Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2003:AH8899

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
11-06-2003
Datum publicatie
30-06-2003
Zaaknummer
2002/ 1354
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ongeluk tijdens ontrgoeningsfeest. Bestelbusje rijdt over slapende student die op het gras ligt.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994 185
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Rolnummer: 2002/1354

Datum uitspraak: 11 juni 2003

Vonnis

in de zaak van

de naamloze vennootschap

OHRA ZIEKTEKOSTENVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Arnhem,

hierna te noemen: Ohra,

eiseres bij dagvaarding van 3 september 2002,

procureur mr. A.O.C.A. van Schravendijk te Arnhem,

advocaat mr. E. Brons te Den Haag,

tegen

de naamloze vennootschap

N.V. SCHADEVERZEKERING-MAATSCHAPPIJ BOVEMIJ,

gevestigd te Nijmegen,

hierna te noemen: Bovemij,

gedaagde bij genoemde dagvaarding,

procureur mr. W.J.G.M. van den Broek,

advocaat mr. A.E. Klaassen,

beiden te Nijmegen.

Het verloop van de procedure

Voor het verloop van de procedure tot het tussenvonnis van 7 november 2002 wordt naar dat vonnis verwezen. Ter uitvoering van dit vonnis is een comparitie van partijen gehouden. Het proces-verbaal daarvan bevindt zich bij de stukken. Tijdens de comparitie heeft Ohra enige producties in het geding gebracht, waarover Bovemij zich nadien nog bij akte heeft uitgelaten. De partijen zijn op de comparitie niet verenigd. Vervolgens is vonnis bepaald.

De vaststaande feiten

1.1. In de nacht van vrijdag 12 op zaterdag 13 september 1997 werd het jaarlijkse ontgroeningsfeest gevierd van de Groningse studentenvereniging 'X'. Het feest vond plaats in een grote tent die speciaal voor die gelegenheid was opgezet op een grasveld. Aan het feest namen circa 400 studenten deel die om half zes 's middags per fiets vanuit X naar de plaats van het feest waren gereisd. Het feest, dat duurde tot diep in de nacht, begon met een barbecue en eindigde met muziek.

1.2. Een van de aanwezigen op het feest was de toen twintig jaar oude Y. Hij had zich een aantal weken eerder als eerstejaars student aangemeld voor het lidmaatschap van X en de groentijd van deze vereniging doorlopen. Tijdens het feest werd Y door een aantal ouderejaars studenten meegenomen naar buiten, naar een busje dat op enige afstand van de feesttent was geparkeerd. In dit busje, waarvan de achterdeuren waren geopend, zaten de bewoners van het studentenhuis aan de X-straat. Zij deelden Y mee dat hij was uitverkoren om in hun studentenhuis te komen wonen. Terwijl zij het huislied zongen, moest Y een fles champagne leegdrinken. Nadat hij de fles leeg had, reden de studenten met Y in het busje terug naar de feesttent.

1.3. Op het feest dronk Y nog enkele glazen bier. Tegen het einde van de avond, omstreeks 04.00 uur 's nachts, verliet hij in dronken toestand de tent. Buiten gekomen is hij gaan zitten op het modderige grasveld. Daar viel hij, overmand door vermoeidheid en de effecten van zijn alcoholgebruik, in slaap.

1.4. Een van de andere aanwezigen op het feest was de toen 24-jarige Q. Hij was ouderejaars lid van X en een van de organisatoren van het ontgroeningsfeest. Nadat het feest was geëindigd, wilde hij gaan slapen in een door de organisatie gehuurde witte bestelbus die in de buurt van de feesttent geparkeerd stond. Het kenteken van deze bus was Z en de aansprakelijkheid voor schade toebracht door deze bus was op dat moment verzekerd bij Bovemij.

1.5. Om rustig te kunnen slapen, startte H de bus en reed hij langzaam over het grasveld om te tent naar het nabijgelegen parkeerterrein. Daarbij is hij zonder het zelf te merken met de rechterzijde van de bestelbus over de slapende Y heen gereden.

1.6. H heeft met betrekking tot de toedracht van het ongeval tegenover de politie het volgende verklaard:

"Toen het feest was afgelopen wilde ik gaan slapen. Ik heb nog even gewacht tot de tent leeg was, en daarna ben ik in de witte bestelbus gestapt. Die wilde ik parkeren op de parkeerplaats een eindje verderop. D zat naast mij in de auto. Ik bestuurde deze bestelbus. Ik moest eerst achteruit rijden en vervolgens omdat er overal stoel stonden, heb ik een rondje gemaakt over het gras om naar de parkeerplaats te gaan. Ik reed langzaam over het gras, in de tweede versnelling. Toen ik op de parkeerplaats stopte, zag ik iemand op het gras rennen met een zaklamp in zijn hand. Die persoon riep wat en dat kwam paniekerig over. Ik ben daar toen ook naar toe gerend en zag Y op het gras liggen. Ik zag dat hij verwondingen had aan zijn hoofd en schouder. Ik ben bij hem gebleven, terwijl anderen hulp hebben verzorgd. Totdat ambulancepersoneel kwam, kon ik bij hem blijven. Het ambulancepersoneel heeft iedereen weggestuurd. Ik ben toen weggelopen. Ik kwam even later D tegen en wij hebben toen een ommetje gemaakt. Voor die tijd heeft hij volgens mij de bestelbus terug gezet op het gras. Uit het gesprek met D heb ik geconcludeerd, dat ik over Y heen ben gereden. Volgens mij heeft niemand anders met die bus of een ander voertuig over het gras gereden, vanaf het moment dat wij vanaf de parkeerplaats terug kwamen.

Over het gras heb ik gereden met gewoon licht. De ramen van de bestelbus waren enigszins beslagen, zodat ik niet een goed zicht had. Ik keek er onderdoor. Ik moest turen om de uitgang van de parkeerplaats te zien. Op het gras heb ik Y niet gezien. Ik weet dus niet of hij daar stond, zat of lag. Ik heb ook niet gemerkt, dat ik over hem heen ben gereden."

1.7. Y liep als gevolg van het ongeval letsel op. Zijn milt moest worden verwijderd en hij had meerdere ribben gebroken. De kosten van de medische behandeling van het opgelopen letsel bedroegen € 15.166,60. Als ziektekostenverzekeraar van Y heeft Ohra deze kosten voor haar rekening genomen.

1.8. Bij brief van 12 augustus 1999 heeft Ohra van Bovemij betaling gevorderd van de genoemde kosten. Betaling van dit bedrag is uitgebleven, zodat Bovemij vanaf 27 augustus 1999 in verzuim is gekomen. Uit de overgelegde correspondentie blijkt dat partijen vervolgens hebben getracht een minnelijke regeling te bereiken. Bij brief van 8 november 2000 heeft Bovemij aangeboden op tegen finale kwijting 50% van het gevorderde bedrag te voldoen. Ohra heeft dit aanbod afgewezen, waarna Bovemij op 9 maart 2001 een bedrag aan Ohra heeft overgemaakt van € 8.480,24.

Het geschil

2.1. Ohra vordert in deze procedure vergoeding van het restant van de hoofdsom, inclusief wettelijke rente en vermeerderd met de kosten van buitengerechtelijke bijstand volgens het incassotarief van de Nederlandse Orde van Advocaten, in totaal een bedrag van € 9.902,30. Als grondslag van haar vordering voert Ohra aan dat zij krachtens artikel 284 Wetboek van Koophandel in de rechten is getreden van Y jegens Bovemij. Bovemij is volgens Ohra op grond van artikel 185 Wegenverkeerswet respectievelijk artikel 6:162 BW jegens Y aansprakelijk.

2.2. Bovemij voert als preliminair verweer aan dat duidelijk dient te zijn of verhaal wordt gezocht ex artikel 284 K dan wel 83b Ziekenfondswet. Ten aanzien van de ingestelde vordering verweert Bovemij zich met de stelling dat geen aansprakelijkheid bestaat op grond van artikel 185 Wegenverkeerswet, omdat het ongeval niet plaats vond op een 'weg' in de zin van dat artikel. Evenmin kan volgens Bovemij sprake zijn van aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW, omdat niet valt in te zien dat H terzake van de wijze waarop hij aan het verkeer heeft deelgenomen rechtens enig verwijt kan worden gemaakt terwijl Y, door in dronken staat op een nat en modderig grasveld te gaan slapen, met aan opzet grenzende roekeloosheid zou hebben gehandeld. Subsidiair voert Bovemij aan dat de causaliteitsafweging van artikel 6:101 BW in het voordeel zou dienen uit te vallen van H. Meer subsidiair stelt Bovemij dat de billijkheid vereist dat haar schadevergoedings-verplichting geheel dan wel nagenoeg geheel komt te vervallen. Tot slot betwist Bovemij het causaal verband tussen de door Ohra gevorderde schade en de aanrijding, en meent zij niet te zijn gehouden de kosten van buitengerechtelijke bijstand te voldoen omdat deze vallen onder het proceskostenregime van artikel 241 Rv.

De beoordeling van het geschil

De grondslag van het verhaalsrecht

3.1. Krachtens artikel 284 K gaan de rechten die het slachtoffer heeft jegens de dader over op zijn verzekeraar, zodra deze op grond van een tussen hen gesloten verzekeringsovereenkomst aan hem heeft uitgekeerd. Dit artikel biedt Ohra geen verhaalsmogelijkheid, omdat door het verplichte karakter van de ziekenfondsverzekering tussen een ziekenfonds en haar verzekerde geen sprake is van een verzekeringsovereenkomst in de zin van artikel 284 K. Wel heeft Ohra krachtens artikel 83b Ziekenfondswet een zelfstandig verhaalsrecht voor de "krachtens de verzekering gemaakte kosten". Nu de strekking van het verhaalsrecht van een ziekenfonds dezelfde is als die van de subrogatie van een schadeverzekeraar en met de formulering van artikel 83b Ziekenfondswet niet is beoogd de kring van personen te verruimen waarop verhaal zou kunnen worden genomen, zal de rechtbank de vordering van Ohra beschouwen als gebaseerd op dit artikel.

De grondslag van de aansprakelijkheid

3.2. De aanrijding die de aanleiding vormt tot het onderhavige geschil, vond niet plaats op een openbare weg in de zin van artikel 1 Wegenverkeerswet. Om die reden mist artikel 185 van die wet hier toepassing. De rechtbank wijst de vordering van Ohra dan ook af voorzover deze op dit artikel is gebaseerd.

3.3. Aan de orde is vervolgens de vraag of op grond van de tweede door Ohra aangevoerde grond -artikel 6:162 BW- aansprakelijkheid van H jegens Y bestaat. Bij de beoordeling daarvan kan bij het stelsel van artikel 185 WVW worden aangeknoopt en is volgens vaste rechtspraak onzorgvuldigheid in de zin van artikel 6:162 lid 2 BW gegeven indien de bestuurder van een motorrijtuig van zijn verkeersgedrag jegens ongemotoriseerde verkeersdeelnemers rechtens enig verwijt kan worden gemaakt. Fouten van die laatste verkeersdeelnemers zijn daarbij alleen van belang, indien zij voor de autobestuurder zo onwaarschijnlijk waren dat hij daarmee bij het bepalen van zijn verkeersgedrag naar redelijkheid geen rekening behoefde te houden (HR 15 januari 1993, NJ 1993, 568; HR 29 januari 1999, NJ 1999, 245 en HR 14 juli 2000, NJ 2001, 417).

3.4. Wat het verkeersgedrag van H betreft, overweegt de rechtbank het volgende. Uit de tegenover de politie afgelegde verklaringen van H en de zich bij hem in de bestelbus bevindende D, komt naar voren dat op het grasveld rond de tent een heleboel rommel lag. Verder was het grasveld slecht verlicht en waren de ramen van de bestelbus enigszins beslagen, zodat H geen goed zicht had. Ook had H tijdens het ontgroeningsfeest zelf enkele glazen alcohol genuttigd. Door onder deze omstandigheden, en bovendien zonder de moeite te nemen de beslagen ramen schoon te maken, de bestelbus over het grasveld te verplaatsen, heeft H naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende voorzichtigheid betracht. Dat hij daarbij langzaam reed en dat hij de slapende Y door diens donkere kleding wellicht moeilijk kon zien, doen hieraan niet af.

Onder de gegeven omstandigheden was het gedrag van Y ook niet zo onwaarschijnlijk dat H daarmee geen rekening behoefde te houden.

Het is immers - zeker onder studenten- een feit van algemene bekendheid dat ontgroeningen gepaard gaan met weinig slaap en bovenmatig alcoholgebruik, en dat de combinatie van deze factoren kan leiden tot het soort gedrag zoals Y dat tentoonspreidde. Als ouderejaars student en organisator van het ontgroeningsfeest had H daarop bedacht moeten zijn en extra voorzichtigheid in acht moeten nemen.

3.5. Op grond van het hiervoor overwogene faalt het verweer van Bovemij dat H geen enkel verwijt kan worden gemaakt van het ongeval en concludeert de rechtbank dat Bovemij krachtens artikel 6:162 BW verplicht is de door Ohra geleden schade te vergoeden.

De toepassing van artikel 6:101 BW

3.6. Vervolgens zal de rechtbank aan de hand van artikel 6:101 BW beoordelen of aanleiding bestaat de vergoedingsplicht van Bovemij te verminderen wegens eigen schuld van Y. Volgens vaste rechtspraak dient de beoordeling daarvan in geval van een regresvordering plaats te vinden op basis van weging van de wederzijdse causaliteit. De beoordeling van de mate van verwijtbaarheid komt slechts aan de orde bij toepassing van de in artikel 6:101 lid 1 BW tevens vervatte billijkheidscorrectie. In geval van regresvorderingen is niet uitgesloten dat een dergelijke correctie voor toepassing in aanmerking komt, maar deze zal doorgaans slechts tot een beperkte bijstelling van de causaliteitsafweging kunnen leiden (HR 5 december 1997, NJ 1998, 400).

3.7. Voor het onderhavige geval komt de weging van de wederzijdse causaliteit neer op een bepaling van de mate waarin de gedragingen van H en Y over en weer het gevaar voor het ontstaan van de aanrijding in het leven hebben geroepen. De rechtbank overweegt dat Y, door zich te buiten te gaan aan buitensporig alcoholgebruik en op het grasveld rond de tent te gaan slapen, weliswaar een verhoogd risico op zich heeft genomen dat hem op een of andere wijze een ongeval zou overkomen, maar dit staat volgens de rechtbank niet in verhouding tot het risico dat H heeft genomen door om 04:00 uur 's nachts, na het nuttigen van enkele glazen alcohol, met een motorvoertuig waarvan de ramen waren beslagen te gaan rijden op een slecht verlicht en rommelig terrein, dat zich bovendien bevond in de naaste omgeving van een tent waar zojuist circa 400 studenten een ontgroeningsfeest hadden gevierd. Het voorgaande brengt mee dat de rechtbank het beroep van Bovemij op aan opzet grenzende roekeloosheid aan de zijde van Y verwerpt en de verhouding van de mate waarin de gedragingen van H en Y tot de schade hebben bijgedragen, stelt op respectievelijk 100% en 0%.

3.8. De rechtbank ziet onvoldoende reden om op grond van de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval te komen tot een andere verdeling van de schade.

Causaal verband en schade

3.9. Na aanvankelijk het verweer te hebben gevoerd dat de door Ohra gevorderde kosten van de medische behandelingen van Y geen verband zouden houden met het door hem als gevolg van de aanrijding opgelopen letsel, heeft Bovemij in haar na de comparitie genomen akte dat causaal verband en de omvang van de betaalde ziektekosten in deze instantie niet langer betwist onder reserve van haar rechten op dat punt. De rechtbank zal derhalve het gehele door Ohra gevorderde bedrag beschouwen als schade tengevolge van de aanrijding.

Slotsom

3.10. De vordering van Ohra, die voor het overige niet cijfermatig door Bovemij is bestreden, is toewijsbaar. Dat geldt derhalve evenzeer voor de daarin begrepen, als buitengerechtelijke kosten gevorderde, administratiekosten van Ohra die bestaan uit kosten van het verhalen van de vordering door een gespecialiseerde verhaalsafdeling. Rekening zal nog wel worden gehouden met de beperking van deze vordering op de comparitie tot een bedrag van € 800,41.

Met betrekking tot de buitengerechtelijke kosten overweegt de rechtbank dat vast is komen te staan dat Bovemij verplicht was aan Ohra 100% van de door haar ten behoeve van Y gemaakte kosten te vergoeden, en dat zij heeft geweigerd deze verplichting (volledig) na te komen. Onder deze omstandigheden heeft Ohra -zoals iedere crediteur van een geldvordering welke niet wordt voldaan- ingevolge het bepaalde in artikel 6:96 lid 2, aanhef en onder c BW jegens Bovemij recht op vergoeding van de redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte. Noch het bepaalde in artikel 83b Ziekenfondswet, noch het stelsel van de Ziekenfondswet, noch enige andere rechtsregel noopt tot de slotsom dat de voormelde bepaling niet zou gelden ter zake van een regresvordering van een ziekenfonds als waarom het hier gaat.

3.11. Bovemij zal als de in het ongelijk gestelde partij tevens in de kosten van de procedure worden veroordeeld.

De beslissing

De rechtbank,

veroordeelt Bovemij tot betaling aan Ohra van een bedrag van € 9.856,63 vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 2 augustus 2002 tot de dag van algehele voldoening,

veroordeelt Bovemij in de kosten van de procedure, aan de zijde van Ohra tot op heden bepaald op € 307,56 voor verschotten en op € 662,52 voor salaris procureur,

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.T.G. Roovers en uitgesproken in het openbaar op woensdag 11 juni 2003.

De griffier: De rechter: