Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2003:AH9172

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
19-06-2003
Datum publicatie
31-07-2003
Zaaknummer
AWB 01/232 BELEI
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

eiser verweerder verzocht om schadevergoeding ingevolge de Regeling Nadeelcompensatie Betuweroute, in verband met de door hem beweerdelijk geleden schade als gevolg van het onherroepelijke Tracébesluit Betuweroute.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2004/9

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector bestuursrecht

Reg.nr.: AWB 01/232 BELEI

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

A,

wonende te B, eiser,

en

de Minister van Verkeer en Waterstaat, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 21 december 2000.

2. Procesverloop

Bij brief van 27 oktober 1998 heeft eiser verweerder verzocht om schadevergoeding ingevolge de Regeling Nadeelcompensatie Betuweroute, vastgesteld op 6 september 1996 (Staatscourant van 1 oktober 1996, nr. 189) in verband met de door hem beweerdelijk geleden schade als gevolg van het onherroepelijke Tracébesluit Betuweroute.

Op 8 november 1999 heeft de schadecommissie Betuweroute verweerder advies uitgebracht.

Bij besluit van 30 november 1999 heeft verweerder overeenkomstig het advies van deze commissie eisers verzoek afgewezen.

Tegen dit besluit heeft mr. F.J.M. Wolbers, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te Amsterdam, namens eiser bij brief van 7 januari 2000 bezwaar gemaakt. Op 3 maart 2000 is een aanvullend bezwaarschrift ingediend.

Het bezwaar is behandeld door de bezwaarcommissie Betuweroute op een hoorzitting op 16 mei 2000. Op verzoek van deze commissie heeft M + P Raadgevende Ingenieurs bv, bureau voor geluidsbeheersing en trillingstechniek, op 25 juli 2000 rapport uitgebracht. Op 21 december 2000 heeft de bezwaarcommissie advies aan verweerder uitgebracht.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het bezwaar deels gegrond en deels ongegrond verklaard en na wijziging en aanvulling daarvan het eerdergenoemde besluit gehandhaafd. Voor de motivering van het besluit heeft verweerder verwezen naar het advies van voormelde commissie.

Tegen dit besluit heeft mevrouw mr. E.U.H. van de Schepop, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te Amsterdam, namens eiser bij brief van 30 januari 2001 beroep bij de rechtbank ingesteld. Op 28 februari 2001 is een aanvullend beroepschrift ingediend.

Verweerder heeft op 25 april 2002 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 8 mei 2003. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. van de Schepop, voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. B.P.M. van Ravels, advocaat te Breda.

3. Overwegingen

In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

Eiser is sedert 1 oktober 1982 eigenaar van de woning aan de [..]weg 28 te B.

Bij brief van 27 oktober 1998 heeft eiser verzocht om vergoeding van schade als gevolg van een waardedaling van zijn woning ten bedrage van f 33.000,-.

Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat de gestelde waardevermindering van eisers woning niet van duurzame aard is en reeds daarom niet voor vergoeding in aanmerking komt. Voorts stelt verweerder zich op het standpunt dat, in aanmerking genomen het tijdelijke karakter van de werkzaamheden en de toegezegde maatregelen, mede gelet op de situering van eisers woning ten opzichte van de bouwplaatsen en voorts gelet op de hinder die wordt ondervonden bij vergelijkbare, omvangrijke bouwprojecten zonder dat daar een compensatie tegenover staat, gedurende de aanleg- en bouwwerkzaamheden geen sprake zal zijn van zodanige beperkingen van het gebruik en het genot van eiser woning als gevolg van hinder dat deze het normaal maatschappelijk risico te boven gaat.

Eiser kan zich hiermee niet verenigen en heeft aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 2:4 van de Awb, aangezien verweerder zijn taak heeft gemandateerd aan de directeur van NS Railinfrabeheer en tussen verweerder en NS-Railinfrabeheer afspraken zouden zijn gemaakt over het doorberekenen van de uit te keren nadeelcompensatie door verweerder aan NS-Railinfrabeheer.

Voorts bestrijdt eiser dat er geen sprake is van een waardevermindering van zijn woning. Eiser is van mening dat het onderzoek naar de geluidsbelasting onzorgvuldig is geweest, omdat het geluid berekend is en niet gemeten. Hierdoor staat de uiteindelijke geluidsbelasting onvoldoende vast. Eiser heeft in dit verband gewezen op het rapport van M + P Raadgevende ingenieurs bv waaruit zou blijken dat de geluidscontouren in de rapporten niet kloppen.

Eiser is verder van mening dat ook het onderzoek naar trillingshinder onvolledig en onzorgvuldig is geweest. In dit verband hiermee bestrijdt eiser dat een betonnen bak een positieve invloed heeft op de hinder.

Eiser heeft verder aangevoerd dat de planologische vergelijking mank gaat, omdat naar zijn mening, gelet op de lange duur van de werkzaamheden, niet meer van een tijdelijke situatie gesproken kan worden.

Ten slotte is aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.

Eiser heeft de rechtbank verzocht een deskundigenbericht in te winnen als bedoeld in artikel 8:47 van de Awb.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 2:4, eerste lid, van de Awb vervult het bestuursorgaan zijn taak zonder vooringenomenheid.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel waakt het bestuursorgaan ertegen dat tot het bestuursorgaan behorende of daarvoor werkzame personen die een persoonlijk belang bij een besluit hebben, de besluitvorming beïnvloeden.

Het bestreden besluit is namens verweerder krachtens mandaat, verleend bij Mandaatbesluit van 5 december 1997 (Staatscourant 1997, nr. 239), genomen door de directeur van NS Railinfrabeheer.

De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat dit mandaat in strijd is met artikel 2:4 van de Awb. Ter zitting is namens verweerder onweersproken gesteld dat eventueel uit te keren schadevergoeding niet ten laste van NS Railinfrabeheer komt, maar door de rijksoverheid wordt vergoed. Evenmin ziet de rechtbank aanleiding voor het oordeel dat de aard van de bevoegdheid zich tegen de mandaatverlening zou verzetten.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Regeling Nadeelcompensatie Betuweroute kent de Minister op verzoek van degene die schade lijdt, of zal lijden, als gevolg van:

a. het onherroepelijke Tracébesluit Betuweroute;

b. een onherroepelijk besluit ingevolge of in samenhang met het Tracébesluit waarop deze regeling door de Minister in een later stadium van toepassing is verklaard;

c. het Zevenaarproject;

d. het Havenspoorlijnproject,

alsmede uit sub a tot en met d voortvloeiende besluiten van bestuursorganen en rechtmatige uitvoeringshandelingen;

een vergoeding naar billijkheid toe, voorzover de schade redelijkerwijs niet of niet geheel ten laste van de verzoeker behoort te blijven en voorzover vergoeding niet, of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd.

Ingevolge het derde lid van dit artikel ontstaat het recht op schadevergoeding niet eerder dan na het onherroepelijk worden van het Tracébesluit dan wel het rechtens onaantastbaar zijn van het betreffende bestemmingsplan of een andere planologische maatregel als bedoeld in artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, welke voortvloeit uit het Zevenaarproject of het Havenspoorlijntraject.

Gelet hierop geldt als peildatum voor het ontstaan van voor vergoeding in aanmerking komende schade de datum van het onherroepelijk worden van het Tracébesluit Betuweroute, te weten 28 mei 1998.

Met betrekking tot het verzoek om vergoeding van schade als gevolg van een waardedaling van eisers woning dient te worden bezien of sprake is van een wijziging van het planologische regime waardoor de onroerende zaak van eiser in een nadeliger positie is komen te verkeren. Hiertoe dient het Tracébesluit Betuweroute te worden vergeleken met het voordien geldende planologische regime (bestemmingsplan ”Zuidspoor”, vastgesteld op 19 maart 1975 en goedgekeurd op 2 juni 1976). Daarbij is wat betreft het oude planologische regime niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van dat regime maximaal kan worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking daarvan daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.

De huidige planologische bestemming van de gronden, waar de Betuweroute (spoorzone met aslijnen) komt te liggen ter hoogte van de […]weg 28 is volgens het vigerende bestemmingsplan ”Zuidspoor” tussen ca. km 106.2 en ca. 106.27 van westelijke naar oostelijke richting ’verzorgende bedrijven’ en ’eengezinshuizen III’/’tuinen en achtererven’. Op een gedeelte van de gronden waar volgens het vigerende bestemmingsplan de bestemming ’verzorgende bedrijven’ en, ’tuinen en achtererven’ rust, zal, ten behoeve van de aanleg van de Betuweroute, tijdelijk een bouwzone worden ingericht. Er is dus sprake van een wijziging van het planologische regime als gevolg van het onherroepelijke Tracébesluit Betuweroute.

Vervolgens moet worden beoordeeld of deze wijziging van het planologische regime leidt tot een planologisch nadeliger situatie voor eisers woning. Verweerder is aan de hand van de factoren geluid, uitzicht, trilling en externe veiligheid nagegaan of er sprake is van een verslechtering van het planologische regime waardoor eiser schade lijdt die voor vergoeding in aanmerking dient te komen, waarbij per schadefactor eerst is ingegaan op de gevolgen van de bestemmingswijziging van de gronden die gelegen zijn onder het tracé (’spoorzone met aslijnen’) en vervolgens op de consequenties van de bestemmingswijziging van de gronden die worden ingericht als ’bouwzone’. Verweerder heeft vervolgens onderzocht of er sprake is van een aantasting van het woongenot door omgevingsfactoren, anders dan eerdergenoemde factoren, van een zodanig(e) omvang/gewicht dat deze leidt tot een rechtstreeks aan deze omgevingsfactoren toe te rekenen blijvende waardedaling van de onroerende zaak. De rechtbank kan zich verenigen met de planologische vergelijking die verweerder heeft gemaakt.

Ten aanzien van de bezwaren van eiser tegen het onderzoek naar de geluidsbelasting en de trillingshinder overweegt de rechtbank als volgt.

Verweerder is voor de bepaling van de geluidsbelasting uitgegaan van geluidberekeningen. De wijze waarop dit dient te geschieden is aangegeven in het Reken- en Meetvoorschrift 1996. In de procedures tegen het Tracébesluit Betuweroute heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State aangegeven dat het berekenen van geluidbelasting de voorkeur geniet boven het meten ervan.

Uit het rapport van M+P Raadgevende ingenieurs bv van 25 juli 2000 blijkt dat het totaal van aanpassingen vrijwel geen effect heeft op de totale geluidbelasting in de eindsituatie (toekomstige situatie met geluidschermen).

Voor de beoordeling van trillingshinder in de exploitatiefase van de Betuweroute heeft verweerder gekozen voor de Duitse norm DIN 4150 in plaats van voor de richtlijnen van de Stichting Bouwresearch (SBR). In de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 mei 1998 (nummer E01.96.0532) is geoordeeld dat onvoldoende aannemelijk is dat de SBR-richtlijnen een zoveel beter beoordelingskader voor van de Betuweroute afkomstige trillingen vormen dan de DIN 4150 dat geoordeeld zou moeten worden dat verweerder sub 1 (thans verweerder) niet in redelijkheid van de DIN 4150 heeft kunnen uitgaan.

Na ingebruikneming van de spoorbaan zullen in alle woningen gelegen binnen 50 meter van de spoorbaan de trillingen worden gemeten (’actieve monitoring’). Voor woningen gelegen tussen de 50 en 100 meter van de spoorbaan, zullen de trillingen worden gemeten na klachten van bewoners (’passieve monitoring’). Na deze metingen zal naar de kennis van het moment worden bezien of aanvullende maatregelen nodig zijn. De Afdeling Bestuursrechtspraak heeft in eerdergenoemde uitspraak van 29 mei 1998 geoordeeld dat zij in de aangevoerde bezwaren tegen het Tracébesluit Betuweroute onvoldoende aanleiding ziet om het monitoringsprogramma als ontoereikend te oordelen.

Voor de meting tijdens de bouwwerkzaamheden en de beoordeling van resultaten wordt in Zevenaar overigens wel richtlijn 2 van de SBR van 1993 ”Hinder voor personen in gebouwen door trillingen, Meet- en beoordelingsrichtlijn” gehanteerd.

Gebleken is dat de bestemming ’bouwzone’ een werkingsduur heeft tot de afronding van de uitvoeringswerkzaamheden in de aanlegfase (volgens de planning voorzien medio 2005). De rechtbank acht de werkingsduur van deze bestemming niet dermate lang dat niet meer van een tijdelijke bestemming gesproken kan worden.

De rechtbank is van oordeel dat aan de lagere vaststelling van de WOZ-waarde van eisers woning geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend, aangezien voor de taxatie van woningen in het kader van de vaststelling van de onroerende-zaaksbelasting niet dezelfde normen gelden als voor de waardebepaling in het kader van verzoeken op grond van de Regeling Nadeelcompensatie Betuweroute. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Afdeling Geschillen van Bestuur van de Raad van State van 22 maart 1991 (AB 1991/690) en de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 maart 1997 (BR 1999/43).

Gelet op het vorenoverwogene stelt de rechtbank vast dat eisers woning ten aanzien van de factoren ”geluid”, ”trillingen” en ”externe veiligheid” tijdelijk in een nadeliger planologische situatie is komen te verkeren, maar dat hiervan ten aanzien van de factor ”uitzicht” geen sprake is. Evenmin is sprake van overige omgevingsfactoren in vorenbedoelde zin.

De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of schade als gevolg van een tijdelijk nadeliger planologische situatie op grond van de Regeling Nadeelcompensatie voor vergoeding in aanmerking komt. Gelet op de uitspraak van de Afdeling geschillen van bestuur van de Raad van State van 13 januari 1989 (BR 1989/701) en de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 mei 2000 (BR 2001/230) beantwoordt de rechtbank deze vraag ontkennend. In deze uitspraken is overwogen dat schade als gevolg van tijdelijke waardedaling in het algemeen niet voor vergoeding in aanmerking komt.

Met betrekking tot de weigering van verweerder om eiser een nadeelcompensatievergoeding toe te kennen wegens overlast als gevolg van de bouwwerkzaamheden overweegt de rechtbank als volgt.

Gelet op artikel 2, eerste lid, van de Regeling Nadeelcompensatie Betuweroute komt schade als gevolg van rechtmatige uitvoeringshandelingen, voor zover de schade redelijkerwijs niet of niet geheel ten laste van de verzoeker behoort te blijven en voorzover vergoeding niet, of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, voor vergoeding in aanmerking.

Hieruit volgt dat schade als gevolg van onrechtmatige uitvoeringshandelingen op grond van de Regeling Nadeelcompensatie Betuweroute niet voor vergoeding in aanmerking komt.

De overlast die eiser als gevolg van de bouwwerkzaamheden ondervindt, bestaat met name uit geluidsoverlast, veroorzaakt door het intrillen van damwanden en het heien van betonpalen voor de tunnel.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door eiser ondervonden overlast het normaal maatschappelijk risico niet te boven gaat.

Hierbij is in aanmerking genomen dat de aanleg van de Betuweroute in zijn geheel weliswaar een uitzonderlijk project van grote omvang is, maar dat ook elders in het land burgers geconfronteerd kunnen worden met de aanleg van (weliswaar kleinere) infrastructurele werken, waarvan de gevolgen voor de omwonenden, zoals langdurige hinder als gevolg van bouwwerkzaamheden, echter vergelijkbaar kunnen zijn.

Tevens is, naast het tijdelijke karakter van de werkzaamheden, in aanmerking genomen dat het geluid en de trillingen binnen bepaalde richtlijnen moeten blijven, op de naleving waarvan wordt toegezien, en dat, indien nodig, maatregelen worden getroffen om de overlast te beperken. Dit laatste blijkt ook uit de door eiser overgelegde brief van de gemeente Zevenaar van 4 januari 2001.

Voor zover zich ten aanzien van eiser feiten en/of omstandigheden voordoen waardoor zijn belang, ten opzichte van anderen die nadeel ondervinden van deze bouwwerkzaamheden, zodanig zwaar wordt getroffen dat het uit die werkzaamheden voortvloeiende nadeel redelijkerwijs niet voor zijn rekening mag blijven, is gebleken dat verweerder ter beperking van dit nadeel voorzieningen, zoals een auto, laptop en telefoon, heeft aangeboden ten behoeve van de thuiswerkende echtgenote van eiser. Naar het oordeel van de rechtbank kan derhalve worden gesteld dat vergoeding van deze schade anderszins is gewaarborgd zoals bedoeld in artikel 2 van de Regeling Nadeelcompensatie, zodat evenmin op die grond recht op schadevergoeding bestaat.

Tot slot merkt de rechtbank op dat zij, gelet op al hetgeen hierboven is overwogen, onvoldoende aanleiding ziet voor het inwinnen van een deskundigenbericht als bedoeld in artikel 8:47 van de Awb.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eiser geen doel treffen. Het beroep dient mitsdien ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. drs. L.B.M. Klein Tank, als voorzitter, mrs. F.H. de Vries en mr. M.E. Snijders, als rechters, en door de voorzitter in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2003, in tegenwoordigheid van mr. G.A. Kajim-Panjer als griffier.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 25 juni 2003