Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2003:AF9110

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
07-05-2003
Datum publicatie
23-05-2003
Zaaknummer
02 / 424
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJK 2003, 74
Onderwijs Totaal 2003/218

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 02/424

Datum uitspraak: 7 mei 2003

Vonnis

in de zaak van

X,

wonende te Z,

eiseres bij dagvaarding van 14 maart 2002,

procureur mr J.C.N.B. Kaal,

advocaat mr. L.I. Boes te Amsterdam,

tegen

De publiekrechtelijke rechtspersoon

RIJKS AGRARISCHE HOGESCHOOL TE VELP,

genaamd LARENSTEIN,

gevestigd te Velp,

gedaagde,

procureur mr J.M. Bosnak,

advocaat mr. J.L. Oudshoorn te ‘s-Gravenhage.

Bij de stukken bevindt zich een afschrift van een tussen de partijen gewezen tussenvonnis van deze rechtbank van 11 juli 2002.

Het verloop van de procedure

Voor het eerdere verloop wordt verwezen naar het tussenvonnis. Naar aanleiding daarvan heeft een comparitie (na antwoord) plaats-gevonden; het proces-verbaal daarvan bevindt zich bij de stukken. X heeft een conclusie van repliek genomen en Larenstein een conclusie van dupliek. Daarna is vonnis bepaald.

De vaststaande feiten

Tussen de partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende weersproken en op grond van de overgelegde producties het volgende vast:

1. X studeert sinds september 1998 aan de Hogeschool Larenstein Tuin- en Landschapsinrichting.

2. Tot het door X te volgen onderwijs behoorde gedurende een periode van zeven weken een wekelijkse introductieles voor drie parallelklassen eerstejaars, de klassen 1,2 en 3, die aan het begin van het schooljaar 1998/1999 bestonden uit resp. 29, 20 en 28 leerlingen.

3. Die introductieles werd gegeven in een lokaal dat bekend staat als het atelier en dat feitelijk een voormalige gymzaal is. In dat lokaal zijn ongeveer 40 zitplaatsen (stoelen). Tot het meubilair behoorde verder een aantal tafels: tweepersoonstafels op 4 poten en eenpersoonstafels op een zogenaamde U-poot, bestaande uit horizontale buizen aan weerszijden onder het blad en op de grond, aan de voorzijde van de tafel verbonden met twee verticale kolommen.

4. Bij gebreke van voldoende zitplaatsen is het gebruikelijk dat leerlingen en docenten tijdens de introductielessen in het atelier op tafels gaan zitten.

5. Tijdens zo’n introductieles op 10 december 1998 is X, bij gebreke van een zitplaats, gaan zitten op een tafel met U-poot, naast een medeleerling die er al zat. Beiden zaten met hun benen over de rand van het blad van de tafel aan de voorzijde waaronder zich de verticale kolommen bevinden. Op enig moment tijdens de les is het blad van de tafel afgebroken en is X achterover van de tafel gevallen waarbij zij haar nek en rug heeft bezeerd.

Het geschil en de boordeling daarvan

6. X vordert een verklaring voor recht dat Larenstein aansprakelijk is voor door haar geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade die voorvloeit uit het ongeval op 10 december 1998 en de veroordeling van Larenstein tot vergoeding van die schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Larenstein heeft de vordering gemotiveerd weersproken.

7. De vordering van X is -kort samengevat- daarop gebaseerd dat Larenstein toerekenbaar tekortgeschoten is danwel onrechtmatig heeft gehandeld door niet voor voldoende zitplaatsen in het atelier te zorgen en daardoor gevaar heeft doen ontstaan voor een ongeval als X is overkomen, zonder maatregelen te treffen ter voorkoming daarvan.

8. Voor de beoordeling zijn maatgevend de criteria die gelden voor gevaarzetting, zoals de mate van waarschijnlijkheid dat ongevallen zullen ontstaan, de mogelijke ernst daarvan, de bezwaarlijkheid van het nemen van veiligheidsmaatregelen ter voorkoming daarvan en de mate van voorzienbaarheid dat anderen niet de vereiste voorzichtigheid in acht zullen nemen. Voor het aannemen van een wezenlijk scherpere zorgplicht van Larenstein uit hoofde van een tussen Larenstein als onderwijsinstelling en X als leerling bestaande rechtsverhouding (een ‘onderwijsovereenkomst’) is geen grond. Maar niet uitgesloten is dat aan de feitelijke en/of rechtsverhouding tussen school en leerling mede betekenis toekomt bij de boordeling in concreto aan de hand van genoemde criteria.

9. Vast staat dat in het atelier destijds niet meer dan ongeveer 40 zitplaatsen, dat wil zeggen: stoelen, waren. Vast staat ook dat de wekelijkse introductieles waarom het hier gaat bedoeld was voor drie parallelklassen, waarvan het totaal aantal leerlingen aan het begin van het schooljaar 77 bedroeg. Dat dat totaal aantal op 10 december 1998 reeds aanmerkelijk minder bedroeg door voortijdige uitval, is gesteld nog gebleken. Duidelijk is daarmee dat het totaal aantal leerlingen dat tijdens de introductielessen volgens het rooster in het atelier samen zou kunnen komen aanmerkelijk groter was dan het totaal aantal zitplaatsen. Larenstein heeft wel gesteld dat niet alle leerlingen van de drie klassen steeds kwamen opdagen bij de introductieles en dat van tevoren moeilijk was in te schatten hoeveel er zouden komen. Daargelaten dat Larenstein dit verder niet met concrete getallen of andere gegevens heeft onderbouwd, komt het hierop ook niet aan. Het rooster was nu eenmaal zo dat de introductieles gegeven werd voor de drie parallelklassen. Larenstein moest er daarom rekening mee houden dat alle leerlingen aan de les zouden kunnen deelnemen. Dat is een verwachting die in het onderwijs ook het uitgangspunt behoort te zijn.

10. Dat er tijdens deze introductielessen ook feitelijk steeds (veel) te weinig zitplaatsen waren, zoals X heeft gesteld, heeft Larenstein niet gemotiveerd weersproken. Dat staat dus vast. Uit de reactie van Larenstein bij dupliek valt bovendien af te leiden dat dit een probleem was dat zich al jaren bij deze introductielessen voor een aantal parallelklassen voordeed. Als vaststaand moet ook worden aangenomen dat Larenstein hiervan op de hoogte was. In ieder geval behoorde zij daarvan op de hoogte te zijn, want de aanwezige docenten zullen dat zelf ook hebben moeten constateren, wat overigens ook volgt uit de informatie van docent Vlug. De wetenschap van die docenten moet aan Larenstein worden toegerekend.

11. X heeft voorts gesteld -en zo bij de comparitie verklaard- dat de situatie van te weinig zitplaatsen er toe leidde dat leerlingen en docenten bij de introductielessen op de aanwezig tafels gingen zitten. Dat heeft Larenstein niet betwist en staat dus eveneens vast. Uit de stellingen van Larenstein moet ook worden afgeleid dat zij daarvan op de hoogte was. Afgezien daarvan was ook geheel voorzienbaar dat deelnemers aan de les op tafels zouden gaan zitten, bij gebreke van stoelen, zeker waar het gaat om leerlingen, die de leeftijd van middelbare scholieren nauwelijks ontgroeid zijn. Dat dat zo gaat, ook al duurt de les niet langer dan 20 a 25 minuten, valt te verwachten.

12. De vraag is nu hoe gevaarlijk het zitten op tafels in de gegeven omstandigheden was en hoe groot de kans dat dat tot ongevallen als de onderhavige zou leiden. Op grond van dagelijkse ervaring is het niet zo dat er steeds een grote kans is dat een tafel het zal begeven wanneer daarop iemand gaat zitten. Maar die kans is in zijn algemeenheid ook niet verwaarloosbaar klein. Tafels zijn doorgaans niet bedoeld om op te zitten en aangenomen moet worden dat die doorgaans ook niet daarvoor ontworpen en daarop berekend zijn, anders dan stoelen. Dat is iets wat iedereen kan beseffen. Men mag er daarom in zijn algemeenheid niet op vertrouwen dat op een tafel veilig gezeten kan worden. Of in concreto op een tafel veilig kan worden gezeten hangt af van de precieze constructie en de verdere hoedanigheden van de tafel en van de staat waarin die verkeert.

13. In dit perspectief is van het zitten op tafels in zijn algemeenheid wel degelijk een relevante mate van gevaar te verwachten, tenzij tevoren in concreto duidelijk is dat het gaat om (een) tafel(s) die daar tegen kan/kunnen. Niet gesteld of gebleken is dat Larenstein zich ervan vergewist heeft dat de in het atelier aanwezige tafels van dien aard waren dat zij het gewicht van volwassen zittende lichamen veilig konden dragen. Zeker wat betreft de tafels met een U-poot mocht daarvan niet worden uitgegaan, nu een zijde van het blad niet werd ondersteund door rechtsreeks op de grond rustende verticale kolommen. Ten aanzien van het gevaarsaspect kan voorts geredelijk worden aangenomen dat als een tafel met zo’n U-poot het onder het gewicht begeeft de kans groot is dat de persoon die daarop zit op een wijze als in dit geval achterover zal vallen en daarbij een lelijke smak kan maken met een aanmerkelijke kans op (ernstig) (rug en/of nek)letsel.

14. Larenstein moest er verder op bedacht zijn dat leerlingen in de hierbedoelde leeftijd niet erg geneigd zullen zijn zich veel rekenschap te geven van mogelijke gevaarlijkheid van het zitten op tafels. In die zin moest zij met een zekere mate van eigen onvoorzichtigheid van haar leerlingen rekenen en haar gedragingen daarop mede afstemmen.

15. Wat bij dit alles een belangrijke rol speelt is dat de gevaren met eenvoudige middelen voorkomen hadden kunnen worden. Larenstein had bijvoorbeeld gemakkelijk voor de aanwezigheid van een heel aantal stapelbare stoelen in het atelier kunnen zorgen, die, indien niet gebruikt, weinig ruimte hoeven in te nemen en waarvan de kosten niet heel hoog hoeven te zijn. De bezwaarlijkheid van zulke maatregelen ter voorkoming van zitten op tafels valt niet in te zien en Larenstein heeft niets gesteld waaruit blijkt dat dat in dit geval wel te bezwaarlijk zou zijn.

16. Reeds gezien hetgeen onder 15 is overwogen komt geen gewicht toe aan het argument van Larenstein dat zij met ruimtegebrek had te kampen.

17. Al het voorgaande in aanmerking genomen moet worden geoordeeld dat Larenstein toerekenbaar in strijd heeft gehandeld met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Larenstein is daarom in beginsel aansprakelijk voor de schade die X lijdt. Dat X schade lijdt is voldoende aannemelijk. De aard en de omvang daarvan en de mate waarin die aan Larenstein als gevolg van haar onrechtmatig handelen moet worden toegerekend (art 6:98 BW) zullen verder in de schadestaat moeten worden beoordeeld.

18. In de stellingen van Larenstein ligt ook een beroep op eigen schuld van X besloten. Daaromtrent wordt het volgende overwogen. Het enkele feit dat X op een tafel is gaan zitten valt haar op zichzelf nog niet als eigen schuld toe te rekenen. Velen deden dat en dat was kennelijk gebruikelijk. Op die te verwachten onvoorzichtigheid moest Larenstein nu juist anticiperen. Maar hoe dat in de omstandigheden van het geval is gegaan valt tot op zekere hoogte wel aan X als eigen onvoorzichtigheid toe te rekenen. Blijkens haar verklaring ter comparitie had zij voor 10 december 1998 niet eerder op een tafel gezeten omdat zij steeds een zitplaats had gevonden. Zij heeft verder verklaard dat zij nooit aandacht heeft gehad voor hoe de tafels eruit zagen. Op 10 december 1998 is zij op de roep van een mededeleerling in een verduisterd lokaal naast die leerling op een tafeltje gaan zitten, zonder te kijken waarop zij ging zitten en zonder dat uit eerdere waarneming te weten. Dat was onvoorzichtig. Zij mocht er zonder, al was het maar vluchtig, even te kijken waarop zij ging zitten niet zonder meer op vertrouwen dat een betrekkelijk klein tafeltje het gewicht van twee volwassen lichamen zou kunnen dragen.

19. Daarmee rijst de vraag in welke mate de wederzijdse omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Bij de causaliteitsafweging komt het daarbij aan op de mate waarin de wederzijdse omstandigheden het gevaar voor het ontstaan van schade in het leven hebben geroepen. Dat is in overwegende mate in het leven geroepen door de handelwijze van Larenstein die een situatie heeft gecreëerd waarvan met grote mate van waarschijnlijkheid te verwachten viel dat die tot het zitten op tafels zou leiden, zonder dat leerlingen er zich rekenschap van zouden geven of dat zonder gevaar kon. Dat leidt de rechtbank tot het oordeel dat de schade over Larenstein en X moet worden verdeeld in de verhouding van 80:20. Voor een afwijking daarvan op grond van de billijkheid ziet de rechtbank geen aanknopingspunten.

20. Met inachtneming van het voorgaande zal de vordering worden toegewezen zoals hierna te vermelden. Larenstein zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

De beslissing

De rechtbank, recht doende

1. verklaart voor recht dat Larenstein aansprakelijk is voor door X als gevolg van het haar op 10 december 1998 overkomen ongeval geleden schade en veroordeelt Larenstein tot vergoeding van 80% van die schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

2. veroordeelt Larenstein in de kosten van de procedure, aan de zijde van X bepaald op € 270,56 voor verschotten en € 1.170,- voor salaris procureur;

3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr R.J.B. Boonekamp, rechter, en in het openbaar uitgesproken op woensdag 7 mei 2003.

De griffier: De rechter: