenverhoor en comparitie van de zijde van B met 4 producties.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De vaststaande feiten

2.1 B exploiteert een makelaars- en assurantiekantoor. De heer Q was in de jaren 1998 en 1999 in dienst van B als adviseur. Thans is hij directeur/grootaandeelhouder van B.

2.2 X c.s. hadden tot september 1999 een hypothecaire geldlening (een spaaroptimaalhypotheek) bij de Rabobank Betuweland. Daarnaast hadden zij een aantal leningen/kredieten bij andere instellingen. In verband met de arbeidsongeschiktheid van de heer X ontvingen X c.s. in 1999 via N.V. Interpolis uit hoofde van een hypotheekbeschermingsverzekering, die was gekoppeld aan de hypothecaire geldlening bij de Rabobank, een uitkering van f. 1.068,= / € 484,64 per maand. Deze uitkering vond telkens achteraf per kwartaal plaats.

2.3 Na advisering en bemiddeling door Q namens B hebben X c.s. op 17 september 1999 een nieuwe hypothecaire geldlening afgesloten bij de ABN-AMRO Bank ter hoogte van f. 340.000,=. Een gedeelte van deze geldlening is aflossingsvrij en een gedeelte bestaat uit een meegroeihypotheek. Uit deze geldlening is de hypothecaire geldlening bij de Rabobank (pro resto f. 216.687,= / € 98.328,27) afgelost.

2.4 Nadat X c.s. hadden geconstateerd dat eind 1999 de uitkering op grond van hun hypotheekbeschermingsverzekering door Interpolis was stopgezet, hebben zij zich gewend tot Interpolis en tot hun rechtsbijstandverzekeraar Stichting Achmea Rechtsbijstand (hierna: Achmea), waar mevrouw W hun zaak heeft behandeld. Bij brief van 31 december 1999 heeft Interpolis mevrouw W van Achmea meegedeeld dat Interpolis door de Rabobank Betuweland was ingelicht dat X c.s. hun hypothecaire geldlening bij de Rabobank per 20 september 1999 hadden afgelost en dat ingevolge de artikelen 14.2 en 14.2.2 van de polisvoorwaarden van de hypotheekbeschermingsverzekering bij beëindiging van de Rabobank hypotheek het recht op de hypotheekbeschermingsuitkering verviel.

2.5 Bij brieven van 21 februari 2000 en 14 november 2000 van Achmea is B door X c.s. aansprakelijk gesteld voor de door hen geleden en nog te lijden schade als gevolg van de beëindiging van hun hypotheekbeschermingsverzekering, waardoor zij geen uitkering uit hoofde van deze verzekering meer ontvangen.

2.6 Op 12 december 2000 hebben X c.s. een klacht ingediend bij de Ombudsman Levensverzekering van de Stichting Klachteninstituut Verzekeringen. De Ombudsman Verzekeringen heeft bij brieven van 5 juli 2001 aan Achmea en B meegedeeld dat hij de klacht niet voor toewijzing vatbaar acht.

3. Het geschil

3.1 X c.s. stellen dat zij door Q, namens B, onjuist, althans onvolledig zijn voorgelicht en geadviseerd met betrekking tot het oversluiten van hun oude hypotheek (bij de Rabobank) naar een nieuwe hypotheek (bij de ABN-AMRO Bank). X c.s. verkeerden in de veronderstelling dat hun hypotheekbeschermingsverzekering ook aan de nieuwe ABN-AMRO Bank hypotheek gekoppeld zou zijn en daarom gewoon door zou lopen. Na aflossing van de Rabobank hypotheek is de hypotheekbeschermingsverzekering echter geëindigd en is hun uitkering op basis van deze verzekering komen te vervallen. X c.s. stellen dat B jegens hen toerekenbaar tekort is geschoten, danwel onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld. Ten gevolge van dit handelen hebben zij schade geleden en lijden zij nog altijd schade, tot vergoeding waarvan zij B gehouden achten. Berekend vanaf september 1999 tot en met februari 2002 bedraagt de schade op grond van de niet ontvangen uitkering inmiddels f. 32.040,= / € 14.539,12.

3.2 X c.s. vorderen, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, B te veroordelen tot de door hen geleden en nog in de toekomst te lijden schade, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 1 januari 2000, althans vanaf een door de rechtbank te bepalend datum, welke schade nader op te maken is bij staat en te vereffenen volgens de wet, en voorts B te veroordelen om bij wege van voorschot op de hiervoor bedoelde schade te betalen een bedrag van € 14.539,12, met veroordeling van B in de kosten van de procedure.

3.3 B heeft gemotiveerd verweer gevoerd en primair gesteld dat Q voorafgaand aan het sluiten van de nieuwe hypotheek door X c.s. nooit is ingelicht over de arbeidsongeschiktheid van de heer X en evenmin over het bestaan van een hypotheek-beschermingsverzekering van Interpolis ten behoeve van de Rabobank hypotheek. Van een tekortkoming van haar zijde kan volgens haar dan ook geen sprake zijn. Geheel subsidiair, indien de rechtbank van oordeel is dat er wel sprake is geweest van enige tekortkoming van B jegens X c.s., meent B dat X c.s. moeten aantonen dat sprake was van arbeidsongeschiktheid van de heer X en dat deze arbeidsongeschiktheid langdurig van aard was. Voorts betwist B, eveneens bij wege van subsidiair verweer, de door X c.s. gestelde schade alsmede de hoogte daarvan.

4. De beoordeling van het geschil

4.1 Bij mondeling tussenvonnis van 24 juli 2002 heeft de rechtbank overwogen dat voor de beoordeling van de zaak relevant is dat komt vast te staan of, voordat de akte bij de notaris werd gepasseerd, de heer en/of mevrouw X aan de heer Q kenbaar hebben gemaakt dat zij een hypotheekbeschermingsverzekering hadden en/of dat de heer X in de ziektewet liep.

4.2 X c.s. hebben aangeboden dit bewijs te leveren en hebben daartoe vijf getuigen doen horen: de heer en mevrouw X zelf (partij-getuigen), hun dochter. X, mevrouw W, juridisch medewerker bij Stichting Achmea Rechtsbijstand, en de heer B, bedrijfsjurist en een kennis van de heer X.

4.3 B heeft in de contra-enquête drie getuigen doen horen: de heer Q, de heer Z, ondernemer en ex-verloofde van de dochter van X c.s., en mevrouw E, bedrijfsjuriste in dienst van de Bavam, de beroeps-aansprakelijkheidsverzekeraar van B.

4.4 X c.s. stelden aanvankelijk in de procedure dat het eerste gesprek met Q over hun hypotheeksituatie in mei/juni 1999 plaatsvond, toen Q de familie X bezocht in verband met het sluiten van een hypotheek ten behoeve van hun dochter en diens toenmalige verloofde. Uit de diverse getuigenverhoren, waaronder die van de heer en mevrouw X zelf, is gebleken dat dit eerste gesprek eerder, in januari 1999 (volgens de heer X, mevrouw X en hun dochter) danwel in november 1998 (volgens Q) heeft plaatsgevonden. Op grond van de diverse getuigenverklaringen kan ook worden vastgesteld dat dit gesprek een informeel en oriënterend karakter had. Tijdens het tweede gesprek (volgens de heer en mevrouw X in mei 1999, volgens Q op 6 juli 1999), dat op verzoek van X c.s. tot stand is gekomen, is meer concrete informatie aan de orde gekomen, zoals de gegevens van de Rabobank hypotheek, de hoogte van het inkomen van X c.s. en dergelijke. Volgens Q zijn er daarna nog twee gesprekken geweest, op 20 en 28 juli 1999.

4.5 Ten aanzien van de vraag of X c.s. Q in deze gesprekken hebben geïnformeerd over de arbeidsongeschiktheid van de heer X en over de hypotheekbeschermingsverzekering van Interpolis die ten behoeve van de Rabobank hypotheek was gesloten, leggen de partijen tegenstrijdige verklaringen af.

4.6 De heer X verklaart over het gesprek in mei danwel juli 1999:

“Ik heb tijdens dat gesprek aan de heer Q gezegd dat ik wilde dat de verzekeringen bij de oude hypotheek intact zou blijven. Ik bedoel hiermee mijn levensverzekering en hypotheekbeschermingsverzekering. Dit heb ik zo met name genoemd. (…) In het tweede gesprek met de heer Q (in mei 1999), maar ook in latere gesprekken, heb ik hem gezegd dat ik ziek ben. Ik heb hem toen ook gezegd dat ik iedere maand een uitkering van f. 1.068,= van Interpolis ontvang op basis van mijn hypotheek-beschermingsverzekering. (…) In het gesprek in mei 1999 heb ik aan de heer Q een aantal financiële papieren meegegeven: loonstroken van ik denk september 1998, de hypotheekakte, polis van de levens-verzekering, en een polis van de hypotheekbeschermingsverzekering.”

4.7 De dochter van X c.s. verklaart over het gesprek in januari 1999:

“Mijn vader heeft toen duidelijk gevraagd of in geval van oversluiten van zijn hypotheek er geen verzekeringen verloren zouden gaan. De heer Q zei daarop dat het geen probleem hoefde te zijn om de verzekering die aanvulling was op de hypotheek mee te nemen in geval van oversluiten van de hypotheek. Mijn vader vertelde dat hij ziek was en daarom een aanvulling had op zijn hypotheek, ik neem aan dat hij doelde op een verzekering. Hij omschreef aan de heer Q welke verzekering hij had en waarom. Mijn vader vertelde dat hij net voor die tijd een aantal hartinfarcten had gehad en ook psychische problemen had als gevolg daarvan. (…) Ik weet niet of mijn vader aan de heer Q heeft gezegd in dat gesprek of hij nog werkte of niet. (…) Er kwam ter sprake dat mijn vader een uitkering kreeg op basis van de verzekering die ter aanvulling was op de hypotheek. Met een aanvulling op de hypotheek bedoel ik een financiële tegemoetkoming op de hypotheek. Ik denk in geval van arbeidsongeschikt-heid zoals wat mijn vader toen had.”

4.8 Mevrouw X verklaart:

“Ons eerste gesprek, ik denk in januari 1999, begon over de ziekte van mijn man. (…) Mijn man heeft aan de heer Q verteld dat hij op dat moment niet werkte, hij zat ziek thuis zo vertelde hij. (...) Ik weet zeker dat mijn man tijdens het eerste gesprek de heer Q heeft gemeld dat wij een hypotheekbeschermingsverzekering hebben.”

4.9 Mevrouw W van Achmea Rechtsbijstand verklaart dat Q haar op 3 januari 2000 heeft gebeld. Zij zegt zeker te weten dat hij haar toen heeft verteld dat er in zijn gesprekken met de heer en mevrouw X voorafgaande aan de oversluiting is besproken dat zij een hypotheekbeschermingsverzekering hadden. Q zou tegenover haar hebben gezegd dat hij steken heeft laten vallen. Q zou ook bij Interpolis hebben geïnformeerd of het om een losse polis ging, die mee kon bij het oversluiten van de hypotheek.

4.10 Tegenover deze verklaringen staat de verklaring van Q:

“In geen van die drie gesprekken is gezegd dat zij een hypotheekbeschermingsverzekering hadden. De heer X vertelde dat hij werkte, bij Vogelenzang in Rhenen, en dat hij daar overuren maakte.(…) Ook in juli 1999 hebben de heer en mevrouw X er niets over gezegd dat de heer X niet werkte, dat hij ziek was. Ik heb ook een loonstrook gekregen, dat was een oude. (…) Ik blijf erbij, (…), dat de heer en mevrouw mij niet verteld hebben over de hypotheekbescherming, en ook niet over het tijdelijk niet werken van de heer X. De heer X heeft alleen gesproken over een levenpolis. Dat is een spaarpolis gekoppeld aan de hypotheek, daar is gewoon conversie op mogelijk. Ik heb ook geen polis van een hypotheekbeschermingsverzekering van de familie X meegekregen, ik heb zo’n polis nooit gezien.”

Over de verklaring die mevrouw W van Achmea op dit punt heeft afgelegd, verklaart Q:

”Ik heb die woorden niet gebruikt. Het was zo dat zij probeerde mij woorden in de mond te leggen, zij probeerde mij te laten zeggen dat ik een fout had gemaakt. (…) Ik heb tegen mevrouw W uitdrukkelijk gezegd dat zij mij wel verteld hadden over de spaarpolis maar niet over de hypotheek-beschermingsverzekering. (…) Ik heb niet met Interpolis gebeld, maar met de Rabobank, en gevraagd of de polis overdraagbaar was. Daarmee bedoelde ik de spaarpolis. (…) Ik weet niet meer of ik de spaarpolis van de familie X van hen heb ontvangen. Ik kreeg van hen bankafschriften met betrekking tot hun hypotheek te zien en ik meen dat ik een saldo van de spaarpolis heb gezien.”

4.11 Mevrouw E verklaart dat Q haar telefonisch de zaak uiteen heeft gezet en dat zij hem heeft gevraagd of hij op de hoogte was geweest van de hypotheekbeschermingsverzekering van de heer X en van zijn arbeidsongeschiktheid. Q zou haar daarop uitdrukkelijk hebben geantwoord dat hij daarvan niet op de hoogte was geweest.

4.12 Uit de diverse getuigenverklaringen blijkt dat partijen wel gesproken hebben over een polis. Kennelijk heeft Q daarbij van aanvang aan de – aan de Rabobank hypotheek gekoppelde – spaarpolis voor ogen gehad, terwijl X c.s. kennelijk (ook nog) een andere polis bedoelden. Maar uit de verklaringen is onvoldoende gebleken dat door X c.s. met Q met zoveel woorden is gesproken over een “hypotheekbeschermingsverzekering”. De dochter van X c.s. spreekt van een “verzekering die een aanvulling gaf op de hypotheek”. Dat laat echter ruimte over voor onduidelijkheid. Aan de Rabobank hypotheek was immers (ook) een spaarpolis gekoppeld. Ook uit andere verklaringen blijkt van enige onduidelijkheid. De heer X verklaart namelijk ook:

“Ik heb tijdens dat gesprek aan de heer Q gezegd dat ik wilde dat de verzekeringen bij de oude hypotheek intact zou blijven. (…) Toen de uitkeringen stopten was ik verbaasd. Ik wist niet dat de hypotheek-beschermingsverzekering opgezegd werd. Ik dacht namelijk dat deze niet gekoppeld was aan de hypotheek bij de Rabobank.”

Evenmin blijkt uit de verklaring van de heer X of Q stukken heeft gekregen waaruit blijkt dat de heer X arbeidsongeschikt was. De heer X verklaart daarover immers:

“In het gesprek in mei 1999 heb ik aan de heer Q een aantal financiële papieren meegegeven (…). Dagafschriften waaruit bleek wat ik aan arbeidsongeschiktheidsuitkering en wat ik aan uitkering van Interpolis kreeg zaten niet in de map, die bewaarde ik apart. En ik geloof niet dat ik dagafschriften aan de heer Q heb laten zien.”

4.13 In de verklaring van mevrouw X is niet steeds duidelijk welke verzekering(en) zij bedoelde:

“Ik ben in de veronderstelling dat de uitkering van f. 1.068,= op basis van een levensverzekering geschiedde. Voor zover ik weet was deze levensverzekering de enige verzekering die gekoppeld was aan de hypotheek bij de Rabobank. (…) Ik denk dat de beschermingsverzekering en de levensverzekering dezelfde verzekering is.(…) Ten aanzien van de bij de hypotheek behorende verzekeringen heeft mijn man enkel herhaald wat hij tijdens het eerste gesprek ook al had gezegd. Hij zei tegen de heer Q dat de verzekering die gekoppeld was aan de spaaroptimaal-hypotheek wel mee over moest op de nieuwe hypotheek.”

Mevrouw X verklaart voorts dat er meerdere loonstroken aan Q zouden zijn gegeven waaruit bleek dat haar man ziek was, maar daarentegen verklaren zowel de heer X als Q dat er een loonstrook uit 1998 is overgelegd (X noemt september, Q november 1998, deze laatste datum komt overeen met de loonstrook die in deze procedure is overgelegd).

4.14 Q zegt dat de heer X alleen gesproken heeft over een levenpolis. Dat is volgens hem een spaarpolis gekoppeld aan de hypotheek en daar is conversie op mogelijk. Q zegt ook tegen W van Achmea te hebben gezegd dat de familie X een spaarpolis had. Hij zegt naar de overdraagbaarheid van deze polis te hebben geïnformeerd bij de Rabobank. Q verklaart dat de heer X in een gesprek op 30 december 1999 heeft gezegd dat hij niet wist of hij het tegen Q destijds wel goed geformuleerd had.

4.15 De rechtbank is op grond van de diverse getuigenverklaringen van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat X c.s. Q, voorafgaand aan het passeren van de notariële akte, aan Q kenbaar hebben gemaakt dat de heer X arbeidsongeschikt was en dat zij ten behoeve van hun Rabobank hypotheek een hypotheekbeschermingsverzekering hadden, op grond waarvan zij tot dan toe een uitkering ontvingen in verband met die arbeidsongeschiktheid. Behalve dat de verklaringen van de heer en mevrouw X (als partijgetuigen) en hun dochter (welke verklaring mede in het licht moet worden bezien van haar familiebetrekking tot X c.s.) ruimte laten voor twijfel, worden deze verklaringen weersproken door Q en is geen nader, aanvullend bewijs voorhanden dat de stellingen van X c.s. kan onderschrijven. De verklaringen van W en B zijn daarvoor ongeschikt. W en B zijn niet bij de gesprekken tussen X c.s. en Q aanwezig geweest en zijn pas eind 1999 over het een en ander geïnformeerd.

4.16 De rechtbank overweegt voorts nog dat de vraag zou kunnen opkomen of Q in de gegeven omstandigheden zelf bij X c.s. naar de mogelijke aanwezigheid van een hypotheekbeschermings-verzekering had moeten informeren. Het antwoord op die vraag moet naar het oordeel van de rechtbank negatief luiden. De rechtbank is ermee bekend dat de combinatie van een hypotheek met een (vorm van een) levensverzekering een gangbare en veelvuldig voorkomende combinatie is, maar gesteld noch gebleken is dat dat ook zou gelden voor de combinatie van een hypotheek met een hypotheek-beschermingsverzekering. Nu niet is bewezen dat Q op de hoogte was van de (langdurige) arbeidsongeschiktheid van de heer X, is er geen reden aan te nemen dat er voor hem aanleiding was om naar de aanwezigheid van een dergelijke verzekering te informeren.

4.17 Het voorgaande betekent dat de vordering van X c.s. niet voor toewijzing vatbaar is. Nu het primaire verweer van B slaagt, kunnen de overige verweren verder onbesproken blijven.

4.18 X c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure worden veroordeeld.

5. De beslissing

De rechtbank

wijst de vordering af,

veroordeelt X c.s. in de kosten van de procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van B bepaald op € 1.560,= wegens salaris en € 275,= wegens griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.L. Drabbe en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2003.

de griffier de rechter

Coll.: KV