Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2003:AI0409

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
18-07-2003
Datum publicatie
25-07-2003
Zaaknummer
Reg.nr.: 02/ 2568 GEMWT
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het houden van een automarkt zal leiden tot aantasting van de openbare orde. Burgemeesters van Arnhem heeft daarom vergunning hiervoor geweigerd. De rechtbank is dit ook van mening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector bestuursrecht

Reg.nr.: 02/ 2568 GEMWT

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

1. A, gevestigd te B,

2. C, gevestigd te B,

3. D, wonende te E,

4. F, wonende te G,

eisers,

en

de burgemeester van Arnhem, verweerder,

alsmede

H en I, beiden wonende te B, partijen ex artikel 8:26, van de Awb.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 30 oktober 2002.

2. Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2000 heeft verweerder afwijzend beslist op de aanvraag van eisers sub 1 en 2 om een vergunning op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) voor het organiseren van een automarkt op maandagen, geen algemeen erkende feestdagen zijnde, tussen 7.00 uur en 19.00 uur in de openlucht op het onbebouwde gedeelte van het terrein nabij de voormalige steenfabriek Meijnerswijk te Arnhem.

Tegen dit besluit hebben eisers sub 1 en 2 bezwaar bij verweerder gemaakt, welk bezwaar verweerder bij besluit van 18 oktober 2000 deels ongegrond, deels niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Bij uitspraak van deze rechtbank van 25 april 2001 is -voor zover hier van belang- het door eisers sub 1 en 2 tegen laatstgenoemd besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 18 oktober 2000 vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar van eisers sub 1 en 2 te nemen.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder -ter voldoening aan voornoemde uitspraak- opnieuw op het bezwaar van eisers sub 1 en 2 een besluit genomen en -voor zover hier in geschil- het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen laatstgenoemd besluit hebben eisers beroep bij de rechtbank ingesteld, welk beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 26 juni 2003. Eisers sub 3 en 4 zijn in persoon verschenen. Eisers zijn voorts bijgestaan/vertegenwoordigd door mr. I.E. Nauta, advocaat te Arnhem. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J. Hindriks en B.J.A.M. de Ruiter, werkzaam bij de gemeente Arnhem. Van belanghebbenden is H verschenen.

3. Overwegingen

Ingevolge artikel 6:13 van de Awb kan geen beroep worden ingesteld tegen een op bezwaar genomen besluit door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten geen bezwaar te hebben gemaakt tegen het oorspronkelijke besluit.

De rechtbank stelt vast dat eisers sub 3 en 4 geen bezwaar hebben gemaakt tegen het besluit van verweerder van 5 juli 2000 en dat niet is gebleken dat hen dit redelijkerwijs niet kan worden verweten.

Op grond van het bepaalde in het hiervoor weergegeven artikel 6:13 van de Awb dient derhalve het beroep, voor zover dit namens eisers sub 3 en 4 is ingesteld, niet-ontvankelijk te worden verklaard. Eisers sub 1 en 2 hebben wel (tijdig) bezwaar tegen het oorspronkelijke besluit van verweerder van 5 juli 2000 gemaakt, zodat de rechtbank tot een inhoudelijke beoordeling van het namens eisers sub 1 en 2 ingestelde beroep kan overgaan.

Aan het bestreden besluit ligt het standpunt van verweerder ten grondslag, dat het verlenen van de gevraagde vergunning tot een onaanvaardbare aantasting van de openbare orde zal leiden en om die reden dient te worden geweigerd.

Eisers sub 1 en 2 kunnen zich hiermee niet verenigen en hebben dit besluit gemotiveerd aangevochten.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ter voldoening aan de uitspraak van deze rechtbank van 25 april 2001 heeft verweerder een nieuw besluit op bezwaar genomen, waarbij de aanvraag van eisers sub 1 en 2 om een vergunning voor het houden van een automarkt thans -overeenkomstig genoemde uitspraak- is aangemerkt als een aanvraag om een vergunning op grond van artikel 5.2.4 van de APV.

Ingevolge artikel 5.2.4, eerste lid, aanhef en onder a, van de APV is het verboden zonder vergunning van de burgemeester in of op een -al dan niet met enige beperking- voor het publiek toegankelijk gebouw of plaats een markt te organiseren of toe te laten, waar ter plaatse aanwezige goederen worden verhandeld.

Krachtens het derde lid, aanhef en onder a, van dit artikel kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid worden geweigerd in het belang van de openbare orde.

Beoordeeld moet worden of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen, dat het verlenen van een vergunning voor het houden van een automarkt op het onderhavige terrein tot een onaanvaardbare aantasting van de openbare orde ter plaatse zal leiden.

Verweerder heeft zich op grond van het advies van de Districtschef Arnhem Veluwezoom van de Politie Gelderland-Midden van 18 oktober 2001 alsmede het advies van de afdeling Verkeer van de Dienst Stadsontwikkeling van 9 oktober 2001 op het standpunt gesteld, dat op en rond het terrein van de automarkt vele openbare ordeproblemen te verwachten zijn. Een automarkt in Arnhem zal volgens verweerder gelijk de automarkt in Utrecht veel bezoekers uit de voormalige Oostbloklanden trekken. Bijkomend argument daarvoor is, volgens verweerder, dat de automarkt in Arnhem op maandag is gepland en in Utrecht op dinsdag wordt gehouden. In de nacht voorafgaand aan de handelsdag zullen deze bezoekers in de omliggende wijken van het terrein neerstrijken en de nacht in hun voertuig doorbrengen. Dit zal volgens verweerder de nodige overlast voor zowel het in de directe nabijheid gelegen buurtschap de Praets als de omliggende wijken van Meinerswijk veroorzaken. Daarnaast zijn op de handelsdag zelf, gelet op de van de regiopolitie te Utrecht verkregen informatie over de automarkt in Utrecht, op en rond het terrein van de automarkt vele openbare ordeproblemen te verwachten. Het verhandelen van auto’s op de automarkt in Utrecht gaat, blijkens voornoemd advies van de Politie Gelderland-Midden, regelmatig gepaard met intimidatie, afpersing en geweld. Voorts heeft de -in verband met ruimtegebrek op het terrein zelf- noodzakelijke verspreiding van de aan- en afvoer van auto’s over meerdere dagen tot gevolg, dat niet alleen in de nacht voorafgaand aan de marktdag en op de marktdag zelf overlast zal worden ondervonden.

Verder komt volgens verweerder, mede gelet op de rapportage van Goudappel Coffeng van 1 oktober 2001, de verkeersveiligheid in het gedrang. De capaciteit en vorm van de toeleidende wegen naar het onderhavige terrein zijn -blijkens eerdergenoemd advies van de afdeling Verkeer- onvoldoende. In de rapportage van Goudappel Coffeng is ter zake aangegeven, dat als gevolg van de toename van het aandeel vrachtverkeer, op conflictpunten met langzaam verkeer en op plaatsen waar langzaam verkeer en vrachtverkeer beide gebruik maken van de hoofdrijbaan, de kans op ongevallen met een ernstige afloop zal toenemen. Verweerder voorziet tevens -gelet op de aanwezige parkeerruimte op het terrein voor 300 bezoekers en het aantal te verwachten bezoekers, te weten 1500- parkeerproblemen.

De rechtbank is -in tegenstelling tot eisers sub 1 en 2- van oordeel, dat verweerder bij het bestreden besluit de verkeersveiligheid heeft mogen laten meewegen, aangezien dit aspect onderdeel uitmaakt van het in artikel 5.2.4, derde lid, aanhef en onder a, van de APV genoemde belang van de openbare orde.

Het is de rechtbank overigens niet gebleken, dat -naar eisers stellen- verweerders standpunt inzake de verkeersveiligheid niet, althans niet volledig zou sporen met de inhoud van de ter zake uitgebrachte adviezen.

De rechtbank is voorts van oordeel, dat verweerder de van de regiopolitie te Utrecht verkregen informatie over de automarkt in Utrecht bij zijn besluitvorming heeft mogen betrekken. Verweerder heeft immers rekening gehouden met het te verwachten aantal bezoekers in Arnhem en is er vanuit gegaan dat de problemen met de automarkt in Utrecht zich op een iets kleinere schaal in Arnhem zullen voordoen. Het is de rechtbank ook niet gebleken, dat verweerders raming van het aantal bezoekers op onjuiste gegevens zou zijn gebaseerd. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank voorts, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen, dat de voorgestelde werkwijze op de automarkt in Arnhem -de registratie van handelaren en het vereiste van een entreebiljet- geen reden is om te veronderstellen dat de automarkt in Arnhem geen problemen zal veroorzaken. Blijkens eerdergenoemd advies van de Politie Gelderland-Midden worden de problemen namelijk niet alleen door handelaren, maar ook door bezoekers van de automarkt veroorzaakt.

Op grond van het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel, dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen aannemen, dat het houden van een automarkt op het onderhavige terrein een aantasting van de openbare orde ter plaatse tot gevolg zal hebben. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook in redelijkheid kunnen besluiten de vergunning in het belang van de openbare orde te weigeren.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eisers sub 1 en 2 tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het namens eisers sub 1 en 2 ingestelde beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep, voor zover dit namens eisers sub 3 en 4 is ingesteld, niet-ontvankelijk;

verklaart het beroep, voor zover dit namens eisers sub 1 en 2 is ingesteld, ongegrond.

Aldus gegeven door mr. H.A.W. Snijders, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2003, in tegenwoordigheid van mr. J.M.B. Moll van Charante als griffier.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op:

Coll: