Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2003:AF9593

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
07-05-2003
Datum publicatie
23-06-2003
Zaaknummer
02-1856 VEROR
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

de hulpofficier van justitie namens verweerder aan eiser een verblijfsontzegging bekend gemaakt, inhoudende dat het hem gedurende een tijdvak van 2 weken (22 mei tot en met 5 juni 2002) tussen 12.00 uur en 06.00 uur verboden is zich, anders dan in een openbaar middel van vervoer, te bevinden op een aantal nader omschreven wegen en plaatsen in het gebied centrum van Nijmegen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector bestuursrecht

Reg.nr.: 02-1856 VEROR

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

A,

wonende te B, eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen, verweerder.

1. aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 24 juli 2002.

2. feiten en procesverloop

Op 22 mei 2002 heeft de hulpofficier van justitie namens verweerder aan eiser een verblijfsontzegging bekend gemaakt, inhoudende dat het hem gedurende een tijdvak van 2 weken (22 mei tot en met 5 juni 2002) tussen 12.00 uur en 06.00 uur verboden is zich, anders dan in een openbaar middel van vervoer, te bevinden op een aantal nader omschreven wegen en plaatsen in het gebied centrum van Nijmegen.

Op 6 juni 2002 heeft de hulpofficier van justitie namens verweerder opnieuw een verblijfsontzegging bekend gemaakt aan eiser welke inhoudelijk overeenstemt met de hiervoor omschreven verblijfsontzegging van 22 mei 2002, echter met dien verstande dat het verbod betrekking heeft op de periode 6 juni tot en met 29 augustus 2002.

De gemachtigde van eiser, mr. G.J. Gerrits, advocaat te Nijmegen, heeft namens eiser op 14 juni 2002 tegen beide verblijfsontzeggingen een bezwaarschrift ingediend.

Bij het in rubriek 1. genoemde besluit heeft verweerder de bezwaarschriften ongegrond verklaard en de primaire besluiten gehandhaafd.

Tegen dit besluit heeft mr. G.J. Gerrits voornoemd namens eiser op 30 augustus 2002 beroep bij de rechtbank ingesteld, waarna de gronden van het beroep zijn uiteengezet in twee aanvullende beroepschriften van 19 september 2002 en 7 februari 2003.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 26 maart 2003. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. G.J. Gerrits. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door O.E.T. van Dijk, werkzaam bij de gemeente Nijmegen.

3. overwegingen

Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat twee processen verbaal van de politie aantonen dat eiser op een luidruchtige manier leuzen schreeuwt tegen voorbijkomende mensen en ambtenaren uitscheldt. Eiser veroorzaakt daarmee overlast voor de medewerkers en bezoekers van het stadhuis. Op grond van een belangenafweging waarbij enerzijds het recht van eiser om vrij zijn mening te uiten is gewogen en anderzijds de belangen van de openbare orde en rust en orde in en rond het stadhuis alsmede het publieke belang van een goed functionerend ambtelijk apparaat, heeft verweerder laatstgenoemde belangen laten prevaleren boven het belang van eiser.

Eiser kan zich hiermee niet verenigen en betwist dat hij mensen persoonlijk aanspreekt of zou schreeuwen. Hij heeft nooit een ambtenaar uitgescholden en geen mensen geïntimideerd. Uit geen van de processen-verbaal blijkt volgens eiser dat hij de openbare orde of zedelijkheid heeft verstoord of ernstig in gevaar heeft gebracht. Eiser vindt het onacceptabel dat hem na slechts één enkel incident een verblijfsontzegging is opgelegd voor het gehele centrum van Nijmegen, waardoor het hem praktisch onmogelijk is gemaakt om van zijn grondrecht van vrije meningsuiting gebruik te maken.

Voorts acht eiser de verblijfsontzeggingen onvoldoende gemotiveerd.

Ten slotte is eiser van mening dat de burgemeester en dus niet het college van burgemeester en wethouders op grond van artikel 172 Gemeentewet bevoegd is om bij verstoring van de openbare orde of bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, de bevelen te geven die noodzakelijk zijn voor de handhaving van de openbare orde. Ook het door het college van burgemeester en wethouders verleende (onder)mandaat aan de districtschef of de hulpofficier van justitie is volgens eiser niet geldig.

De rechtbank overweegt als volgt.

Voorafgaand aan de inhoudelijke beoordeling van het beroep dient te worden beoordeeld of eiser voldoende processueel belang heeft bij de onderhavige procedure. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Hoewel de periode waarvoor de verblijfsontzeggingen golden reeds is verstreken en eiser in ieder geval ten tijde van het instellen van het beroep niet meer kon bewerkstelligen dat hij zich gedurende de in de verblijfsontzeggingen genoemde periodes in de betreffende gebieden in het centrum van Nijmegen normaal zou kunnen ophouden, heeft eiser -overigens eerst ter zitting- gesteld schade te hebben geleden. Aangezien eiser met het oog op zijn vordering tot schadevergoeding een processueel belang heeft, is het beroep van eiser ontvankelijk.

Ingevolge het bepaalde in artikel 2.4.1 van de Algemene Plaatselijke Verordening van Nijmegen (hierna te noemen: APV) is het degenen aan wie dit door of namens burgemeester en wethouders in het belang van de openbare orde of zedelijkheid is bekendgemaakt, verboden zich anders dan in een openbaar middel van vervoer te bevinden op of aan door burgemeester en wethouders aangewezen wegen en plaatsen gedurende de uren daarbij genoemd. Dit verbod geldt de in de bekendmaking genoemde periode van ten hoogste twaalf weken.

De verblijfsontzeggingen waarop het bestreden besluit betrekking heeft, zijn gebaseerd op overtreding van artikel 2.4.1 van de APV.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verweerder bevoegd was tot het opleggen van een verblijfsontzegging.

De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

Ingevolge artikel 172, eerste lid, van de Gemeentewet is de burgemeester belast met de openbare orde. Het betreft een taakstellende bepaling, welke -zo valt af te leiden uit het bepaalde in het tweede lid van dit artikel- ziet op de openbare ordehandhaving in “enge zin”. Hieronder dient naar het oordeel van de rechtbank te worden verstaan dát gedeelte van de openbare ordehandhaving welke doorgaans feitelijk door de politie wordt uitgevoerd (los van de eigen bevoegdheden die aan de politie ter zake van de ordehandhaving zijn toebedeeld). Het is aan de (lagere) wetgever, waaronder de raad van een gemeente, om de uitoefening van deze taak nader te normeren.

Anders dan verweerder meent, heeft naar het oordeel van de rechtbank bij zulk een nadere normering voorop te staan dat het stelsel van de Gemeentewet de bestuursbevoegdheden tot handhaving van de openbare orde exclusief bij de burgemeester legt. Waar ingevolge het bepaalde in artikel 160, eerste lid, onder b, van de Gemeentewet in zijn algemeenheid het college van burgemeester en wethouders is belast met de uitvoering van raadsbesluiten (tenzij bij of krachtens de wet de burgemeester daarmede is belast), dient de raad van een gemeente -indien het gaat om een verordening ter handhaving van de openbare orde in enge zin- niet dit college maar de burgemeester als uitvoerend bestuursorgaan aan te wijzen.

Aan het voorgaande doet niet af dat de Gemeentewet in artikel 174, derde lid, van de Gemeentewet de uitvoering van verordeningen betreffende aangelegenheden als bedoeld in het eerste lid van dit artikel expliciet aan de burgemeester opdraagt. Zulks brengt immers nog niet met zich dat de burgemeester niet (langer) zou zijn belast met de uitvoering van verordeningen welke zien op openbare ordehandhaving in enge zin. Het opnemen van de bevoegdheid ex artikel 174, derde lid, van de Gemeentewet laat zich verklaren doordat deze burgemeesterlijke bevoegdheid weliswaar verband houdt met de handhaving van openbare orde in enge zin, maar hiermee niet samenvalt. Het betreft in die zin een bevoegdheid welke bestaat naast de taakstellende bepaling in artikel 172, eerste lid, van de Gemeentewet.

In onderhavig geval betreft het een verordening op basis waarvan aan personen, die de openbare orde en veiligheid (ernstig) in gevaar brengen, een verblijfsontzegging kan worden opgelegd voor een nader aangewezen gebied en voor een nader geduide periode. Naar het oordeel van de rechtbank is zulk een verordening ingegeven vanuit het oogpunt van openbare ordehandhaving in enge zin en dient de uitvoering daarvan derhalve niet aan verweerder maar aan de burgemeester te worden opgedragen.

Gelet op het voorgaande moet worden geoordeeld dat artikel 2.4.1 van de APV onverbindend moet worden geacht en derhalve geen grondslag kan bieden voor de door verweerder opgelegde verblijfsontzeggingen.

Verweerder had derhalve de bezwaren van eiser gegrond moeten verklaren en moeten vaststellen dat de primaire besluiten ten onrechte namens het college van burgemeester en wethouders zijn genomen. Niet het college van burgemeester en wethouder, maar de burgemeester was daartoe immers bevoegd. Dit bevoegdheidsgebrek is door verweerder niet te repareren of te herstellen. Het beroep is in zoverre gegrond.

Ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding overweegt de rechtbank als volgt.

Eiser heeft aangeknoopt bij de vergoeding ter zake van onrechtmatige vrijheidsberoving, welke wordt toegekend aan personen die ten onrechte gedetineerd zijn geweest in hetzij een politiecel, hetzij een huis van bewaring of een penitentiaire inrichting. Eiser heeft zelf ook aangegeven dat onrechtmatige vrijheidsbeneming veel ingrijpender van karakter is dan een verblijfsontzegging voor een beperkt gebied, en dat hiermee rekening is gehouden bij het gevorderde bedrag voor iedere dag dat voor hem de verblijfsontzegging gold. Eiser vordert een bedrag van € 10,-- voor iedere dag dat de verblijfsontzegging gold, hetgeen uitgaande van een periode van 14 weken uitkomt op een bedrag van € 980,--.

De rechtbank is van oordeel dat een beperking van de bewegingsvrijheid bij oplegging van een verblijfsontzegging (zoals in het geval van eiser) wezenlijk verschilt van een situatie van onrechtmatige vrijheidsberoving. De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat de verblijfsontzegging in het onderhavige geval beperkt was tot het centrum van Nijmegen en dat Nijmegen niet de woonplaats van eiser is. Eiser heeft voor het overige geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat hij als gevolg van de hem opgelegde verblijfsontzegging daadwerkelijk schade heeft geleden.

De rechtbank acht op grond van het voorgaande geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:73 van de Awb.

De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder onder toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten worden met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Stb. 1993, 763) begroot op € 644,--

aan kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

Tevens dient toepassing te worden gegeven aan artikel 8:74, eerste lid, van de Awb.

Beslist wordt als volgt.

4. Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 24 juli 2002;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644,--;

- bepaalt dat de betaling van dat bedrag dient te worden gedaan op bankrekeningnummer 1923.25.752, ten name van DS 533 arrondissement Arnhem, onder vermelding van registratienummer 02-1856 en wijst de gemeente Nijmegen aan als de rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden;

- gelast de gemeente Nijmegen om aan eiser het door hem betaalde griffierecht ad € 109,-- te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. J.J. Penning, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2003

in tegenwoordigheid van mr. I.W.M. Laurijssens als griffier.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 8 mei 2003

Coll: IL