Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2003:AH9256

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
11-06-2003
Datum publicatie
07-07-2003
Zaaknummer
97532 / HA ZA 03-414
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bevoegdheidsincident artikel 128 Rv

Inhoud aannemingsovereenkomst. Arbitragebeding uit aannemersovereenkomst is van toepassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 97532 / HA ZA 03-414

Datum vonnis: 11 juni 2003

Vonnis

in de zaak van

X,

wonende te Z

eiser in de hoofdzaak bij dagvaarding van 6 maart 2003,

verweerder in het incident,

procureur mr. J.T.M. Palstra,

advocaat mr. Ö. Dalar-Ummaz te Nijmegen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AANNEMERSBEDRIJF VERKERK ZEVENAAR B.V.,

gevestigd te Didam,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

procureur mr. W.J.G.M. van den Broek,

advocaten mrs. H.R. Verschuur en F.A. van den Assem te Nijmegen.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als X en Verkerk.

1. Het verloop van de procedure

Na het uitbrengen van de dagvaarding met 13 producties zijn de volgende processtukken gewisseld:

* een conclusie houdende de exceptie van onbevoegdheid met 6 producties;

* een conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident;

Ten slotte is bepaald dat in het incident vonnis wordt gewezen.

2. Het geschil in de hoofdzaak

2.1 X vordert in de hoofdzaak, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

primair: Verkerk te veroordelen om binnen twee weken na betekening van het in deze te wijzen vonnis H. Kroon Aannemersbedrijf B.V. te Arnhem opdracht te geven om het Zonneranda serredak te vervangen door een deugdelijke dakconstructie, waarvan de kosten voor rekening van Verkerk komen,

subsidiair: Verkerk te veroordelen om binnen twee maanden na betekening van het in deze te wijzen vonnis het Zonneranda serredak zelf te vervangen door een deugdelijke dakconstructie volgens de beschrijvingen in de offerte d.d. 9 januari 2003 van H. Kroon Aannemersbedrijf B.V. te Arnhem,

primair en subsidiair: een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,= per dag, tot een maximum van € 50.000,=, in geval Verkerk in gebreke blijft om aan enig onderdeel van voormelde veroordeling te voldoen of in gebreke blijft om de facturen welke eventueel door H. Kroon Aannemersbedrijf B.V. te Arnhem zullen worden gezonden, tijdig te betalen,

met veroordeling van Verkerk in de kosten van de procedure.

2.2 Op 14 december 1995 heeft Verkerk aan X een schriftelijke offerte uitgebracht met betrekking tot de levering en montage van een Zonneranda serredak, vouwwanden en schuifwanden in het appartement van X, voor een bedrag van f. 77.111,85 (omgerekend € 34.991,83). X is met deze offerte akkoord gegaan. In de zomer van 1996 is het serredak gemonteerd en opgeleverd door Verkerk. Het zogenoemde “serredak” is een glazen dakconstructie die zich bevindt boven de woonkamer van het appartement. X stelt dat er lekkages optreden aan het serredak, dat de bewegende delen van het dak niet luchtdicht sluiten waardoor het tocht en dat het serredak danwel de wijze waarop het gemonteerd is een koude val in zijn woning veroorzaakt. X stelt dat Verkerk tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen op grond van de overeenkomst tussen partijen. Hij stelt dat Verkerk ondanks sommaties in gebreke is gebleven de gebreken op deugdelijke wijze te verhelpen. Volgens H. Kroon Aannemersbedrijf B.V. te Arnhem, die op verzoek van X de serredakconstructie heeft bekeken, dient het Zonneranda serredak te worden vervangen door een niet-beweegbare constructie, waarvoor de kosten worden geraamd op € 35.400,=.

3. In het incident

3.1 Voor alle weren heeft Verkerk in het incident de exceptie van onbevoegdheid van de rechtbank opgeworpen. Verkerk stelt dat tussen Verkerk en X op 31 oktober 1994 een aannemingsovereenkomst tot stand is gekomen met betrekking tot de afbouw van het appartement aan het Noordeinde 18-42 te Zevenaar, in de overeenkomst aangeduid met bouwnummer (26 en?) 27. Voorts is er op 31 oktober 1994 een aannemingsovereenkomst tot stand gekomen tussen Verkerk en H. X Beheer B.V. (thans HF Beheer B.V.) met betrekking tot de afbouw van een aangrenzend appartement, in de overeenkomst aangeduid met bouwnummer 28 (en 29?). In beide aannemingsovereenkomsten is in artikel 12 een (gelijkluidende) geschillenregeling opgenomen, welke luidt:

“Alle geschillen, welke ook – waaronder begrepen die, welke slechts door een der partijen als zodanig worden beschouwd – die naar aanleiding van de aannemingsovereenkomst of van de overeenkomsten die daarvan een uitvloeisel mochten zijn, tussen de verkrijger en de ondernemer mochten ontstaan – met uitzondering van geschillen naar aanleiding van de garantie- en waarborgregeling van de Stichting Garantie-Instituut Woningbouw waarvoor de in die regeling vastgestelde regelen gelden worden beslecht door arbitrage overeenkomstig de regelen beschreven in de statuten van de Raad voor Arbitrage voor de Bouwbedrijven in Nederland (…)”

(hierna verder te noemen: het arbitragebeding)

Verkerk stelt dat de offerte met betrekking tot het serredak is gedaan in het kader van meer- en minderwerk aan de appartementen met de bouwnummers 27 en 28. De aldus ontstane overeenkomst vloeit voort uit de eerdere aannemingsovereenkomst met betrekking tot de afbouw van deze appartementen d.d. 31 oktober 1994. In die aannemings-overeenkomst is een arbitragebeding overeengekomen, zodat de rechtbank onbevoegd is om het onderhavige geschil kennis te nemen.

3.2 X heeft gemotiveerd verweer gevoerd in het incident. Hij stelt onder meer dat bij het sluiten van de aannemingsovereenkomst de standaardovereenkomst van de Stichting Woningborg is gehanteerd, omdat X in aanmerking wilde komen voor een waarborg-certificaat van deze Stichting. Bij brief van 4 januari 1995 heeft de Stichting Woningborg X bericht dat de appartementen niet onder vigeur van het Garantie-Instituut Woningbouw gerealiseerd konden worden, zodat afgifte van een waarborgcertificaat niet aan de orde was. Volgens X hadden partijen toen geen belang meer bij het hanteren van de standaard aannemingsovereenkomst. X achtte zich bij de latere overeenkomst met betrekking tot het serredak dan ook niet meer gebonden aan de voorwaarden in de aannemings-overeenkomst van 31 oktober 1994. De schriftelijke offerte van 14 december 1995 verwijst ook niet naar de (voorwaarden in de) aannemingsovereenkomst. X meent voorts dat er geen sprake is van samenhang tussen de aannemingsovereenkomst en de overeenkomst met betrekking tot het serredak. Het plaatsen van het serredak maakt volgens hem geen onderdeel uit van de afbouw van het appartement. In de bijlage (onder het kopje Intentieverklaring) bij de aannemingsovereenkomsten is rekening gehouden met de mogelijkheid dat ook werkzaamheden door een ander dan de aannemer kunnen worden uitgevoerd. De term meer- en minderwerk in de offerte van Verkerk moet niet te letterlijk worden genomen en ziet volgens X vooral op een financiële verrekening van de diverse kostenposten.

4. De beoordeling van het incident

Ten aanzien van artikel 128 lid 3 Rv.:

4.1 Volledigheidshalve overweegt de rechtbank allereerst dat Verkerk in haar conclusie in het bevoegdheidsincident subsidiair een (wat zij zelf noemt) niet-ontvankelijkheidsverweer voert. Zij stelt dat het serredak ook op het appartement is geplaatst dat grenst aan het woonappartement van X. Dit aangrenzende appartement is eigendom van H. X Beheer B.V. (thans HF Beheer B.V.). Verkerk meent dat daarom ook H. X Beheer B.V. danwel HF Beheer B.V. als partij in de onderhavige procedure dient te worden betrokken, zodat een eventuele veroordeling tot herstel danwel betaling van schadevergoeding tevens ten aanzien van H. X Beheer B.V. danwel HF Beheer B.V. zal hebben te gelden. Verkerk concludeert daarom tot niet-ontvankelijkheid van X in zijn vordering, althans vordert dat X zal worden bevolen HF Beheer B.V. als rechtsopvolger van H. X Beheer B.V. als materiële procespartij in de procedure te betrekken. Het hiervoor weergegeven verweer is echter geen exceptie maar een verweer ten principale dat pas aan de orde kan komen bij de beoordeling van het geschil in de hoofdzaak, welke beoordeling pas kan plaatsvinden nadat de rechtbank een beslissing heeft genomen ten aanzien van haar bevoegdheid. In tegenstelling tot hetgeen X op dit punt heeft aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat de door Verkerk ingediende conclusie niet tevens bedoeld is als conclusie van antwoord in de hoofdzaak, maar uitsluitend als conclusie in het bevoegdheidsincident, zij het, zoals hiervoor overwogen, dat daarin ten onrechte een verweer ten principale als exceptie is opgevoerd. Op dat verweer zal de rechtbank in het kader van de beoordeling van haar bevoegdheid verder geen acht slaan.

Ten aanzien van de aannemingsovereenkomst van 31 oktober 1994:

4.2 Partijen hebben, op verzoek van X, voor het opstellen van de aannemingsovereenkomst gekozen voor een standaardovereenkomst van de Stichting Woningborg. De aannemingsovereenkomst is door beide partijen voor akkoord ondertekend. Dat nadien geen waarborg-certificaat aan X is verleend, doet aan de geldigheid van die overeenkomst en de daarin opgenomen voorwaarden in beginsel niets af. X stelt dat er toen wijzigingen in de aannemingsovereenkomst hadden moeten worden aangebracht, maar heeft niet toegelicht op welke punten in de overeenkomst die wijzigingen zagen. Als onbetwist staat vast dat de overeenkomst niet is aangepast. Voorts staat vast dat de aannemingsovereenkomst een arbitragebeding bevat, waarvan de geldigheid niet in geding is.

4.3 De vraag die thans voorligt is of de overeenkomst, die partijen in december 1995 hebben gesloten met betrekking tot de levering en montage van het Zonneranda serredak, valt onder de reikwijdte van de aannemingsovereenkomst van 31 oktober 1994, meer in het bijzonder of de overeenkomst met betrekking tot het serredak een uitvloeisel is van de aannemingsovereenkomst met X, zodat het arbitrageding in de aannemingsovereenkomst ook op de overeenkomst met betrekking tot het serredak van toepassing is. Het gaat overigens alleen om de aannemingsovereenkomst tussen Verkerk en X, aangezien H. X Beheer B.V. (of HF Beheer B.V.) geen partij is in deze procedure. De rechtbank overweegt dat de stellingen van X ten aanzien van de verwijzing van Verkerk naar algemene voorwaarden in de offerte met betrekking tot het serredak en de mogelijke aanwezigheid van twee sets algemene voorwaarden onbesproken kunnen blijven, nu Verkerk zich in het bevoegdheidsincident niet op (enige) algemene voorwaarden beroept.

4.4 De rechtbank is van oordeel dat de aannemingsovereenkomst tussen partijen moet worden beschouwd als een vorm van een raamovereenkomst. Behoudens ten aanzien van de werkzaamheden die ten tijde van het sluiten van de aannemingsovereenkomst al bekend en omschreven waren, voorzag de overeenkomst ook de mogelijkheid dat nadere overeenkomsten met betrekking tot specifieke werkzaamheden werden gesloten. Dit is ook verwoord in de intentieverklaring die is opgenomen in de bij de aannemings-overeenkomst gevoegde bijlage II, waarnaar in overweging I van de aannemingsovereenkomst wordt verwezen. De tekst van de intentieverklaring luidt, voor zover hier van belang:

“De bijgevoegde tekeningen geven de uitgangspunten van partijen in hoofdlijnen weer. De ondernemer zegt toe volledige medewerking te geven en de nodige flexibiliteit te zullen tonen bij het realiseren van dit project. Hij realiseert zich dat verkrijger beoogt een woon/kantoor situatie naar zijn behoefte te creëren en daardoor op bijzondere wensen ingespeeld dient te worden. In een aantal gevallen zal sprake zijn van extra kosten voor verkrijger. Verkrijger zegt toe dit zoveel als passend en redelijk is, onder te zullen brengen bij ondernemer. Echter, ook indien extra werk niet bij ondernemer wordt ondergebracht, zal hij voor een redelijke prijs de benodigde bouwkundige voorzieningen realiseren. (…)”

4.5 Uit de hiervoor geciteerde intentieverklaring valt af te leiden dat de verkrijger (X) bepaalde werkzaamheden door derden kon laten doen, maar voor zover het passend en redelijk was, deze werkzaamheden door de aannemer (Verkerk) zou laten doen. Dat is kennelijk het geval geweest bij het serredak. Verkerk heeft in opdracht van X prijsopgaven opgevraagd bij leveranciers van serredaken en heeft voorts aan X een prijsopgave gedaan voor de levering en montage van en Zonneranda serredak met bijbehorende schuif- en vouwwanden.

Ten aanzien van de offerte van 14 december 1995:

4.6 Uit de stellingen van X volgt dat het serredak een glazen dakconstructie is, die deel uitmaakt van het platte dak van zijn appartement (penthouse) en dat bij de bouw van het appartement daarvoor een deel van het betonnen dak is uitgespaard. Voorafgaand aan de bouw moet derhalve al bekend zijn geweest dat op de uitsparing in het dak een afwijkende dakconstructie zou gaan komen. Dit valt ook af te leiden uit de als productie 5 door Verkerk overlegde tekening/ontwerpschets van de hand van Y, die dateert van december 1994. Uit de offerte van Verkerk blijkt dat medio 1995 al een offerte door Zonneranda is uitgebracht. De uiteindelijke overeenkomst met betrekking tot het serredak (en de vouw- en schuifwanden) is een half jaar nadien tot stand is gekomen. Onduidelijk is wanneer met de bouw van de appartementen is gestart. Uit de brief van X aan Verkerk d.d. 18 december 1995 (overgelegd door Verkerk als productie 4) blijkt wel dat de bouw in december 1995 nog niet gereed was en dat de prioriteit toen kennelijk vooral lag bij het gereedkomen van een aantal voorzieningen die noodzakelijk waren voor de eerste oplevering van de appartementen, die op 21 december 1995 gepland was.

4.7 Voorts betrekt de rechtbank in haar oordeel dat de offerte van 14 december 1995 naast de post voor het serredak allemaal posten bevat, die uit de aannemingsovereenkomst voortvloeien en op de afbouw van de appartementen gericht zijn. Uit de brief die X in antwoord op de offerte aan Verkerk heeft gestuurd blijkt voorts dat er nog diverse werkzaamheden waren die na de eerste oplevering moesten worden uitgevoerd. Daarbij hoort naar het oordeel van de rechtbank ook het deel van het dak dat nog niet was ingevuld. Dat het een speciale dakconstructie betrof is daarbij niet van belang. Die mogelijkheid was immers, getuige de intentieverklaring bij de aannemingsovereenkomst, door partijen voorzien.

4.8 Tot slot overweegt de rechtbank dat ook in het feit, dat in de offerte van 14 december 1995 geen afzonderlijke (aanvullende) voorwaarden met betrekking tot het serredak zijn opgenomen, een aanwijzing is gelegen dat deze werkzaamheden, net als de overige werkzaamheden van Verkerk ten behoeve van de appartementen van X, onder de aannemingsovereenkomst vielen.

4.9 Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de overeenkomst tussen partijen met betrekking tot het Zonneranda serredak voortvloeit uit de aannemingsovereenkomst tussen hen van 31 oktober 1994, zodat het arbitragebeding ook op die overeenkomst van toepassing is. Dit heeft tot gevolg dat de rechtbank op grond van artikel 1022 lid 1 Rv. onbevoegd is om van het geschil in de hoofdzaak kennis te nemen.

Ten aanzien van de proceskosten:

4.10 Als de in het ongelijk gestelde partij zal X behalve de kosten van het incident ook die in de hoofdzaak moeten dragen, nu deze beslissing tevens een eindvonnis in de hoofdzaak inhoudt. Ingevolge het verzoek van Verkerk daartoe zal dit vonnis, met inbegrip van de proceskostenveroordeling, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

5. De beslissing

De rechtbank

verklaart zich onbevoegd van de zaak kennis te nemen,

veroordeelt X in de kosten van de procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Verkerk bepaald op € 390,= voor salaris en € 205,= wegens griffierecht,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.L. Drabbe en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2003.

de griffier de rechter

Coll.: KV