Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2003:AG0158

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
16-06-2003
Datum publicatie
16-06-2003
Zaaknummer
Parketnummer : 05/072081-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht het onder 1 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Er is vast komen te staan dat er voldoende ruimte was voor de doorvaart en tevens dat de aanvankelijk door verdachte voorliggende koers ieder gevaar voor aanvaring uitsloot. Verdachte heeft door het niet tonen van het flikkerlicht zoals bedoeld in artikel 6.04, derde en vijfde lid van het Rijnvaartpolitiereglement 1995 bij de overige aanwezige scheepvaart, waaronder de “Veerhaven VII”, de indruk gewekt dat hij voornemens was de “Veerhaven VII” bakboord op bakboord voorbij te varen. Dit wordt mede ondersteund door het feit dat door de “Veerhaven VII” geen flikkerlicht werd getoond. Het is dan ook volkomen begrijpelijk dat de “Veerhaven VII” vervolgens stuurboord uit is gegaan, immers was er voor de “Veerhaven VII” geen reden om aan te nemen dat men af diende te wijken van de volgens artikel 6.04 van het Rijnvaartpolitiereglement 1995 geldende hoofdregel bij het naderen van schepen op een tegengestelde koers. De veronderstelling van verdachte dat “de Veerhaven VII” aan verdachte de ruimte liet om stuurboord op stuurboord voorbij te varen is dan ook onjuist. Nu niet is vast komen te staan dat er aanvankelijk, voordat verdachte ervoor koos om bakboord uit te gaan, gevaar voor aanvaring bestond, en nu is gebleken dat er voor de overige scheepvaart géén aanleiding bestond om af te wijken van het in het Rijnvaartpolitiereglement bepaalde, kan het verweer van de raadslieden van verdachte dat er sprake was van een situatie waarin verdachte diende te handelen zoals bepaald in artikel 1.05 van het Rijnvaartpolitiereglement 1995 niet slagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector strafrecht

Meervoudige Kamer

Parketnummer : 05/072081-03

Datum zitting : 02 juni 2003

Datum uitspraak : 16 juni 2003

VERKORT VONNIS

TEGENSPRAAK

in de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : X.

geboren op :

adres :

plaats :

Raadsvrouw: mr. M. Bakker, advocaat te Rotterdam.

Raadsman: mr. E.A. Bik, advocaat te Rotterdam.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij, op of omstreeks 22 augustus 2002 in de gemeente Beuningen, als schipper van het motorschip "Happiness", daarmede in de afvaart heeft gevaren op de rivier de Waal en/of zeer, althans aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig en/of onachtzaam,

-terwijl de vaargeul van die rivier ter plaatse een breedte had van ongeveer 200 meter en/of in de opvaart op een dwarsafstand van ongeveer 60 meter, gerekend vanuit de linker oever van die rivier, zich het duwstel, de "Veerhaven VII" bevond en/of in de opvaart op een dwarsafstand, ongeveer gelegen tussen de 10 en 15 meter, gerekend vanuit de rechter oever van die rivier, zich de/het schip/schepen de "Bjorn" en/of de "Jumbo" bevond/en, welk/e schepen/schip doende was/waren dat duwstel, de "Veerhaven VII" op en/of voorbij te lopen en/of toen voormelde opvarende schepen aldaar het/de in de afvaart zijnde schip/schepen de "Happiness" en de "Spaarnestroom" ontmoetten, althans doende waren elkaar te ontmoeten, die opvarende schepen, voor de afvaart een geschikte weg, te weten een ruimte van ongeveer 40 meter, zijnde de dwarsafstand tussen dat aan die linkeroever varende duwstel, de "Veerhaven VII" en dat/die aan die rechteroever varende schip/schepen, de "Bjorn" en/of de "Jumbo", hebben vrijgelaten, de plaatselijke omstandigheden en de bewegingen van andere schepen daarbij in aanmerking nemende, zoals omschreven in artikel 6.04 lid 1 van het Rijnvaartpolitie reglement 1995

- en/of -toen het duwstel, de "Veerhaven VII" en zijn, verdachtes schip, de "Happiness" elkaar op een afstand van ongeveer 500 meter waren genaderd, door dat duwstel, de "Veerhaven VII" met de scheepshoorn, ingevolge artikel 4.02 lid 1 van voormeld reglement, een lange stoot is gegeven, waarbij het fluitlicht werkte, zijnde en signaal als omschreven in artikel 4.01 lid 2 juncto bijlage 6 onder A.,van voormeld reglement, inhoudende: "attentie" -

en/of

terwijl de aanvankelijk door hem, verdachte aangehouden koers elk gevaar voor aanvaring uitsloot, zijn, verdachtes koers, in strijd met het gestelde in artikel 6.03 lid 3 van voormeld reglement, naar bakboord heeft verlegd en/of

vervolgens op zodanige wijze naar stuurboord heeft verlegd, dat zijn, verdachtes schip geheel of gedeeltelijk in de koerslijn van voormeld duwstel, de "Veerhaven VII" is terechtgekomen en/of niet aan zijn, verdachtes verplichting, als omschreven in artikel 1.04 van voormeld reglement, heeft voldaan, voorzorgsmaatregelen te nemen die door de algemene plicht tot waakzaamheid en door goede zeemanschap werden gevorderd, teneinde met name te voorkomen, dat het leven van personen in gevaar werd gebracht en/of schade werd veroorzaakt aan andere schepen die zich in die vaarweg, de Waal bevonden en/of hinder voor de scheepvaart onstond en/of het milieu in ernstige mate kon worden beïnvloed, immers heeft hij verdachte toen aldaar middels de aan boord van zijn, verdachtes schip aanwezige marifooninstallatie, geen contact opgenomen met die in de opvaart zijnde schepen en/of heeft hij, verdachte ter voorkoming van een aanvaring, geen geluidsignaal/geluidsignalen en/of lichtsignalen gegeven en/of getoond en/of vervolgens met zijn, verdachtes schip de "Happiness" in aanvaring is gekomen met dat duwstel, de "Veerhaven VII" en/of waarbij en/of waardoor een aan boord van zijn, verdachtes schip de "Happiness" zich bevindende matroos, althans opvarende, P.Polak overboord is geslagen of gevallen en/of is verdronken en aldus zich zodanig heeft gedragen dat het aan zijn, verdachtes schuld te wijten is dat zijn, verdachtes vaartuig, te weten voormeld schip de "Happiness" is gezonken en/of is beschadigd en/of de duwbak, "Haniel 195" van voormeld duwstel de "Veerhaven VII" is beschadigd en/of welke gedraging/en van hem, verdachte en/of welke aanvaring, de dood van die P.Polak ten gevolge heeft gehad;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 22 augustus 2002 in de gemeente Beuningen, als schipper van, het motorschip "Happiness" met dat schip heeft gevaren, althans zich heeft bevonden op de rivier de Waal, bij het ontmoeten van het duwstel "Veerhaven VII", zulks terwijl de koers van die schepen elk gevaar voor aanvaring uitsloot, de koers en/of snelheid van dat schip, "de Happiness, zodanig heeft gewijzigd, dat daaruit gevaar voor aanvaring kon ontstaan, immers is hij, verdachte van zijn koerslijn afgeweken en/of heeft hij, verdachte getracht, door naar bakboordszijde uit te wijken, tussen de linker oever en voormeld in de opvaart zijnde duwstel, de "Veerhaven VII", door te varen, waarna verdachte zijn koers heeft verlegd naar stuurboord, waardoor zijn, verdachtes schip de "Happiness" geheel of gedeeltelijk in de koerslijn van voormeld duwstel, de "Veerhaven VII" is terechtgekomen en/of vervolgens met zijn schip de Happiness in aanvaring is gekomen met voormeld duwstel, de "Veerhaven VII";

zijnde de terminologie in deze telastelegging gebezigd in de zin van het

Rijnvaartpolitiereglement 1995;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 22 augustus 2002 in de gemeente Beuningen, als schipper van een het motorschip, de "Happiness", met dat schip heeft gevaren althans zich heeft bevonden op de rivier de Waal, niet alle voorzorgsmaatregelen heeft genomen, die door de algemene plicht tot waakzaamheid en door goede zeemanschap werden gevorderd, teneinde te voorkomen dat het leven van personen in gevaar werd gebracht en/of schade werd veroorzaakt aan een ander schip/andere schepen en/of aan een ander(e) drijvend(e) voorwerp(en), aan oevers of aan werken en/of inrichtingen van welke aard ook die zich in die vaarweg of op die oevers daarvan bevonden en/of hinder voor de scheepvaart ontstond en/of het milieu in ernstige mate kon worden beïnvloed, immers terwijl er voor hem, verdachte voldoende ruimte was om met zijn, verdachtes schip, de "Happiness" tussen een aantal in de opvaart zijnde andere schepen door te varen, in aanvaring is gekomen met het in de opvaart zijnde duwstel, de "Veerhaven VII", door welke aanvaring, de aan boord van zijn, verdachtes schip, de "Happiness" zijnde matroos of opvarende P.Polak overboord is geslagen of gevallen en verdronken is, althans het leven van P. Polak in gevaar werd gebracht en/of schade werd veroorzaakt aan de duwbak, de "Haniel 195" van voormeld duwstel, de "Veerhaven VII";

zijnde de terminologie in deze telastelegging gebezigd in de zin van het Rijnvaartpolitiereglement 1995;

2.

hij op of omstreeks 22 augustus 2002 in de gemeente Beuningen als schipper van het motorschip, de "Happiness", met dat schip heeft gevaren althans zich heeft bevonden op de rivier de Waal, terwijl aan boord van dat schip niet aanwezig was een behoorlijk bijgehouden vaartijdenboek, zoals dat wordt vereist door de daartoe bijzondere bepaling gesteld in artikel 23.08 van het Reglement Onderzoek Schepen op de Rijn, immers was in strijd met de waarheid in dat vaartijdenboek vermeld dat zijn, verdachtes vriendin, van der Taelen, stuurman was en/of was/waren de laatste reis/reizen, van Neuss naar Krefeld en/of van Krefeld naar Antwerpen, die met dat schip was/waren gemaakt, niet in dat vaartijdenboek vermeld;

zijnde de terminologie in deze telastelegging gebezigd in de zin van het Rijnvaartpolitiereglement 1995 en het Reglement Onderzoek Schepen op de Rijn;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 02 juni 2003 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. M. Bakker en mr. E.A. Bik, beiden advocaat te Rotterdam.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een hechtenisstraf voor de duur van vier maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Ter zake van het onder 2 tenlastegelegde heeft de officier van justitie geëist dat verdachte zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 680,-.

Verdachte, zijn raadsvrouw en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

hij, op of omstreeks 22 augustus 2002 in de gemeente Beuningen, als schipper van het motorschip "Happiness", daarmede in de afvaart heeft gevaren op de rivier de Waal en/of zeer, althans aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig en/of onachtzaam,

-terwijl de vaargeul van die rivier ter plaatse een breedte had van ongeveer 200 meter en/of in de opvaart op een dwarsafstand van ongeveer 60 meter, gerekend vanuit de linker oever van die rivier, zich het duwstel, de "Veerhaven VII" bevond en/of in de opvaart op een dwarsafstand, ongeveer gelegen tussen de 10 en 15 meter, gerekend vanuit de rechter oever van die rivier, zich de/het schip/schepen de "Bjorn" en/of de "Jumbo" bevond/en, welk/e schepen/schip doende was/waren dat duwstel, de "Veerhaven VII" op en/of voorbij te lopen en/of toen voormelde opvarende schepen aldaar het/de in de afvaart zijnde schip/schepen de "Happiness" en de "Spaarnestroom" ontmoetten, althans doende waren elkaar te ontmoeten, die opvarende schepen, voor de afvaart een geschikte weg, te weten een ruimte van ongeveer 40 meter, zijnde de dwarsafstand tussen dat aan die linkeroever varende duwstel, de "Veerhaven VII" en dat/die aan die rechteroever varende schip/schepen, de "Bjorn" en/of de "Jumbo", hebben vrijgelaten, de plaatselijke omstandigheden en de bewegingen van andere schepen daarbij in aanmerking nemende, zoals omschreven in artikel 6.04 lid 1 van het Rijnvaartpolitie reglement 1995

- en/of -toen het duwstel, de "Veerhaven VII" en zijn, verdachtes schip, de "Happiness" elkaar op een afstand van ongeveer 500 meter waren genaderd, door dat duwstel, de "Veerhaven VII" met de scheepshoorn, ingevolge artikel 4.02 lid 1 van voormeld reglement, een lange stoot is gegeven, waarbij het fluitlicht werkte, zijnde een signaal als omschreven in artikel 4.01 lid 2 juncto bijlage 6 onder A.,van voormeld reglement, inhoudende: "attentie" -

en/of

terwijl de aanvankelijk door hem, verdachte aangehouden koers elk gevaar voor aanvaring uitsloot, zijn, verdachtes koers, in strijd met het gestelde in artikel 6.03 lid 3 van voormeld reglement, naar bakboord heeft verlegd en/of vervolgens op zodanige wijze naar stuurboord heeft verlegd, dat zijn, verdachtes schip geheel of gedeeltelijk in de koerslijn van voormeld duwstel, de "Veerhaven VII" is terechtgekomen en/of niet aan zijn, verdachtes verplichting, als omschreven in artikel 1.04 van voormeld reglement, heeft voldaan, voorzorgsmaatregelen te nemen die door de algemene plicht tot waakzaamheid en door goede zeemanschap werden gevorderd, teneinde met name te voorkomen, dat het leven van personen in gevaar werd gebracht en/of schade werd veroorzaakt aan andere schepen die zich in die vaarweg, de Waal bevonden en/of hinder voor de scheepvaart onstond en/of het milieu in ernstige mate kon worden beïnvloed, immers heeft hij verdachte toen aldaar middels de aan boord van zijn, verdachtes schip aanwezige marifooninstallatie, geen contact opgenomen met die in de opvaart zijnde schepen en/of heeft hij, verdachte ter voorkoming van een aanvaring, geen geluidsignaal/geluidsignalen en/of lichtsignalen gegeven en/of getoond en/of vervolgens met zijn, verdachtes schip de "Happiness" in aanvaring is gekomen met dat duwstel, de "Veerhaven VII" en/of waarbij en/of waardoor een aan boord van zijn, verdachtes schip de "Happiness" zich bevindende matroos, althans opvarende, P.Polak overboord is geslagen of gevallen en/of is verdronken en aldus zich zodanig heeft gedragen dat het aan zijn, verdachtes schuld te wijten is dat zijn, verdachtes vaartuig, te weten voormeld schip de "Happiness" is gezonken en/of is beschadigd en/of de duwbak, "Haniel 195" van voormeld duwstel de "Veerhaven VII" is beschadigd en/of welke gedraging/en van hem, verdachte en/of welke aanvaring, de dood van die P.Polak ten gevolge heeft gehad;

2.

hij op of omstreeks 22 augustus 2002 in de gemeente Beuningen als schipper van het motorschip, de "Happiness", met dat schip heeft gevaren althans zich heeft bevonden op de rivier de Waal, terwijl aan boord van dat schip niet aanwezig was een behoorlijk bijgehouden vaartijdenboek, zoals dat wordt vereist door de daartoe bijzondere bepaling gesteld in artikel 23.08 van het Reglement Onderzoek Schepen op de Rijn, immers was in strijd met de waarheid in dat vaartijdenboek vermeld dat zijn, verdachtes vriendin, van der Taelen, stuurman was en/of was/waren de laatste reis/reizen, van Neuss naar Krefeld en/of van Krefeld naar Antwerpen, die met dat schip was/waren gemaakt, niet in dat vaartijdenboek vermeld;

zijnde de terminologie in deze telastelegging gebezigd in de zin van het Rijnvaartpolitiereglement 1995 en het Reglement Onderzoek Schepen op de Rijn;

Hetgeen verdachte onder 1 primair en onder 2 meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijs-middelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben. De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

3.a Nadere bewijsoverweging

De rechtbank acht het onder 1 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Er is vast komen te staan dat er voldoende ruimte was voor de doorvaart en tevens dat de aanvankelijk door verdachte voorliggende koers ieder gevaar voor aanvaring uitsloot. Verdachte heeft door het tonen van het flikkerlicht zoals bedoeld in artikel 6.04, derde en vijfde lid van het Rijnvaartpolitiereglement 1995 bij de overige aanwezige scheepvaart, waaronder de “Veerhaven VII”, de indruk gewekt dat hij voornemens was de “Veerhaven VII” bakboord op bakboord voorbij te varen. Dit wordt mede ondersteund door het feit dat door de “Veerhaven VII” geen flikkerlicht werd getoond. Het is dan ook volkomen begrijpelijk dat de “Veerhaven VII” vervolgens stuurboord uit is gegaan, immers was er voor de “Veerhaven VII” geen reden om aan te nemen dat men af diende te wijken van de volgens artikel 6.04 van het Rijnvaartpolitiereglement 1995 geldende hoofdregel bij het naderen van schepen op een tegengestelde koers. De veronderstelling van verdachte dat “de Veerhaven VII” aan verdachte de ruimte liet om stuurboord op stuurboord voorbij te varen is dan ook onjuist. Nu niet is vast komen te staan dat er aanvankelijk, voordat verdachte ervoor koos om bakboord uit te gaan, gevaar voor aanvaring bestond, en nu is gebleken dat er voor de overige scheepvaart géén aanleiding bestond om af te wijken van het in het Rijnvaartpolitiereglement bepaalde, kan het verweer van de raadslieden van verdachte dat er sprake was van een situatie waarin verdachte diende te handelen zoals bepaald in artikel 1.05 van het Rijnvaartpolitiereglement 1995 niet slagen.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1 primair:

Het aan zijn schuld te wijten zijn dat een vaartuig zinkt en een vaartuig wordt beschadigd, terwijl het feit iemands dood tot gevolg heeft;

voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 169 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 2:

Met een schip varen op de rivier de Waal terwijl niet is voldaan aan de in artikel 1.10 aanhef en onder c van het Rijnvaartpolitiereglement 1995 juncto artikel 23.08 van het Reglement Onderzoek Schepen op de Rijn gestelde verplichting;

Strafbaar gesteld bij artikel 31, vierde lid van de Scheepvaartverkeerswet.

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid of feit aannemelijk geworden waardoor de strafbaarheid van verdachte wordt opgeheven of uitgesloten. Verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke en financiële omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 16 april 2003.

De rechtbank overweegt verder nog als volgt.

Verdachte heeft als schipper van een motorschip aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig gevaren op de rivier de Waal. Verdachte heeft een verkeerde inschatting gemaakt van de beschikbare doorvaartruimte en de intenties van het hem tegemoet varende duwstel, de “Veerhaven VII”. Op basis van deze onjuiste veronderstelling is verdachte bakboord uit gegaan zonder daarbij de overige scheepvaart duidelijkheid te verschaffen, door middel van het geven van licht- en/of geluidssignalen of het gebruik van de marifoon, omtrent zijn intenties. Verdachte heeft bij het maken van een inschatting van de situatie en het vaststellen van de onderlinge afstanden bovendien geen gebruik gemaakt van de hem ter beschikking staande radarinstallatie. De rechtbank is derhalve van oordeel dat verdachte niet alle voorzorgsmaatregelen heeft genomen die door de algemene plicht tot waakzaamheid en door goed zeemanschap van hem als schipper worden gevorderd ex artikel 1.04 van het Rijnvaartpolitiereglement 1995. Door het handelen van verdachte is een aanvaring ontstaan tussen het duwstel de “Veerhaven VII” en het motorschip van verdachte, de “Happiness”. Hierbij is een opvarende van de “Happiness” om het leven gekomen.

Voorts heeft verdachte het aan boord aanwezige vaartijdenboek niet behoorlijk bijgehouden.

De rechtbank is van oordeel dat gezien het blanco strafblad van verdachte en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen oplegging van een geheel voorwaardelijke hechtenisstraf en een geldboete een passende bestraffing is voor de afdoening van deze zaak

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is, behalve op de hiervoor genoemde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 18, 23, 24, 24c, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het 1 primair en onder 2 tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte 1 primair en onder 2 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

Ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde:

A. een hechtenisstraf voor de duur van vier (4) maanden.

Bepaalt dat deze hechtenisstraf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechtbank stelt een proeftijd vast van twee (2) jaren. De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

B. een betaling van een geldboete ten bedrage van € 2.000,- (tweeduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 40 dagen.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde:

B. een betaling van een geldboete ten bedrage van € 680,- (zeshonderd en tachtig euro).

Aldus gewezen door:

mr. B.N. Crol, vice-president als voorzitter,

mr. R.J.J. van Acht, rechter,

mr. I.D. Jacobs, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. V. van der Kuil, griffier.

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 juni 2003.