Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2003:AH8700

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
25-06-2003
Datum publicatie
25-06-2003
Zaaknummer
Reg.nr.: 02/2115 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is daarom van oordeel dat de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts onvoldoende hebben onderbouwd dat de arbeidsongeschiktheid van eiseres op 26 oktober 1999 voortkomt uit een andere oorzaak en dat artikel 43a WAO niet van toepassing is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector bestuursrecht

Reg.nr.: 02/2115 WAO

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

eiseres

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, rechtsopvolger van het Landelijk instituut sociale verzekeringen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 4 september 2002, uitgereikt door UWV Cadans, kantoor Zeist.

2. Procesverloop

Bij besluit van 19 april 2001 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat zij met ingang van 24 oktober 2000 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het tegen dit besluit ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerdergenoemde besluit gehandhaafd.

Het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 17 juni 2003. Eiseres is aldaar verschenen, bijgestaan door J. Kapelle van het Gelders WAO Beraad te Velp. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door drs. G. Sassen, werkzaam bij UWV Cadans, kantoor Zeist.

3. Overwegingen

Arbeidsongeschikt in de zin van de WAO is, kort weergegeven, degene die op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten niet in staat is om met algemeen geaccepteerde arbeid meer dan 85% te verdienen van het inkomen dat een met hem of haar wat betreft opleiding en arbeidservaring vergelijkbare gezonde persoon kan verwerven.

Om de mate van arbeidsongeschiktheid te bepalen dient eerst te worden vastgesteld welke medische beperkingen eiseres heeft en vervolgens wat de invloed van deze beperkingen is op haar verdienvermogen.

Namens eiseres is aangevoerd dat op haar ziekmelding per 26 oktober 1999 de Wet Amber van toepassing is, waarmee eiseres kennelijk doelt op het bepaalde in artikel 43a van de WAO.

Ingevolge artikel 43a lid 1, aanhef en sub b van de WAO vindt toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering plaats nadat de arbeidsongeschiktheid vier weken heeft geduurd indien de arbeidsongeschiktheid van betrokkene voortkomt uit dezelfde oorzaak als die waardoor betrokkene aan het einde van de wachttijd zoals bedoeld in artikel 19 WAO arbeidsongeschikt was voor zijn eigen werk, maar geen recht had op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering omdat hij niet arbeidsongeschikt was en hij binnen vijf jaar na het bereiken van het einde van die wachttijd opnieuw arbeidsongeschikt wordt.

Op 15 januari 1998 is eiseres uitgevallen in verband met rugklachten. Na het verstrijken van de wachttijd van 52 weken is haar een WAO-uitkering geweigerd omdat zij weliswaar ongeschikt was voor haar eigen werk, maar in staat werd geacht om gangbare arbeid te verrichten zodat zij niet arbeidsongeschikt in de zin van de WAO was.

In verband met een rugoperatie heeft eiseres zich per 26 oktober 1999 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld. In zijn rapportage van 24 november 2000 schrijft de verzekeringsarts R. Rombout dat op deze melding de Wet Amber niet van toepassing is. Ingevolge jurisprudentie (zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 11 december 2001, RSV 2002/45) dient buiten twijfel te staan dat de (toegenomen) arbeidsongeschiktheid moet voortvloeien uit een andere ziekte-oorzaak, wil het bepaalde in artikel 43a WAO niet van toepassing zijn. Naar het oordeel van de rechtbank valt uit de rapportage van de verzekeringsarts noch uit de rapportage van bezwaarverzekeringsarts A.C.J. Wever van 11 mei 2002 af te lezen dat er geen twijfel over bestaat dat de arbeidsongeschiktheid op 26 oktober 1999 voortkomt uit een andere oorzaak dan de oorzaak die tot een weigering van de WAO-uitkering per 14 januari 1999 heeft geleid. De rechtbank is daarom van oordeel dat de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts onvoldoende hebben onderbouwd dat de arbeidsongeschiktheid van eiseres op 26 oktober 1999 voortkomt uit een andere oorzaak en dat artikel 43a WAO niet van toepassing is.

Het voorgaande leidt de rechtbank reeds tot de conclusie dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is, zodat het beroep gegrond is en het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen op het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 19 april 2001.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling zoals bedoeld in artikel 8:75 van de Awb. Niet gebleken is dat aan eiseres beroepsmatig rechtsbijstand is verleend. Voorts is niet gebleken van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 19 april 2001, met inachtneming van deze uitspraak;

bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiseres het door haar betaalde griffierecht (€ 29,--) vergoedt.

Aldus gegeven door mr. D.J. Post, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2003, in tegenwoordigheid van mr. S.B.M. Vreeswijk als griffier.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: