Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2003:AI0402

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
03-07-2003
Datum publicatie
25-07-2003
Zaaknummer
Reg.nr.: 02 /1229
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank is van oordeel dat het door eiseres in Rusland behaald diploma verloskunde niet op het niveau is van Hoger Beroepsonderwijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector bestuursrecht

Reg.nr.: 02 /1229

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

A,

wonende te B, eiseres,

en

de Raad van bestuur van de Vereniging Centraal Orgaan van de Landelijke Organen Beroepsonderwijs (Colo) te Zoetermeer, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 7 mei 2002.

2. Procesverloop

Bij besluit van 5 maart 2002 heeft verweerder eiseres op grond van artikel 7.4.7 van de Wet educatie en beroepsonderwijs een waardering van het door haar in Rusland behaalde diploma verloskunde verstrekt.

Hiertegen heeft eiseres tijdig bezwaar bij verweerder gemaakt, welk bezwaar verweerder bij het in rubriek 1 aangeduide besluit (kennelijk) ongegrond heeft verklaard.

Tegen dit besluit is namens eiseres tijdig beroep bij de rechtbank ingesteld. Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 26 juni 2003. Eiseres is aldaar verschenen en bijgestaan door mr. J.W.J. Hopmans. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door E.M. van den Broek-Buis en drs. E.J. Feenstra, werkzaam bij de Vereniging Colo.

3. Overwegingen

In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

Aan het bestreden besluit ligt het standpunt van verweerder ten grondslag, dat het door eiseres in Rusland behaalde diploma verloskunde vergelijkbaar is met een vakopleiding (kwaliteitsniveau 3) binnen het secundair beroepsonderwijs in Nederland.

Eiseres kan zich hiermee niet verenigen en heeft daartegen -kort samengevat- aangevoerd, dat de opleiding verloskunde die zij in Rusland heeft gevolgd een hoger beroepsopleiding betreft.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 7.4.7, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs kan Onze Minister een rechtspersoon aanwijzen die tot taak heeft het desgevraagd, aan belanghebbenden of aan de bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 8 van de Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen, verstrekken van op vergelijking van opleidingen berustende waarderingen of vergelijkingen:

a. van buitenlandse diploma's of certificaten als bedoeld in die wet alsmede van andere buitenlandse diploma's, met

b. de getuigschriften van overeenkomstige Nederlandse beroepsopleidingen.

Krachtens het tweede lid van dit artikel wordt bij de vergelijkingen en waarderingen zo mogelijk aangegeven tot welke soort in artikel 7.2.2, eerste lid, bedoelde beroepsopleiding de desbetreffende opleiding kan worden gerekend en met welke in het Centraal register vermelde beroepsopleiding die opleiding vergelijkbaar is of kan worden gelijkgesteld.

Ingevolge het derde lid, aanhef en onder b, wordt de vergelijking of waardering slechts verstrekt indien deze noodzakelijk is voor deelneming van personen met een buitenlandse beroepskwalificatie aan een Nederlandse beroepsopleiding.

Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting heeft verweerder bij de waardering van het door eiseres in Rusland behaalde diploma verloskunde de duur van de door eiseres gevolgde opleiding, de inhoud van de vakken aan deze opleiding alsmede de gestelde vooropleidingseisen in acht genomen. Daarbij is de benaming van de onderwijsinstelling waar de opleiding is gevolgd voor verweerder niet relevant geweest. Op grond van deze gegevens is verweerder tot de conclusie gekomen, dat het door eiseres in Rusland behaalde diploma verloskunde vergelijkbaar is met een vakopleiding (kwaliteitsniveau 3) binnen het secundair beroepsonderwijs in Nederland. Verweerder heeft daarbij aangegeven, dat een inhoudelijke vergelijking met een specifieke beroepsopleiding binnen het secundair beroepsonderwijs niet mogelijk is, omdat in Nederland alleen in het hoger onderwijs een opleiding tot verloskundige kan worden gevolgd.

De rechtbank is op grond van de stukken van oordeel, dat er geen reden is om te twijfelen aan de juistheid van verweerders waardering van het diploma van eiseres. Voorts heeft het expertisecentrum voor de waardering van diploma’s gerelateerd aan het hoger onderwijs (Nuffic) hangende de onderhavige procedure -na een verzoek om advies van verweerder- de juistheid van verweerders waardering bevestigd.

De rechtbank is voorts -in tegenstelling tot eiseres- van oordeel, dat verweerder een juiste toepassing aan het bepaalde in artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb heeft gegeven. Uit het bezwaarschrift van eiseres blijkt naar het oordeel van de rechtbank namelijk reeds aanstonds dat de bezwaren ongegrond zijn.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eiseres tegen het besluit van 7 mei 2002 geen doel treffen. Het beroep dient derhalve ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. H.A.W. Snijders, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2003, in tegenwoordigheid van mr. J.M.B. Moll van Charante als griffier.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op:

Coll: