Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2003:AI0624

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
30-07-2003
Datum publicatie
30-07-2003
Zaaknummer
Zaak/rolnummer: 77586 HA/ZA 2001/1467
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De Gelderse Ontwikkelingsmaatschappij eist van ex-directeur en 8 anderen schadevergoeding wegens het in omloop brengen van valse facturen. Op grond van een Fiod-onderzoek komt de rechtbank tot de conclusie dat de GOM benadeeld is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak/rolnummer: 77586 HA/ZA 2001/1467

Uitspraak : 30 juli 2003

Vonnis

in de (hoofd)zaak van

1. de naamloze vennootschap

GELDERSE ONTWIKKELINGSMAATSCHAPPIJ “GOM”,

statutair gevestigd te Arnhem,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GOM SERVICES B.V.,

gevestigd te Arnhem,

eisers in conventie bij dagvaardingen van 1, 3 en 7 augustus 2001,

verweerders in (voorwaardelijke) reconventie,

verweerders in het provisionele incident,

procureur mr. J.A.M.P. Keijser,

advocaat mr. W. Aerts,

beiden te Nijmegen,

tegen:

1. X,

wonende te Z,

2. Y,

wonende te Z,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

sub 1 tevens eiser in het provisionele incident,

procureur mr. F.J. Perquin,

advocaat mr. J.Th.M. Palstra,

beiden te Nijmegen,

3. Q,

wonende te Z,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RIVERSIDE BUSINESS B.V.,

gevestigd te Nijmegen,

gedaagden in conventie,

eisers in voorwaardelijke reconventie,

procureur mr. J.M. Bosnak,

advocaat mr. M.P.H. Winters,

beiden te Arnhem,

5. T,

wonende te Z,

6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AEOLUS RISC MANAGEMENT B.V.,

gevestigd te Rozendaal, kantoorhoudende te Elst,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

procureur en advocaat mr. E.M. Vos te Nijmegen,

7. K,

wonende te Z,

8. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MOGO ONTWIKKELINGSMAATSCHAPPIJ B.V.,

gevestigd te Arnhem, kantoorhoudende te Groot-Ammers,

gedaagden,

procureur mr. F.J. Boom te Arnhem,

advocaat mr. A. van Hees te Amsterdam,

9. W,

wonende te Z,

gedaagde in conventie,

eiser in voorwaardelijke reconventie,

procureur mr. J.M. Bosnak,

advocaat mr. M.P.H. Winters,

beiden te Arnhem.

Het verloop van de procedure

Voor het eerdere verloop van de procedure wordt verwezen naar het vonnis van 28 februari 2002. Daarna zijn nog de volgende processtukken gewisseld:

-conclusie van antwoord in conventie en van eis in voorwaardelijke reconventie van Q en Riverside,

-conclusie van antwoord in conventie en van eis in voorwaardelijke reconventie van W,

-conclusies van repliek in conventie en van antwoord in reconventie van GOM en GOM Services jegens Q/Riverside en T/ Aeolus (telkens met vijf producties),

-conclusie van repliek van GOM en GOM Services jegens Mogo en K (met zes producties)

-conclusie van repliek in conventie, tevens houdende akte vermindering van eis en van antwoord in reconventie van GOM en GOM Services jegens W (met twee producties),

-conclusies van dupliek in conventie en van repliek in reconventie van X (met twee producties) en van Y,

-conclusies van dupliek in conventie en van voorwaardelijke repliek in reconventie van Q/Riverside en van W (met twee producties),

-conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie, tevens akte houdende aanvulling van eis in reconventie van T en Aeolus (met twee producties),

-conclusie van dupliek van Mogo en K met één productie,

-akte in reconventie van X,

-akte houdende vermeerdering van eis in reconventie van X met vier producties,

-incidentele conclusie in reconventie tot een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv van X,

-conclusie van dupliek in reconventie van GOM en GOM Services jegens X, tevens houdende verzet tegen de vermeerdering van eis, en van antwoord in het incident

-conclusies van dupliek in reconventie van GOM en GOM Services jegens Y, Q/Riverside, T Aeolus en W.

Daarna hebben GOM/GOM Services, X, Y, Mogo en K de zaak bepleit. Daarbij is door GOM/GOM Services en X/Y gepleit aan de hand van pleitnotities. Deze maken deel uit van de gedingstukken. Ten slotte is vonnis bepaald.

De vaststaande feiten

1.1. Voor de feiten wordt allereerst verwezen naar hetgeen daarover in het tussen GOM/GOM Services, X en Y gewezen provisionele vonnis van deze rechtbank van 3 januari 2002 onder 2 is neergelegd. Daaraan kan nog het volgende worden toegevoegd.

1.2. Y is in de periode 1990 - 1997 als controller bij GOM in dienst geweest. Y en X wonen sedert geruime tijd samen op het adres Vondellaan 95 te Arnhem.

1.3. Q was in 1996 en 1997 directeur en enig aandeelhouder van Riverside en hij is dat ook thans nog.

1.4. T is directeur en enig aandeelhouder van T Beheer B.V. T Beheer was tot 4 november 1998 directeur en enig aandeelhouder van Eigenwijs B.V. (hierna Eigenwijs). Daarna heeft T Beheer de aandelen verkocht en geleverd aan Mitose Risico Beheer B.V. Bij akte van 8 december 1998 is de statutaire naam van Eigenwijs gewijzigd in Aeolus Risc Management B.V.

1.5. Mogo is opgericht op 15 december 1995 met als doel het saneren en ontwikkelen van onroerend goedprojecten. GOM en de besloten vennootschap Mourik Groot-Ammers B.V., van welke laatste vennootschap K statutair bestuurder is, participeerden in Mogo door middel van een aandelenbelang van ieder 50%. GOM en Mourik BV werden als statutaire bestuursleden van Mogo aangesteld. Feitelijk namen zijdens de GOM X en namens Mourik BV K de vervulling van de bestuurstaken van Mogo op zich.

1.6. Op 21 juni 1996 hebben GOM en Mogo een overeenkomst met elkaar gesloten waarbij onder andere werd afgesproken dat GOM in de jaren 1996, 1997 en 1998 “ter compensatie van de inspanningen voor een goede ontwikkeling van het Billiton bedrijventerrein” een jaarlijkse vergoeding van f 370.000,-- exclusief omzetbelasting zal ontvangen van Mogo.

1.7. W heeft in 1994 gehandeld onder de naam “Beeldt in Tekst.”

Het geschil in conventie en in reconventie

2. GOM en GOM Services vorderen:

a. X te veroordelen aan GOM en GOM Services te betalen een bedrag van

f 2.153.902,78, te vermeerderen met de (verdere) wettelijke rente over de hoofdsom ad f 1.515.550,-- vanaf 1 augustus 2001 tot de dag der algehele voldoening en met de bepaling dat op dit bedrag in mindering strekt hetgeen de gedaagden 3 t/m 9 eerder aan GOM en/of GOM Services zullen blijken te hebben betaald,

b. Q/Riverside (hoofdelijk) te veroordelen aan GOM Services te betalen een bedrag van f 392.209,98, te vermeerderen met de (verdere) wettelijke rente over de hoofdsom ad f 352.500,-- vanaf 1 augustus 2001 tot de dag der algehele voldoening,

c. T/Aeolus (hoofdelijk) te veroordelen aan GOM Services te betalen een bedrag van f 707.285,24, te vermeerderen met de (verdere) wettelijke rente over de hoofdsom ad f 510.000,-- vanaf 1 augustus 2001 tot de dag der algehele voldoening,

d. K/Mogo (hoofdelijk) te veroordelen aan GOM te betalen een bedrag van

f 649.237,26, te vermeerderen met de (verdere) wettelijke rente over de hoofdsom ad f 500.000,-- vanaf 1 augustus 2001 tot de dag der algehele voldoening,

e. W te veroordelen aan GOM te betalen een bedrag van in hoofdsom (na vermindering van eis) f 117.500,--, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van de verduistering tot aan die der restitutie,

f. te verklaren voor recht dat de tegen Y ingeroepen nietigheid in rechte wordt erkend met de veroordeling van Y om de hierdoor ontstane benadeling van GOM en GOM Services op te heffen door betaling aan laatstgenoemden van het waardeverschil tot een bedrag van f 150.000,--.

3. GOM en GOM Services hebben aan die vorderingen met betrekking tot de verschillende gedaagden, zakelijk samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.

a. X heeft in de periode dat hij statutair directeur was bij GOM en GOM Services ten laste van hen gelden verduisterd door aan derden (de gedaagden sub 3 t/m 9) opdracht te geven tot het maken van valse facturen, welke in opdracht van X door GOM en GOM Services werden betaald, waarna X deze door derden ontvangen gelden liet overmaken op zijn privé bankrekeningen c.q. op bankrekeningen waarover hij feitelijk en als enige de beschikking had, respectievelijk betalingen te zijnen gunste liet verrichten. Aldus heeft X zich jegens GOM en GOM Services schuldig gemaakt aan een onrechtmatige daad, dan wel zijn taak als bestuurder onbehoorlijk vervuld, op grond waarvan hij gehouden is de als gevolg daarvan aangerichte schade aan GOM en GOM Services te vergoeden. GOM en GOM Services begroten deze schade op een bedrag van tenminste (in hoofdsom) f 1.515.550,--.

b. Q heeft in 1996 en 1997 in samenwerking met of op verzoek van X valse facturen op naam van Riverside opgesteld met het oogmerk deze facturen als echt en onvervalst te gebruiken in die zin, dat op deze facturen omschrijvingen werden vermeld die niet met de werkelijkheid overeenkwamen. Als gevolg daarvan werden gelden, die aan GOM Services toekwamen, verduisterd. Aldus hebben Q en Riverside zich samen met X schuldig gemaakt aan een onrechtmatige daad en zijn zij samen met X hoofdelijk gehouden de als gevolg daarvan door hen aangerichte schade aan GOM Services te vergoeden. GOM Services begroot deze schade op een bedrag van tenminste (in hoofdsom) f 352.500,--.

c. T heeft in 1994 en 1995 in samenwerking met of op verzoek van X valse facturen op naam van Eigenwijs opgesteld met het oogmerk deze facturen als echt en onvervalst te gebruiken in die zin, dat op deze facturen omschrijvingen werden vermeld die niet met de werkelijkheid overeenkwamen. Als gevolg daarvan werden gelden, die aan GOM Services toekwamen, verduisterd. Aldus hebben T en Aeolus zich samen met X schuldig gemaakt aan een onrechtmatige daad en zijn zij samen met X hoofdelijk gehouden de als gevolg daarvan door hen aangerichte schade aan GOM Services te vergoeden. GOM Services begroot deze schade op een bedrag van tenminste

(in hoofdsom) f 510.000,--.

d. K heeft in 1997 in samenwerking met of op verzoek van X valse facturen op naam van Mogo opgesteld met het oogmerk deze facturen als echt en onvervalst te gebruiken in die zin, dat op deze facturen omschrijvingen werden vermeld die niet met de werkelijkheid overeenkwamen. Als gevolg daarvan werden gelden, die aan GOM toekwamen, verduisterd. Aldus hebben K en Mogo zich samen met X schuldig gemaakt aan een onrechtmatige daad en zijn zij samen met X hoofdelijk gehouden de als gevolg daarvan door hen aangerichte schade aan GOM te vergoeden. GOM begroot deze schade op een bedrag van tenminste (in hoofdsom) f 500.000,--.

e. W heeft zich in 1994 onrechtmatig jegens GOM gedragen door mee te werken aan verduistering in dienstbetrekking door X door het opstellen van een of meer valse facturen, in ieder geval een factuur met als datum 12 december 1994, waarvan W wist dat de inhoud daarvan niet met de waarheid overeenkwam. Aldus heeft W zich samen met X schuldig gemaakt aan een onrechtmatige daad en is hij samen met X hoofdelijk gehouden de als gevolg daarvan door hen aangerichte schade aan GOM te vergoeden. GOM begroot deze schade (na vermindering van eis) op tenminste (in hoofdsom) f 117.500,--.

f. Y heeft in maart 2000 van X gekocht en geleverd gekregen de woning aan de Vondellaan 95 te Arnhem voor een prijs die ver beneden de werkelijke waarde lag. Zowel Y als X wisten dat schuldeisers van X, waaronder GOM en GOM Services, door deze transactie benadeeld zouden worden. Y heeft geweigerd de door GOM en GOM Services bij brief van 26 juli 2001 ingeroepen nietigheid van bedoelde paulianeuze verkoop en levering buiten rechte te erkennen.

4. De gedaagden hebben het gevorderde gemotiveerd weersproken op gronden die hierna aan de orde zullen komen. De gedaagden X, Y, Q/Riverside, T/Aeolus, en W hebben van hun kant (voorwaardelijk) in reconventie gevorderd:

X (na vermeerdering van eis):

a. GOM en GOM Services hoofdelijk te veroordelen aan hem te betalen een bedrag van f 100.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 30 augustus 2001. Hij stelt daartoe dat GOM en GOM Services hem in zijn eer en goede naam hebben aangetast door de feiten in deze zaak onnodig te kwalificeren als een misdrijf en onnodig te stellen dat hij zich aan een misdrijf heeft schuldig gemaakt.

b. GOM te veroordelen aan hem te betalen € 54.424,74, zijnde de wettelijke rente over € 317.646,15 vanaf 31 december 1999 tot 1 mei 2002 als gevolg van het door GOM op 24 december 1999 onder APM gelegde onrechtmatige beslag.

c. GOM te veroordelen tot vergoeding aan hem van de overige schade die hij heeft geleden als gevolg van voormeld onrechtmatig gelegd beslag, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

d. het door GOM en GOM Services op 1 mei 2002 opnieuw onder APM gelegde conservatoire derdenbeslag op te heffen.

e. GOM en GOM Services te veroordelen aan hem te betalen de wettelijke rente over € 372.070,89 ingaande 1 mei 2002, alsmede tot vergoeding van de overige schade die X heeft geleden als gevolg van het door GOM en GOM Services op 1 mei 2002 onder APM gelegde conservatoire derdenbeslag, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

f. het door GOM en GOM Services op de woning aan de Vondellaan 95 te Arnhem gelegde conservatoire beslag op te heffen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van f 25.000,-- per dag.

Y:

g. het door GOM en GOM Services op de woning aan de Vondellaan 95 te Arnhem gelegde conservatoire beslag op te heffen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van f 25.000,-- per dag.

Q/Riverside en W ieder, voor het geval hun hierna te bespreken verweer in conventie niet slaagt:

h. GOM en GOM Services hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan Q, respectievelijk Riverside, respectievelijk W tot hetzelfde bedrag of de bedragen waartoe zij in conventie zullen zijn veroordeeld.

T en Aeolus (na wijziging van eis):

i. te verklaren voor recht dat primair GOM en GOM Services hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die T en/of Eigenwijs (Aeolus) zullen lijden tengevolge van het onrechtmatig handelen waarvoor X in conventie aansprakelijk wordt gehouden. Voorts hebben zij gevorderd GOM en GOM Services hoofdelijk te veroordelen aan T respectievelijk Eigenwijs (Aeolus) te betalen dezelfde bedragen waartoe laatstgenoemden in conventie zijn veroordeeld.

5. GOM en GOM Services hebben de vorderingen in reconventie gemotiveerd weersproken.

De beoordeling van het geschil

In conventie

6. X, Q/Riverside, K/Mogo en W hebben allereerst opgeworpen dat de dagvaarding niet voldoet aan de eisen van artikel 5 lid 3 Rv (oud), zodat deze nietig moet worden verklaard.

Dat de dagvaarding niet voldoet aan de eisen van genoemd artikel kan wel worden aangenomen. De dagvaarding vermeldt niet concreet welke facturen vals zouden zijn opgemaakt en evenmin waarin de valsheid van die facturen zou zijn gelegen. De feitelijke gronden voor hetgeen deze gedaagden wordt verweten ontbreken dus. Het voorschrift van artikel 5 lid 3 heeft tot strekking te waarborgen dat voor de gedaagde voldoende duidelijk is wat hem wordt verweten opdat hij zich daartegen kan verweren. Het voorschrift geldt krachtens de artikelen 91 en 94 Rv (oud) op straffe van nietigheid met dien verstande dat de rechter een beroep op nietigheid zal dienen te verwerpen, wanneer het gebrek van dien aard is dat de gedaagde daardoor niet in zijn verdediging is benadeeld.

Voor de beoordeling of daarvan sprake is, is het volgende van belang. Bij conclusie van repliek in conventie hebben GOM en GOM Services de vereiste helderheid over de grondslag van hun vorderingen, onder overlegging van de bedoelde facturen en verwijzing naar passages uit het overgelegde Fiod-rapport, alsnog verschaft. De gedaagden hebben zich daartegen vervolgens bij dupliek in conventie kunnen verweren, zoals zij ook hebben gedaan. X, K en Mogo hebben ook bij gelegenheid van het pleidooi hun verweer nog nader kunnen toelichten. Dat alles leidt ertoe dat moet worden geoordeeld dat de gedaagden door het aanvankelijk, later geheelde, gebrek in de dagvaarding niet onredelijk in hun verdediging zijn geschaad, zodat het beroep op de nietigheid van de dagvaarding op die grond moet worden verworpen. Dat Q, Riverside en W niet zijn komen pleiten maakt de beslissing wat hen betreft niet anders. Zij hebben de mogelijkheid tot verdere verdediging immers zelf onbenut gelaten.

De vordering jegens X

7. X heeft zich verder beroepen op het gezag van gewijsde van het door deze rechtbank op 25 augustus 2002 tussen X (als eiser in conventie, verweerder in reconventie) en GOM (als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie) gewezen vonnis.

Dat beroep gaat niet op. De reconventionele vordering van GOM in die procedure was gebaseerd op onbehoorlijk bestuur en betrof het verwijt aan X dat hij in ruime mate en zonder de commissarissen van GOM daarvan in kennis te stellen, garanties en garantie-achtige verklaringen had verstrekt aan derden. Van die verwijten is er uiteindelijk één concreet overgebleven, de zogenoemde “MBC-garantie”. De vordering in de onderhavige zaak betreft andere feiten met een andere kwalificatie (vervalsing/verduistering) en betreft dus een andere rechtsbetrekking dan die in geschil was in de vorige zaak.

8. Bij conclusie van repliek in conventie hebben GOM en GOM Services de door hen gestelde verduistering van gelden nader uitgewerkt in “Verduistering I”, “Verduistering II” en “Verduistering III”, onder verwijzing naar het door hen overgelegde proces-verbaal met nummer 17408, opgemaakt door de Fiscale Inlichtingen en Opsporingsdienst, bestaande uit drie ordners met processen-verbaal van verhoor (genummerd V01 t/m V05 en G01 t/m G23) met 186 bijlagen.

Deze gestelde verduisteringen zullen hierna afzonderlijk worden besproken.

Verduistering I

9. Bij de stukken (bijlagen 84 t/m 86) bevinden zich de navolgende drie facturen van Stichting Werk, een stichting waarvan X en T bestuurders waren, aan Eigenwijs (T):

? een factuur van 15 december 1994 met nummer 941203 ad f 246.750,--,

? een factuur van 17 december 1995 met nummer 941204 ad f 117.500,--,

? een factuur van 3 oktober 1995 (ongenummerd) ad f 323.125,--.

De factuur met nummer 941204 ad f 117.500,-- heeft Eigenwijs op haar beurt op 18 december 1994 doorgefactureerd aan Beeldt in Tekst (W). De desbetreffende factuur, met nummer 94218 bevindt zich als bijlage 88 bij de stukken. Eigenwijs en Beeldt in Tekst (W) hebben deze facturen ook daadwerkelijk aan Stichting Werk betaald.

10. Als bijlagen 89 t/m 91 en 93 bevinden zich voorts bij de stukken facturen van Eigenwijs en Beeldt in Tekst aan GOM en GOM Services en wel als volgt:

? een factuur van 12 december 1994 van Eigenwijs aan GOM Services met nummer 94212 ad f 293.750,--,

? een factuur van 1 oktober 1995 van Eigenwijs aan GOM Services met nummer 95126 ad f 470.000,--,

? een creditfactuur van 22 december 1995 van Eigenwijs aan GOM Services met nummer 95135 ad f 164.500,--,

? een factuur van 12 december 1994 van Beeldt in Tekst aan GOM met nummer 94-111-C ad f 235.000,--.

Het totaal van de facturen van Eigenwijs aan GOM Services bedraagt f 599.250,--. GOM en GOM Services hebben deze facturen ook daadwerkelijk aan Eigenwijs en Beeldt in Tekst (W) betaald.

11. T en W hebben over de hiervoor genoemde facturen tegenover de politie, blijkens hun verklaringen aangeduid als V05/03, V05/05 en V04/01 onder meer het volgende verklaard:

T:

“Deze facturen (met nummers 941203 en 941204, zie hiervoor onder 9; de rechtbank) heb ik van X gekregen. Ik weet niet welke werkzaamheden Stichting Werk voor de GOM heeft gedaan. De Stichting heeft geen werkzaamheden voor Eigenwijs verricht. Deze facturen hangen samen met de hiervoor aan mij getoonde facturen aan GOM Services (met nummers 95212, 95135 en 95126, zie hiervoor onder 10; de rechtbank) en Beeldt in Tekst (met nummer 94218, zie hiervoor onder 9; de rechtbank). Ik heb die facturen in opdracht van X opgemaakt. Ik heb de vraag gekregen om dit zo af te wikkelen omdat mij werd gezegd dan men bij de GOM wilde dat deze facturen via een communicatiebureau en in dit geval via Eigenwijs zou lopen. Ik heb hierover nooit twijfels gehad. Ik had het volste vertrouwen in de GOM en X. Ik heb aan Stichting Werk nooit opdracht gegeven om de werkzaamheden zoals op de facturen van Stichting Werk staat (te verrichten, de rechtbank). De Stichting heeft de diensten nooit geleverd aan Eigenwijs. Ik heb die rekeningen betaald omdat ik die bedragen weer mocht doorfactureren aan de GOM en Beeldt in Tekst. Hiervoor heb ik geen diensten verleend tot die bedragen die betrekking hebben op de facturen van Stichting Werk. Ik begrijp nu dat ik als intermediair ben gebruikt. De door u aan mij getoonde facturen van f 470.000,-- -/- f 164.500,-- mocht ik van X factureren aan de GOM ter betaling door Eigenwijs aan Stichting Werk. Dit geldt ook voor de facturen aan GOM Services en Beeldt in Tekst. U houdt mij voor dat de omschrijvingen op de facturen niet kunnen kloppen omdat Stichting Werk geen diensten heeft geleverd aan Eigenwijs en Eigenwijs in dit kader geen diensten heeft geleverd aan de GOM, GOM Services en Beeldt in Tekst. Ik begrijp dat de facturen dus vals zijn (…)”.

Uit het procesverbaal blijkt verder dat T met betrekking tot de factuur van 3 oktober 1995 ad f 323.125,-- (als onder 9 genoemd) heeft verklaard, nadat hem was gezegd dat X daarover had verklaard dat die factuur betrekking heeft op de inzet van het schilderij, dat wil zeggen het complex van schilderijen genaamd “De Nieuwe Parade” van Ernst Bosch, en het vervaardigen van reclamemateriaal en dat het een vergoeding betreft voor Eigenwijs voor de inzet en het gebruik in alle mogelijke uitingen van het schilderij:

“Ik kan mij dat niet herinneren, dat die opdracht aan Eigenwijs verstrekt zou zijn. Ik kan mij niet voorstellen dat Eigenwijs dat gedaan zou hebben”.

W:

“ Dit (de factuur met nummer 941204, de rechtbank) ligt in dezelfde lijn als de vorige factuur. Ik heb van X vernomen dat Eigenwijs ook betrokken is geweest bij “het Gelders Vermogen”. Ik heb T wel eens gesproken maar nooit concreet over deze factuur. X heeft mij gezegd dat er een factuur van Eigenwijs naar mij zou komen omdat Eigenwijs ook voor “Het Gelders Vermogen” adviseerde. Hij heeft ook gezegd dat ik deze factuur kon doorfactureren aan de GOM. T heeft geen diensten rechtstreeks aan mij geleverd. Mijn bedrijf is als intermediair gebruikt om de adviesdiensten van Eigenwijs aan GOM te declareren (…). Ik heb doorgefactureerd aan de GOM op waarschijnlijk mijn factuur genummerd 94-111-C van 12 december 1994, omdat ik altijd zoiets doorfactureer voordat ikzelf aan derden moet betalen (…) Strikt genomen is de factuur vals te noemen als je in ogenschouw neemt dat door Eigenwijs niet rechtstreeks diensten aan mij zijn geleverd”.

12. Uit de verklaring van T volgt dat de Stichting Werk nimmer werkzaamheden voor Eigenwijs heeft verricht en dat Eigenwijs evenmin diensten aan GOM heeft geleverd tot de in de hierboven bedoelde factuurbedragen. Uit de verklaring van W volgt dat T/Eigenwijs geen werkzaamheden voor Beeldt in Tekst heeft/hebben verricht en Beeldt in Tekst (tot het bedrag van

f 117.500,--) evenmin voor GOM. De hiervoor genoemde facturen zijn dus in zoverre, zoals T en W zelf ook verklaren, vals.

13. X heeft de verklaringen van T en W, in samenhang met de onder 9 en 10 genoemde facturen onvoldoende gemotiveerd betwist, zodat aangenomen moet worden dat de feitelijke gang van zaken is geweest zoals T en W hebben verklaard (zie echter op één punt onder 14.b en 16). Kort weergegeven komt die erop neer dat zowel X als T als W ervan op de hoogte waren en er ook rechtstreeks zelf de hand in hebben gehad dat facturen werden opgemaakt en verzonden die daadwerkelijk werden betaald, terwijl de daarin genoemde werkzaamheden niet waren/werden verricht. Dat GOM en GOM Services, die uiteindelijk de facturen betaalden daardoor zouden kunnen worden benadeeld is evident. Die kans was ook zodanig dat ieder van de hiervoor genoemde gedaagden zich had dienen te onthouden van de hiervoor omschreven gedragingen. Zelfs indien door reconstructie van geldstromen achteraf aannemelijk zou zijn dat GOM en GOM Services per saldo niet financieel zouden zijn benadeeld door de betalingen zoals die hebben plaatsgevonden en dus geen schade zouden hebben geleden (zie verder hierna) laat het onverlet dat het leggen van dwaalsporen door middel van valse facturen in verband met de hiervoor bedoelde kans op benadeling onrechtmatig is. De conclusie is dan ook dat X, alsmede T en W, zoals hierna voor ieder van deze gedaagden nog zal worden overwogen, onrechtmatig jegens GOM en GOM Services hebben gehandeld en dat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de als gevolg daarvan door GOM en GOM Services geleden schade. Wat X betreft verdient daarbij nog opmerking dat zo zijn handelen al niet los van wanprestatie in de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst een zelfstandige onrechtmatige daad jegens GOM en GOM Services oplevert, zijn gedragingen met opzet of daaraan grenzende roekeloosheid zijn verricht, zodat het bepaalde in art. 7:661 lid 1 BW niet aan toewijsbaarheid van de vordering in de weg staat.

14. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat GOM en GOM Services de valse facturen uiteindelijk hebben betaald tot een totaalbedrag f 716.750,--( GOM Services tot een bedrag van f 599.250,-- en GOM tot een bedrag van f 117.5000,--). X heeft erkend dat het bedrag van f 716.750,-- is “aangeland” bij de Stichting Werk, maar heeft opgeworpen dat GOM en GOM Services uiteindelijk tot het totale factuurbedrag ad f 716.750,-- zijn gebaat. Hij heeft daarvoor aangevoerd dat:

a. een bedrag van f 364.250,-- (inclusief omzetbelasting) door Stichting Werk is betaald aan IMA International B.V., een participatie van GOM;

b. Eigenwijs f 323.125,-- inclusief omzetbelasting heeft betaald aan Stichting Werk (zie de onder 9 genoemde factuur van 3 oktober 1995) en dit aan GOM in rekening heeft gebracht voor het gebruik en het recht op de opbrengst van het schilderijencomplex “De Nieuwe Parade” van Ernst Bosch;

c. X door hem persoonlijk ten behoeve van GOM gemaakte kosten van in totaal f 29.375 aan Eigenwijs in rekening heeft gebracht, die dit bedrag aan GOM heeft doorbelast.

15. Met betrekking tot het verweer sub 14.a heeft X verwezen naar de bijlagen 127 en 128 van het rapport van de FIOD. Bijlage 127 betreft een factuur van IMA aan Wopex (een vennootschap onder firma waarvan X en zijn broer beherend vennoot waren) tot een bedrag van f 105.570,-- in verband met “onderzoek en kosten naar mogelijke vermarkting van het produkt Pantaskoop”. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien hoe GOM/GOM Services daarmee kunnen zijn gebaat. Uit bijlage 128 blijkt dat Stichting Werk een bedrag van f 105.750,-- aan IMA heeft geleend en dat IMA dat bedrag weer aan de stichting moet terugbetalen. Ook hier geldt dat zonder een nadere toelichting, die eveneens ontbreekt, volstrekt niet duidelijk is hoe GOM en GOM Services daarmee kunnen zijn gebaat. Datzelfde geldt voor het verweer van X dat nadien nogmaals bedragen tot in totaal f 100.000,-- door Stichting Werk aan IMA ter leen zijn verstrekt. Van X mocht worden verwacht dat hij een toelichting naar aanleiding van het door hem gevoerde verweer zou hebben gegeven. Bij gebreke daarvan moet zijn verweer als onvoldoende onderbouwd worden gepasseerd. X heeft op dit punt nog wel aangevoerd dat IMA zich zodanig correct jegens haar handelscrediteuren heeft gedragen dat geen IMA handelscrediteur GOM ooit als garant heeft aangesproken, maar dat betekent niet dat GOM tot de geleende bedragen is gebaat.

16. Met betrekking tot het verweer sub 14.b heeft X aanvankelijk gesteld dat het daar genoemde factuurbedrag betrekking heeft op een vergoeding voor de bruikleen door of ten behoeve van GOM/GOM Services van het schilderijencomplex dat verworven was door en eigendom was van de Stichting Werk. Later, bij gelegenheid van het pleidooi, heeft X aangevoerd dat GOM daarmee tevens de eigendom verwierf van het schilderijencomplex. Dat verweer is zo inconsistent, dat daaraan reeds daarom moet worden voorbijgegaan, nog daargelaten dat X de door hem gestelde en door GOM betwiste eigendomsoverdracht niet met bescheiden heeft kunnen staven. Als de Stichting Werk het schilderijencomplex aan GOM/GOM Services had verkocht en geleverd zou een factuur terzake van de koopprijs van de Stichting Werk aan GOM/GOM Services voor de hand hebben gelegen.

17. Het onder 14.c bedoelde bedrag stelt X te hebben betaald in verband met:

a. een reis naar Japan in 1991 en

b. het incidenteel inschakelen van hulpkrachten tijdens de manifestatie “Het Gelders Vermogen”.

Ook dit verweer heeft X onvoldoende toegelicht. Evenmin heeft hij de door hem genoemde bedragen met bescheiden kunnen staven. Daarom moet ook aan dit verweer worden voorbijgegaan.

18. Met betrekking tot deze verweren komt daar nog bij, dat X het door GOM/GOM Services overgelegde betalingsoverzicht van de Stichting Werk, waaruit blijkt dat de Stichting Werk betalingen heeft gedaan aan X tot een totaalbedrag van f 691.200,-- , onbesproken heeft gelaten. Daarom moet worden aangenomen dat uit de Stichting Werk een bedrag van f 691.200,-- in de zak van X is verdwenen. Of dit bedrag afkomstig is uit het bedrag van f 716.750,-- dat vanuit GOM/GOM Services is “aangeland” bij de Stichting Werk kan niet worden vastgesteld. Maar dat een nagenoeg even groot bedrag uit de stichting door X is getoucheerd en dat dat onweersproken is gebleven maakt de verweren van X nog minder geloofwaardig.

19. De conclusie is dat de vordering van GOM/GOM Services, voor zover gebaseerd op “Verduistering I”, jegens X toewijsbaar is tot een bedrag van

(f 599.250+ f 117.500) = f 716.750,--, met inachtneming van hetgeen daarover hierna nog in de rechtsoverwegingen 45 en 46 zal worden overwogen.

Verduistering II

20. Vast staat dat Stichting Werk in de jaren 1990 - 1993 tot een totaalbedrag van f 211.300,-- facturen aan GOM heeft gezonden en wel als volgt:

? een factuur van 18 juli 1990 ad f 28.800,--,

? een factuur van 18 juli 1990 ad f 22.500,--,

? een factuur van 5 februari 1991 ad f 30.000,--,

? een factuur van 11 april 1991 ad f 20.000,--

? een factuur van 1 april 1992 ad f 60.000,-- en

? een factuur van 17 juni 1993 ad f 50.000,--.

21. GOM heeft gesteld dat tegenover deze facturen geen werkzaamheden hebben gestaan. X heeft dit gemotiveerd betwist. Deze enkele stelling is zonder nadere toelichting, die GOM in het geheel niet heeft gegeven, onvoldoende om aan te nemen dat X jegens GOM onrechtmatig heeft gehandeld en evenmin dat hij zijn in artikel 2:9 BW opgedragen taak onbehoorlijk heeft vervuld. In zoverre heeft GOM niet voldaan aan de op haar rustende stelplicht en voor een bewijsopdracht is dan ook geen plaats. De hierop gebaseerde vordering van GOM jegens X moet dus worden afgewezen.

Verduistering III

22. Bij de stukken bevinden zich de navolgende facturen:

a. een factuur van Riverside aan Mogo van f 352.500,-- inclusief omzetbelasting (=f 300.000,-- exclusief omzetbelasting) van 18 december 1996.

b. een factuur van Beeldt in Tekst aan Mogo van f 293.750,-- inclusief omzetbelasting (= f 250.000,-- exclusief omzetbelasting) van 9 april 1997.

De factuur sub 22.a

23. Mogo heeft het factuurbedrag aan Riverside voldaan ten laste van de door haar aan GOM verschuldigde beheers-, ontwikkelings- en promotievergoeding over 1996 uit hoofde van de onder 1.6. bedoelde overeenkomst tussen GOM en Mogo van 21 juni 1996. Dat blijkt uit de onweersproken gebleven verklaring van V, controller bij Mourik, die daarover tegenover de politie heeft verklaard (proces-verbaal G07/01):

“Riverside heeft zijn factuur mogen indienen op advies van anderen, niet van mij. Deze gold als kwijting van Mogo voor een gedeelte van de vergoeding tegenover de GOM van dat jaar. GOM heeft ook nog rechtstreeks een rekening gestuurd van f 70.000,--. Er zijn geen rapporten uitgebracht. De heren K en X hebben toestemming gegeven de facturen te voldoen”.

En het blijkt ook uit de brief van 7 januari 1997 van X aan V (productie 1 bij repliek jegens Mogo/K) waarin X heeft geschreven dat de factuurbedragen strekken tot algehele kwijting van Mogo.

24. De vraag is in de eerste plaats of Riverside tegenover de factuur van 18 december 1996 werkzaamheden ten behoeve van GOM heeft verricht. Volgens GOM is dat niet het geval, volgens X wel.

25. Q heeft over deze factuur tegenover de politie onder meer het volgende verklaard (proces-verbaal V02/01):

“Ik heb gesprekken gevoerd met X en K over de ontwikkeling van het Billitonterrein en bedrijven hiervoor te interesseren. Ik heb van hen de opdracht gekregen om door Riverside de werkzaamheden hiervoor te verrichten. Hiervoor hebben zij een bedrag gefourneerd waarmee wij twee jaar aan de slag konden. Riverside heeft diverse werkzaamheden (laten) uitvoeren, zoals verbouwingen aan gebouwen, aanpassingen aan de infrastructuur en wijzigingen in leidingen en dergelijke. Ik heb hiervoor vele gesprekken gevoerd met diverse projectontwikkelaars. De factuur is een deelfactuur voor de uit te voeren werkzaamheden. Van het op deze factuur ontvangen bedrag zijn deelbetalingen aan derden, die opdrachten hebben uitgevoerd, verricht. Ook heb ik hiervan de bouw van een kantoor/promotieruimte in mijn pand aan de Waalkade gefinancierd (…)”.

Op de vraag waarom de factuur is gericht aan Mogo en niet aan de GOM heeft Q geantwoord:

“Omdat Mogo de ontwikkeling van dat terrein had. Daarom had ik in dit verband ook altijd te maken met zowel X als met K”.

26. GOM heeft tegenover deze op zichzelf duidelijke verklaring onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit, zo bewezen, zou kunnen worden afgeleid dat Q en/of Riverside de hierboven genoemde werkzaamheden niet heeft/hebben verricht. Dat leidt ertoe dat als onvoldoende weersproken moet worden aangenomen dat Q en/of Riverside de werkzaamheden zoals die uit de verklaring blijken daadwerkelijk en tot het factuurbedrag heeft/hebben verricht.

27. Uit de verklaring van Q en uit de omstandigheid dat op de factuur is vermeld dat wordt gefactureerd voor de in opdracht van Mogo verrichte werkzaamheden, moet worden geconcludeerd dat Riverside de werkzaamheden ten behoeve van Mogo heeft verricht. De vraag is dan vervolgens of X onder deze omstandigheden, zoals hij heeft gedaan, tegen Mogo mocht zeggen dat zij het aan Riverside betaalde bedrag mocht verrekenen met hetgeen zij aan GOM uit hoofde van de overeenkomst van 21 juni 1996 verschuldigd was.

Die vraag moet ontkennend worden beantwoord. X heeft daarover enkel, bij gelegenheid van het pleidooi, aangevoerd dat Q/Riverside in opdracht van hem regelmatig werkzaamheden hebben verricht voor zowel GOM als Mogo en dat hij daarin geen onderscheid maakte omdat GOM en Mogo voor hem “een en hetzelfde” waren. Dat is evenwel, in de situatie dat ervan moet worden uitgegaan dat Riverside uitsluitend werkzaamheden heeft verricht voor Mogo, onvoldoende voor een ander oordeel.

28. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat X het onderscheid GOM/Mogo niet maakte en daarom tegen Mogo heeft gezegd dat zij tot de hierboven bedoelde verrekening mocht overgaan, zonder zich ervan te vergewissen of de door Riverside uitgevoerde werkzaamheden uitsluitend ten behoeve van Mogo of (mede) ten behoeve van GOM waren verricht. Aan een bestuurder in de positie van X die als bestuurder van en participant in talloze rechtspersonen opereert moet de eis worden gesteld dat hij juist ook op het punt van financiële verplichtingen strikt onderscheid blijft maken tussen de verschillende rechtspersonen die hij vertegenwoordigt en waarmee hij opereert. Dat heeft X niet gedaan en kennelijk vond hij dat ook niet nodig. Dat is al met al voldoende voor de conclusie dat X een ernstig verwijt van onbehoorlijke taakvervulling kan worden gemaakt, zodat verder in het midden kan blijven of X ook los daarvan onrechtmatig heeft gehandeld op dit punt. Hij is daarom aansprakelijk voor de door GOM als gevolg daarvan geleden schade. Het moet er voor worden gehouden dat GOM tot het factuurbedrag van

f 352.500,-- is benadeeld. X heeft niet nader toegelicht dat en op welke wijze GOM alsnog tot dat bedrag zou zijn gebaat. Het is op zichzelf denkbaar dat GOM van haar 50% participatie in Mogo het door Riverside in rekening gebrachte bedrag uiteindelijk mede te haren laste zou krijgen. Op dit punt is echter niets aangevoerd, zodat de rechtbank dit verder buiten beschouwing moet laten. De vordering van GOM is dan ook op de subsidiaire grondslag tot dat bedrag toewijsbaar, vermeerderd met de hierna in rechtsoverweging 46 nog te bespreken wettelijke rente. In het midden kan verder blijven of het geld waarmee Riverside de verbouwing van het huis van X heeft betaald uit de betaling van deze factuur is verkregen.

De factuur sub 22.b

29. Als vaststaand kan worden aangenomen dat Mogo deze factuur aan Beeldt in Tekst heeft voldaan ten laste van de door haar aan GOM verschuldigde beheers-, ontwikkelings- en promotievergoeding over 1997 uit hoofde van de onder 1.6. bedoelde overeenkomst tussen GOM en Mogo van 21 juni 1996.

30. Ook hier is het de vraag of Beeldt in Tekst tot het factuurbedrag van

f 293.750,-- werkzaamheden ten behoeve van GOM heeft verricht. Volgens GOM is dat tot een bedrag van f 235.000,-- niet het geval, volgens X wel.

31. W heeft over deze factuur tegenover de politie onder meer het volgende verklaard (proces-verbaal V04/01):

“Dit is het verhaal van de spiegelbloemen. Ik was bezig met een project met spiegelbloemen en zocht hiervoor een sponsor. Ik heb dit besproken met X. X zei mij te maken te hebben met de ontwikkeling van een bedrijventerrein en hij dacht dat het spiegelbloemenproject wel eens een hype zou kunnen worden (…). Dit verhaal is uiteindelijk verwoord in deze factuur. U kunt dit zien als de verkoopopbrengst van mijn idee. Volgens mij heb ik de omschrijving op de factuur (advisering/research inzake ontwikkeling bedrijfsterrein, de rechtbank) toen zelf bedacht. Het project was door mij opgestart in Z en ik wilde daar verder mee. Ik wilde ook graag naar Italië met dit project. Dit heb ik besproken met X en hij gaf aan, dat via Q de contacten in Italië gelegd konden worden (…). Ik heb aangegeven dat ik zelf voor het project ongeveer fl. 50.000,-- nodig zou hebben. X heeft mij gezegd dat ik een factuur van Riverside zou ontvangen om de contacten in Italië te leggen. X heeft mij gezegd dat dit een project was van de Mogo en dat ik daarnaar de factuur moest zenden. Nu u mij daarover doorvraagt kan ik mij herinneren dat ik zowel het bedrag van de factuur, de adressering als de omschrijving met de heer X heb besproken. Ik ging uit van fl. 50.000,--. Tijdens ons gesprek heeft X mij gezegd dat ik het factuurbedrag moet verhogen tot f 250.000,-- en dat ik een factuur van Q zou ontvangen voor f 200.000,--“.

32. Uit deze verklaring volgt zonneklaar dat Beeldt in Tekst (W) nimmer werkzaamheden voor Mogo, laat staan voor GOM heeft verricht tot een bedrag van f 200.000,--. Deze factuur is dus tot dat bedrag vals.

33. X heeft dit alles onvoldoende gemotiveerd betwist, zodat aangenomen moet worden dat de feitelijke gang van zaken is geweest zoals W heeft verklaard. Kort weergegeven komt het er ook in dit geval op neer, gelijk de rechtbank ook in rechtsoverweging 13 heeft overwogen, dat zowel X als W ervan op de hoogte waren en er ook zelf rechtstreeks de hand in hebben gehad dat facturen werden opgesteld en verzonden die wel werden betaald, maar waarvan de daarin genoemde werkzaamheden niet waren/werden verricht. Dat GOM daardoor zou kunnen worden benadeeld is evident. Die kans was ook zodanig X zich had dienen te onthouden van zijn hiervoor omschreven gedragingen. De conclusie is dan ook hier dat X onrechtmatig jegens GOM heeft gehandeld en gehouden is de als gevolg daarvan door GOM geleden schade te vergoeden. Daarbij geldt ook voor het overige hetgeen onder 13 is overwogen. GOM heeft uiteindelijk, door middel van de hierboven bedoelde verrekening, de factuur voldaan en wel ten onrechte tot het genoemde bedrag van f 200.000,--. Ook hier stond het X niet vrij toestemming tot verrekening te geven en nog des te minder nu als vaststaand heeft te gelden dat de factuur van Beeldt in Tekst vals was en uit de verklaring van W (hiervoor onder 31) volgt dat X zich daarvan bewust was. De vordering is dan ook tot dat bedrag toewijsbaar, vermeerderd met de hierna in rechtsoverweging 46 nog te bespreken wettelijke rente.

De vordering jegens T/Aeolus

34. Uit hetgeen hiervoor onder “Verduistering I” is overwogen volgt dat naast X ook T, die de eerste drie onder rechtsoverweging 10 vermelde facturen (tot een totaalbedrag van f 599.250,--) aan GOM Services heeft opgesteld, onrechtmatig jegens laatstgenoemde vennootschap heeft gehandeld. Het verweer van T, dat hij afging op de aanwijzingen van X en hem geheel vertrouwde, kan in de situatie dat hij wist dat er facturen waren opgesteld en verzonden die niet met de werkelijkheid overeenkwamen terwijl hij dergelijke facturen ook zelf opstelde, aan dit handelen het karakter van toerekenbare onrechtmatigheid niet ontnemen. Ook T is dus gehouden de als gevolg van zijn onrechtmatig handelen door GOM Services geleden schade te vergoeden.

35. T heeft voorts, onder verwijzing naar het vonnis van deze rechtbank van 3 augustus 2000, gewezen onder rolnummer 1999/1227 tussen onder meer X en GOM, opgeworpen dat de schade die X heeft berokkend het gevolg is van omstandigheden die aan de GOM moeten worden toegerekend in zodanige mate dat een eventuele hoofdelijke vergoedingsplicht van T geheel is vervallen. In de visie van T kon hij door het doen en laten van GOM Services worden geconfronteerd met een X die het feitelijk alleen voor het zeggen had.

Dat verweer gaat evenwel in de situatie dat T, zoals al is overwogen, precies wist wat er aan de hand was, niet op. Ook al zou de raad van commissarissen van GOM, zoals in voormeld vonnis is overwogen, hebben “nagelaten op essentiële punten eenduidig beleid te voeren, waardoor het toezicht houden bemoeilijkt werd”, dan nog behoefde GOM redelijkerwijs niet te verwachten dat dat ertoe zou leiden dat X valse facturen zou gaan (laten) opstellen en (laten) betalen. Anders gezegd: tussen het eventuele aan GOM/GOM Services toe te rekenen verwijt dat de commissarissen onvoldoende toezicht hadden op de handel en wandel van X en de gedragingen van X die tot de schade hebben geleid, bestaat onvoldoende causaal verband. Dat voert tot de conclusie dat de schade niet mede het gevolg is van aan GOM/GOM Services toe te rekenen omstandigheden. Voor vermindering van de vergoedingsplicht van T/Aeolus is daarom geen grond.

36. T heeft ook nog opgeworpen dat GOM Services aansprakelijk is voor haar ondergeschikte/vertegenwoordiger op grond van het bepaalde in de artikelen 6:170 en 6:172 BW en dat de schuld van X als eigen schuld aan GOM/GOM Services moet worden toegerekend.

Vast staat dat de door GOM/GOM Services geleden schade het gevolg is van zowel het handelen van T als van dat van X. Als algemene regel geldt dat ingeval de schade mede het gevolg is van foutieve gedragingen van een ondergeschikte, die gedragingen als eigen schuld aan de werkgever moet worden toegerekend (PG boek 6 blz. 351). Hetzelfde moet worden aangenomen ingeval van schuld van vertegenwoordigers voor wie de benadeelde op de voet van art. 6:172 BW aansprakelijk is. Een uitzondering op die regel is hier echter op haar plaats nu X door opdracht te geven tot het opstellen van valse facturen, althans nauw betrokken is geweest bij het in omloop brengen daarvan, misbruik heeft gemaakt van de door zijn functie geschapen gelegenheid en T dat behoorde te begrijpen. Onder die omstandigheden is het beroep van T op (aan GOM/GOM Services toe te rekenen) eigen schuld in strijd met de billijkheid (vgl HR 8 december 1995, NJ 1996, 274) en moet het daarom worden verworpen.

37. Om haar moverende redenen heeft GOM Services haar vordering jegens T beperkt tot f 510.000,--. Deze vordering is tot dat bedrag, mede gelet op hetgeen daarover in rechtsoverweging 14, eerste zin is overwogen toewijsbaar, met inachtneming van hetgeen daarover hierna nog in de rechtsoverwegingen 45 en 46 zal worden overwogen.

38. De vordering van GOM Services tegen Aeolus (voorheen Eigenwijs) is niet toewijsbaar. T heeft, zo volgt uit het voorgaande (persoonlijk) onrechtmatig jegens GOM Services gehandeld door valse facturen op te stellen. Dat betekent evenwel niet zonder meer dat ook de vennootschap waarvan T - via T Beheer - directeur aandeelhouder was, onrechtmatig jegens GOM Services heeft gehandeld. Dat kan onder bijkomende omstandigheden het geval zijn, maar dergelijke omstandigheden zijn gesteld noch anderszins gebleken.

De vordering jegens W

39. Uit hetgeen hiervoor onder “Verduistering I” is overwogen volgt dat naast X ook W, die de laatste van de in rechtsoverweging 10 vermelde factuur aan GOM heeft opgesteld (die tot een bedrag van f 117.500,-- vals was), onrechtmatig jegens laatstgenoemde heeft gehandeld. Het verweer van W dat hij afging op de aanwijzingen van X en hem geheel vertrouwde, kan in de situatie dat hij wist dat er facturen in omloop waren die niet met de werkelijkheid overeenkwamen terwijl hij dergelijke facturen ook zelf opstelde, aan die handelingen niet het karakter van onrechtmatigheid ontnemen. Ook W is dus gehouden de als gevolg van zijn onrechtmatig handelen door GOM geleden schade te vergoeden.

40. W heeft verder de verweren gevoerd zoals die hiervoor in de rechtsoverwegingen 35 en 36 ten aanzien van T zijn weergegeven. Deze verweren moeten op dezelfde gronden als daar vermeld en die als hier herhaald en ingelast moeten worden beschouwd, worden verworpen.

41. De vordering is, mede gelet op hetgeen daarover in rechtsoverweging 14, eerste zin is overwogen, toewijsbaar tot het bedrag van f 117.500,--, met inachtneming van hetgeen daarover hierna nog in de rechtsoverwegingen 45 en 46 zal worden overwogen.

De vordering jegens Q/Riverside

42. Uit hetgeen hiervoor in de rechtsoverwegingen 23 t/m 26 is overwogen volgt dat ten processe moet worden aangenomen dat Q/Riverside voor de desbetreffende facturen werkzaamheden hebben verricht en dat de factuur van 18 december 1996 ad f 352.500,-- dus niet vals was. Overigens zijn geen feiten of omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot het oordeel zouden kunnen leiden dat Q en/of Riverside onrechtmatig jegens GOM hebben gehandeld, zodat de vordering jegens hen moet worden afgewezen.

De vordering jegens Mogo/K

43. GOM heeft K verweten dat hij de hiervoor in rechtsoverweging 22 bedoelde facturen van Riverside aan Mogo en van Beeldt in Tekst aan Mogo d.d. 18 december 1996 en 9 april 1997 heeft geaccordeerd, terwijl hij wist of moest weten dat tegenover die facturen geen werkzaamheden stonden en dat die facturen vals waren.

44. Die stelling gaat, gelet op hetgeen hiervoor in de rechtsoverwegingen 23 t/m 26 is overwogen, in ieder geval met betrekking tot de factuur van 18 december 1996 van Riverside aan Mogo niet op. Ook moet als onweersproken worden aangenomen dat X binnen Mogo de dienst uitmaakte, dat K slechts “formeel” bestuurder was en per 15 januari 1994 zijn bestuurderschap heeft opgezegd, alsmede dat K op het moment van het accorderen van de facturen van de feitelijke gang van zaken binnen Mogo niet (meer) op de hoogte was. Onder die omstandigheden kan niet worden aangenomen dat K wist of had moeten weten dat de factuur van Beeldt in Tekst aan Mogo van 9 april 1997 voor een gedeelte (tot het eerder genoemde bedrag van f 200.000,--) vals was. Overige feiten of omstandigheden die, zo bewezen, tot het oordeel zouden kunnen leiden dat K/Mogo onrechtmatig jegens GOM hebben gehandeld zijn gesteld noch gebleken. De vordering van GOM moet dan ook worden afgewezen.

Tussenconclusie

45. Op grond van al hetgeen hiervoor met betrekking tot “Verduistering I” is overwogen moet worden geoordeeld dat:

a. X en W jegens GOM hoofdelijk aansprakelijk zijn voor een bedrag van f 117.500,-- (= € 53.319,18),

b. X en T jegens GOM Services hoofdelijk aansprakelijk zijn voor een bedrag van f 510.000,-- = € 231.427,91) en

c. X jegens GOM Services aansprakelijk is voor het (resterende) bedrag ad

f 89.250,-- (= € 40.499,88).

X is voorts, gelet op hetgeen hiervoor met betrekking tot “Verduistering III” is overwogen jegens GOM aansprakelijk voor:

d. een bedrag van f 352.500,-- (= € 159.957,52) en

e. een bedrag van f 200.000,-- (= € 90.756,04).

46. De gevorderde wettelijke rente over deze bedragen is toewijsbaar telkens vanaf het moment dat GOM/GOM Services de valse facturen hebben betaald. Voor de hiervoor onder 10 genoemde facturen met de nummers 94-111-C, 94212 en 95126 kan worden aangenomen dat GOM/GOM Services de in die facturen genoemde bedragen steeds binnen de op die facturen vermelde betalingstermijn van veertien dagen heeft voldaan. Datzelfde geldt voor de onder 22.b genoemde factuur van Beeldt in Tekst aan Mogo d.d. 9 april 1997. Op de onder 22.a genoemde factuur van Riverside aan Mogo d.d. 18 december 1996 is geen betalingstermijn gesteld. Uit de op die factuur met de hand geschreven aantekening in het vak “Office use only” kan evenwel worden afgeleid dat Mogo deze factuur heeft voldaan op 28 januari 1997. Aangezien Mogo deze twee laatstbedoelde facturen telkens heeft betaald ten laste van de door haar aan GOM verschuldigde vergoeding, zoals in de rechtsoverwegingen 23 en 29 is overwogen, is de rente over deze factuurbedragen toewijsbaar vanaf 23 april 1997 respectievelijk 28 januari 1997. Recapitulerend kan de rente dan als volgt worden toegewezen:

-voor het bedrag sub a vanaf 26 december 1994,

-voor het bedrag sub b vanaf 26 december 1994 over een bedrag van f 293.750,-- en vanaf 15 oktober 1995 over (f 510.000,-- - f 293.750,-- =) f 216.250,--,

-voor het bedrag sub c vanaf 15 oktober 1995,

-voor het bedrag sub d 28 januari 1997 en

-voor bedrag sub e 23 april 1997.

De vordering jegens Y

47. GOM en GOM Services hebben bij brief aan Y van 26 juli 2001 (met een kopie aan X) de nietigheid ingeroepen van de mondeling in maart 2000 gesloten overeenkomst tussen X en Y met betrekking tot het huis aan de X-laan te Z. Zij stellen daartoe dat zij door deze transactie in hun verhaalsmogelijkheden ter zake van de gepretendeerde vordering op X zijn benadeeld en dat zowel X als Y dit wisten en dat deze overeenkomst daarom jegens hen paulianeus is.

48. De koopovereenkomst tussen X en Y betreft een onverplichte, meerzijdige rechtshandeling, anders dan om niet. Van toepassing is dan artikel 3:45 lid 2 BW, waarin is bepaald dat een dergelijke rechtshandeling kan worden vernietigd indien

a. de schuldeiser als gevolg van deze rechtshandeling is benadeeld en

b. zowel de schuldenaar als zijn wederpartij wisten of behoorden te weten dat benadeling van een of meer schuldeisers daarvan het gevolg zou zijn.

49. Wat betreft de benadeling lijkt het er voorshands op dat X zijn woning voor een te lage prijs aan Y heeft verkocht. Y heeft de woning in maart 2000 van X gekocht voor een bedrag van f 500.000,-- terwijl de onderhandse verkoopwaarde van de woning, blijkens een in opdracht van X door Willemsen Jansplaats Makelaars opgemaakt taxatierapport d.d. 18 september 1998 reeds was getaxeerd op f 525.000,--. Beslissend voor de benadeling is evenwel het tijdstip waarop het beroep op de vernietigbaarheid is gedaan (26 juli 2001). Wat de waarde van de woning op dat moment was is onduidelijk gebleven. Daarvoor is een deskundigenrapport nodig. Aan het door GOM in dat verband overgelegde taxatierapport d.d. 10 oktober 2001 van Engelsing Makelaars, waarin een onderhandse verkoopwaarde van de woning is vermeld van f 650.000,-- kan, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door X/Y, onvoldoende gewicht worden toegekend. De zaak zal weer naar de rol worden verwezen om GOM/GOM Services en Y in de gelegenheid te stellen gezamenlijk bij akte een voorstel te doen voor een of meer te benoemen deskundige(n). Het ligt voor de hand daarvoor (een) makelaar(s) te nemen. Tevens kunnen zij voorstellen doen voor vragen die zij eventueel aan de deskundige gesteld willen zien.

50. Voor het geval uit het deskundigenrapport volgt dat sprake is van benadeling kan reeds thans wat betreft de wetenschap van die benadeling het volgende worden overwogen.

51. Op GOM/GOM Services rust de last te bewijzen hun stelling dat zowel X als Y die (onder 48.b bedoelde) wetenschap hadden. In artikel 46 BW wordt die wetenschap vermoed aanwezig te zijn indien de rechtshandeling is verricht binnen een jaar voor het inroepen van de vernietigingsgrond. In dit geval is door GOM/GOM Services op 26 juli 2001 een beroep gedaan op de vernietigingsgrond, terwijl de koopovereenkomst en levering van de woning dateren van maart 2000. Het door GOM/GOM Services gedane beroep op dat artikel gaat daarom niet op.

52. GOM/GOM Services hebben de hiervoor bedoelde wetenschap daarop gegrond dat:

a. al maandenlang voor de koop/verkoop van de woning aan Y en X bekend was dat tenminste GOM een aanzienlijke vordering op X pretendeerde,

b. GOM op 24 december 1999 ten laste van X beslag had doen leggen, waarbij het niet relevant is dat het daarbij ging om een ander vordering dan die in de onderhavige procedure.

X en Y hebben ontkend dat GOM in maart 2000 een vordering op X had c.q. dat Y daarvan wist of behoorde te weten. Y wist in maart 2000 wel, zo stelt zij, dat GOM X had aangesproken ter zake van onbehoorlijk bestuur, maar die vordering is onjuist gebleken. Van de onderhavige vordering zou Y eerst in juli 2001 op de hoogte zijn gekomen.

53. Het volgende wordt overwogen. Vast staat dat X en Y vanaf medio 1999 met elkaar samenwonen. Vast staat ook dat GOM op 24 december 1999 (na daartoe verkregen verlof van de president van deze rechtbank, waarbij de vordering werd begroot op f 130.000,--) ten laste van X conservatoir (loon)beslag heeft doen leggen onder de naamloze vennootschap APM Business Partners N.V., gevestigd te Arnhem.

X heeft gesteld dat hij als gevolg daarvan niet alleen was verstoken van inkomen, maar ook van zijn vermogen (omdat APM hem in verband met zijn terugtreden als voorzitter van de raad van bestuur een bedrag van f 700.000,-- zou betalen). Het beslag had tot gevolg dat hij dreigde zijn woning te moeten verlaten. Y heeft daarom aangeboden het huis te kopen en de hypotheek over te nemen, uitsluitend om te voorkomen dat de bank de woning te gelde zou maken en X dakloos zou worden. Y heeft deze visie van X bevestigd.

54. Uit het voorgaande volgt dat zowel X als Y moeten hebben geweten dat de verkoop van de woning in maart 2001 tegen een te lage prijs benadeling van de beslagleggend schuldeiser (GOM) in haar verhaalsmogelijkheden tot gevolg zou hebben. Daaraan kan niet afdoen dat X en Y die vordering toen onterecht vonden en evenmin dat het toen een andere vordering betrof dan de onderhavige. Het gaat bij artikel 3:45 BW immers om de vraag of sprake is van benadeling van een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden en niet om de vraag of sprake is van benadeling ter zake van een concreet omschreven vordering, laat staan dat de vordering waarmee de bescherming van bedoeld artikel 45 wordt ingeroepen identiek moet zijn aan de vordering ten aanzien waarvan destijds wetenschap bestond.

55. GOM en GOM Services hebben in het kader van hun beroep op de vernietiging van de koopovereenkomst gevorderd Y te veroordelen de ontstane benadeling op te heffen door betaling van het door de rechtbank vast te stellen waardeverschil. Een dergelijk door GOM/GOM Services gewenste opheffing van het nadeel - waartegen Y op zichzelf geen verweer heeft gevoerd - doet mede gelet op art. 3:45 lid 4 en art. 3:53 lid 2 BW recht aan de strekking van de vernietigbaarheid van een paulianeuze rechtshandeling en is in beginsel toewijsbaar. GOM/GOM Services kunnen zich dan echter niet meer op de nietigheid van de koop - met als gevolg dat het huis geacht moet worden eigendom van X te zijn gebleven - beroepen. De daartoe strekkende verklaring voor recht moet dan dus worden afgewezen.

De proceskosten

56. X, W en T zullen als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure in conventie worden veroordeeld. In de proceskosten zijn begrepen de kosten van de in het vonnis van 28 februari 2002 bedoelde conservatoire beslagen die op 27 juli 2001 (ten laste van X en T) met inachtneming van de wettelijke termijnen en formaliteiten zijn gelegd. GOM en GOM Services zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden veroordeeld van de procedure tegen Q/Riverside, Aeolus en K/Mogo.

57. Met betrekking tot de procedure van GOM en GOM Services tegen Y zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.

In reconventie

De (incidentele) vorderingen van X

58. Het volgende wordt vooropgesteld. X heeft zijn reconventionele vordering bij akte vermeerderd met de hiervoor onder 4.b t/m e vermelde vorderingen. GOM en GOM Services hebben zich verzet tegen deze vermeerdering van eis.

Het verzet is ongegrond. GOM en GOM Services worden daardoor niet onredelijk in hun verdediging bemoeilijkt. De vermeerderde vorderingen zijn door X op zichzelf voldoende duidelijk omschreven. GOM en GOM Services wisten dus waartegen zij zich moest verweren, zoals zij bij conclusie van dupliek in reconventie ook hebben gedaan en bij pleidooi nog verder hebben kunnen doen. De vermeerderde vordering moet dus worden beoordeeld.

59. De vordering sub 4.a moet worden afgewezen. Anders dan X stelt, hebben GOM en GOM Services de aan hun vordering ten grondslag gelegde feiten niet gekwalificeerd als een misdrijf. GOM en GOM Services hebben enkel gesteld dat X als bestuurder opdracht heeft gegeven tot het maken en verzenden van valse facturen en aldus ten laste van GOM/GOM Services gelden heeft verduisterd. Niet aangenomen kan worden dat het stellen van dergelijke feiten in een civiele procedure ter onderbouwing van een vordering die aan de rechter ter beoordeling wordt voorgelegd, onrechtmatig kan zijn jegens de wederpartij. Afgezien daarvan zou van onrechtmatigheid slechts sprake kunnen zijn indien dergelijke stellingen van elke redelijke grond ontbloot zijn, wat niet het geval was, terwijl de gegrondheid van die stellingen in deze procedure ook deels is aangenomen.

60. De vorderingen sub 4.b en c.

GOM heeft op 24 december 1999 ten laste van X conservatoir beslag gelegd onder APM. Dit beslag is gelegd tot verhaal van de vordering die bij vonnis van deze rechtbank van 25 april 2002, gewezen tussen GOM als eiseres in reconventie en X als verweerder in reconventie, is afgewezen. Dit vonnis, waartegen geen hoger beroep is ingesteld, is in kracht van gewijsde gegaan. Dat betekent dat de door GOM op X gepretendeerde vordering op het moment van beslaglegging niet bestond, zodat het beslag, achteraf beoordeeld, onrechtmatig is gelegd, hetgeen voor risico van GOM behoort te komen. GOM is gehouden de als gevolg daarvan door X geleden schade te vergoeden.

61. X heeft zijn schade berekend op € 54.424,17. Dat is de wettelijke rente berekend van 31 december 1999 tot 1 mei 2002 over een bedrag van € 317.646,15 dat APM aan X verschuldigd was en waarover X, in zijn visie, door het beslag geen beschikking kon hebben. GOM heeft opgeworpen dat voor de berekening van de schade moet worden uitgegaan van een lager percentage dan de wettelijke rente.

Dat verweer treft doel. In de hiervoor beschreven situatie kan als schade niet worden aangemerkt de wettelijke rente over genoemd bedrag, maar alleen de werkelijk gederfde rente. Na het verweer van GOM had het op de weg van X gelegen op dat punt nadere informatie te verschaffen over het door hem geleden renteverlies, waartoe hij (bij pleidooi) ook de gelegenheid heeft gehad. Bij gebreke daarvan zal de rechtbank de schade zelf schatten. Het komt de rechtbank in de onderhavige situatie redelijk voor aan te sluiten bij het door de fiscus gehanteerde percentage voor de vermogensrendementsheffing van 4%. Anders dan X heeft gesteld moet de gederfde rente evenwel niet worden berekend over het bedrag van € 317.646,15. Blijkens de beschikking van de president van deze rechtbank van 23 december 1999 (productie IV bij conclusie van repliek in conventie, antwoord in reconventie van GOM en GOM Services) is de vordering van GOM waarvoor het beslag mocht worden gelegd begroot op een bedrag van (omgerekend) € 58.991,43 met inbegrip van rente en kosten. X had dus van APM betaling kunnen vorderen van het meerdere en daarmee zijn schade kunnen beperken waartoe hij ook gehouden was.

De vordering van X is dan ook slechts toewijsbaar tot een bedrag van (4% x € 58.991,43 x 28/12=) € 5.505,87.

62. Dat X tengevolge van het beslag verdere schade heeft geleden omdat hij “geen reëel uitzicht heeft op een adequate functie die hem in staat stelt zich een inkomen te verschaffen en geen mogelijkheid heeft eigen activiteiten uit eigen middelen te financieren en de toegang tot financieringsinstellingen geblokkeerd blijft” gaat gegeven het voorgaande niet op en is voor het overige onvoldoende toegelicht. Dat X door het beslag is aangetast in zijn eer en goede naam en dat GOM op grond daarvan jegens hem schadeplichtig is heeft X in het geheel niet nader toegelicht. Deze vordering zal dan ook worden afgewezen.

63. De in dit verband door X ingestelde incidentele vordering in reconventie, strekkende tot de veroordeling van GOM aan X van voormeld bedrag van € 54.424,74 bij wijze van voorlopige voorziening moet, gegeven het voorgaande, worden afgewezen, omdat hij daarbij geen belang meer heeft nu in dit vonnis reeds in de hoofdzaak zal worden beslist.

64. De vorderingen sub 4.d en e.

GOM en GOM Services hebben, na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, op 1 mei 2002 ten laste van X opnieuw conservatoir beslag gelegd onder APM. Dit beslag is gelegd tot verhaal van de in conventie besproken vorderingen van GOM en GOM Services op X. Deze vorderingen zullen, zo volgt uit hetgeen in conventie is overwogen, grotendeels worden toegewezen zodat het beslag terecht is gelegd.

Deze vorderingen van X moeten daarom worden afgewezen.

65. De vordering sub 4.f. zal, gelet op hetgeen in rechtsoverweging 49 is overwogen, worden aangehouden totdat op de vordering van GOM/GOM Services jegens Y in conventie kan worden beslist. Daarom zal ook de beslissing over de proceskosten in reconventie worden aangehouden.

De vordering van Y

66. Ook deze vordering zal worden aangehouden evenals de beslissing over de proceskosten, en wel op dezelfde grond als in rechtsoverweging 65 is vermeld.

De vorderingen van T en W

67. Deze vorderingen moeten worden afgewezen. Uit hetgeen met betrekking tot “Verduistering I” is overwogen volgt dat T en W naast X jegens GOM en GOM Services hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die GOM en GOM Services hebben geleden als gevolg van hun onrechtmatig handelen. Overwogen is reeds dat en waarom T en W zich er in de gegeven omstandigheden niet op kunnen beroepen dat de gedragingen van X aan GOM en GOM Services moeten worden toegerekend als eigen schuld en niet tot vermindering van hun vergoedingsplicht kan leiden. Daarop stuit a fortiori af dat zij GOM/GOM Services aansprakelijk kunnen houden voor de schade die zij GOM en GOM Services zelf mede hebben berokkend.

De voorwaardelijke vorderingen Q, Riverside en Aeolus

68. Deze vorderingen kunnen, gelet op hetgeen ten aanzien van hen in de conventie in rechtsoverwegingen 38 en 42 is overwogen onbesproken blijven.

De proceskosten

69. Als de in het ongelijk gestelde partij zullen T en W in de kosten van de procedure in reconventie worden veroordeeld. Ook Q/Riverside en Aeolus zullen de kosten van de procedure in reconventie moeten dragen, omdat deze vorderingen, gelet op hetgeen hiervoor over de vorderingen van T en W is overwogen, tot niets hadden kunnen leiden. Als de in het ongelijk gestelde partij zal X in de kosten van het incident in reconventie worden veroordeeld.

70. Met betrekking tot de vorderingen van Y en X als bedoeld in de rechtsoverwegingen 65 en 66 zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.

De beslissing

De rechtbank

in conventie

veroordeelt X en W hoofdelijk, met dien verstande dat indien en voor zover de een betaalt, ook de ander daardoor zal zijn bevrijd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan GOM te betalen een bedrag van € 53.319,18 (f 117.500,--), vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 26 december 1994 tot de dag der algehele voldoening,

veroordeelt X en T hoofdelijk, met dien verstande dat indien en voor zover de een betaalt, ook de ander daardoor zal zijn bevrijd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan GOM Services te betalen een bedrag van € 231.427,91

(f 510.000,--), vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 26 december 1994 over een bedrag van f 293.750,-- en vanaf 15 oktober 1995 over een bedrag van f 216.250,--, telkens tot de dag der algehele voldoening,

veroordeelt X voorts tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan GOM en GOM Services te betalen:

a. aan GOM Services een bedrag van € 40.499,88 (f 89.250,--), vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 15 oktober 1995 tot de dag der algehele voldoening,

b. aan GOM een bedrag van € 159.957,52 (f 352.500,--), vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 23 januari 1997 tot de dag der algehele voldoening,

c. aan GOM en bedrag van € 90.756,04 (f 200.000,--), vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 23 april 1997 tot de dag der algehele voldoening,

veroordeelt X in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van GOM/GOM Services bepaald op € 1.008,45 wegens verschotten en op

€ 11.120,-- voor salaris van de procureur,

veroordeelt T in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van GOM Services bepaald op € 538,71 wegens verschotten en op € 5.172,-- voor salaris van de procureur,

veroordeelt W in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van GOM bepaald op € 575,46 wegens verschotten en op € 1.542,-- voor salaris van de procureur,

veroordeelt GOM en GOM Services in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van Q/Riverside bepaald op € 3.396,54 wegens vast recht en op € 2.450,-- voor salaris van de procureur, aan de zijde van K/Mogo bepaald op € 3.396,54 wegens vast recht en op € 6.896,-- wegens salaris van de procureur, en aan de zijde van Aeolus bepaald op € 3.396,54 wegens vast recht en op

€ 1.724,-- voor salaris van de procureur,

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

wijst af het meer of anders gevorderde,

houdt de beslissing omtrent de vordering van GOM en GOM Services jegens Y (alsmede de beslissing over de proceskosten) aan en verwijst de zaak te dien aanzien naar de rolzitting van 27 augustus 2003 voor het nemen van een akte door GOM/GOM Services en Y tot het in rechtsoverweging 49 genoemde doel,

in reconventie

veroordeelt GOM tegen behoorlijk bewijs aan X te betalen een bedrag van € 5.505,87,

veroordeelt T/Aeolus, Q/Riverside en W in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van GOM en GOM Services bepaald op telkens € 390,-- voor salaris van de procureur,

wijst af het meer of anders gevorderde,

houdt de beslissing omtrent de vorderingen van X en Y wat betreft de

opheffing van het beslag op de woning aan de Vondellaan 95 te Arnhem en de beslissing over proceskosten tussen GOM/GOM Services en X en Y aan,

in het incident

weigert de gevorderde voorziening,

veroordeelt X in de kosten van het incident, tot op heden aan de zijde van GOM/GOM Services bepaald op € op 771,-- voor salaris van de procureur.

Dit vonnis is gewezen door mrs. R.J.B. Boonekamp, J.T.G. Roovers en R.A. van der Pol en uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2003.

de griffier: de voorzitter:

coll.: ED