Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2003:AF8093

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
10-04-2003
Datum publicatie
01-05-2003
Zaaknummer
Reg.nr.: AWB 02/2418 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector bestuursrecht

Reg.nr.: AWB 02/2418 WW

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

A. wonende te Kerkdriel, eiser,

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, rechtsopvolger van het Landelijk instituut sociale verzekeringen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 1 oktober 2002, uitgereikt door Uwv Gak te Amsterdam.

2. Procesverloop

Op 6 december 1996 heeft eiser bij verweerder een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd.

Bij besluit van 23 januari 1997 heeft verweerder aan eiser met ingang van 11 december 1996 een WW-uitkering toegekend.

Op 22 oktober 1999 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat hij na 4 oktober 1999 geen recht meer heeft op een WW-uitkering, wegens aanvaarding van een dienstbetrekking.

Bij besluit van 25 oktober 2001 (besluit 1) heeft verweerder het besluit waarbij aan eiser een WW-uitkering is toegekend, herzien over de periode 5 januari 1998 tot 3 oktober 1999, omdat hij in dat tijdvak werkzaamheden in loondienst heeft verricht en over die uren geen recht op uitkering had. De in voornoemde periode als gevolg van de herziening onverschuldigd betaalde uitkering ad ƒ 13.918,60 heeft verweerder bij besluit van 29 oktober 2001 van eiser teruggevorderd (besluit 2).

Bij besluit van eveneens 29 oktober 2001 heeft verweerder aan eiser een administratieve boete opgelegd van ƒ 1.400,00 (besluit 3).

Tegen de besluiten 1 en 2 heeft mr. C.J.F. van Rijswick, werkzaam bij FNV Ledenservice te Bunnik, namens eiser op 30 november 2001 bezwaar gemaakt, waarna de gronden van het bezwaar zijn uiteengezet in een aanvullend bezwaarschrift van 12 maart 2002. Hierbij is tevens bezwaar gemaakt tegen besluit 3.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het bezwaar tegen het boetebesluit van 29 oktober 2001 niet ontvankelijk verklaard en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard en de eerdergenoemde besluiten gehandhaafd.

Tegen dit besluit heeft mr. Van Rijswick, voornoemd, namens eiser op 8 november 2002 beroep bij de rechtbank ingesteld.

Verweerder heeft op 6 december 2002 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 27 maart 2003. Eiser is met kennisgeving van verhindering niet ter zitting verschenen. Verweerder heeft eveneens laten weten niet ter zitting te zullen zijn vertegenwoordigd.

3. Overwegingen

In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat eiser in de periode van 5 januari 1998 tot 3 oktober 1999 heeft gewerkt en hij niet van alle gewerkte uren melding heeft gemaakt op de zogenaamde werkbriefjes. Nu eiser volgens verweerder niet heeft voldaan aan de mededelings-verplichting als bedoeld in artikel 25 van de WW en als gevolg daarvan teveel uitkering heeft ontvangen, dient het besluit waarbij de uitkering aan eiser is toegekend, met toepassing van artikel 22a, eerste lid, onder a, van de WW, over voornoemde periode te worden herzien en de verstrekte uitkering op grond van artikel 36, eerste lid, van de WW als onverschuldigd betaald te worden teruggevorderd. Ten aanzien van eisers bezwaar tegen besluit 3 is verweerder van mening dat dit bezwaar niet ontvankelijk moet worden verklaard aangezien het niet binnen de geldende wettelijke termijn bij verweerder is binnen gekomen.

Eiser kan zich hiermee niet verenigen en stelt zich op het standpunt dat hij zijn werkbriefjes altijd naar waarheid heeft ingevuld en dat hij derhalve zijn inlichtingenplicht niet heeft geschonden. Dat de werkgever van eiser zijn administratie niet op orde heeft, kan niet aan hem worden tegengeworpen. Bovendien is verweerder voorbij gegaan aan de verklaring van de werkgever dat hij als gevolg van zijn gebrekkige administratie 575 uren ten onrechte op de loonstroken van eiser heeft vermeld.

Uit de paspoortgegevens van eiser blijkt voorts dat hij in januari 1999 wegens vakantie drie weken niet heeft gewerkt, zodat, voor zover eiser door hem gewerkte uren niet zou hebben opgegeven, dit aantal moet worden verminderd met 45.

Tot slot stelt eiser eerst op 3 oktober 1999 en niet per 1 juni 1999 bij de werkgever in vaste dient te zijn getreden zodat deze nog eens 550 uren teveel op de loonstroken heeft vermeld.

De rechtbank overweegt vooraleerst dat niet gebleken is dat eiser beroep heeft ingesteld tegen het bestreden besluit voor zover daarbij het door hem gemaakte bezwaar tegen besluit 3 niet ontvankelijk is verklaard.

De rechtbank overweegt voorts als volgt.

In artikel 25 van de WW is bepaald dat een werknemer verplicht is aan het Uwv, op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mede te delen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering, of op het bedrag van de uitkering dat aan de werknemer wordt betaald.

In artikel 22a, eerste lid, onder a, van de WW is, voor zover hier van belang, bepaald, dat het Uwv een besluit tot toekenning van een uitkering herziet of intrekt indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 25 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering.

Ingevolge artikel 36, eerste lid, van de WW wordt de uitkering die als gevolg van een besluit bedoeld in artikel 22a onverschuldigd is betaald, van de betrokken werknemer teruggevorderd.

Naar aanleiding van een door eiser ingediende (nieuwe) aanvraag om een uitkering ingevolge de WW, ingaande 2 augustus 1999, heeft verweerder looninformatie ingewonnen bij de werkgever, X CV te K. Bij vergelijking van de verkregen looninformatie met de door eiser ingevulde werkbriefjes, bleek het aantal gewerkte uren niet overeen te komen.

In zijn brief van 17 juni 2000 heeft drs. Y, werkzaam bij Advies- en administratiebureau Y te B, welk kantoor de administratie verzorgt voor eisers werkgever, een verklaring gegeven voor het verschil tussen de op de werkbriefjes opgegeven uren en de uren zoals die waren verantwoord in de loonadministratie van genoemde werkgever.

Verweerder heeft, naar aanleiding hiervan, de Opsporingsdienst Regio Oost verzocht nader onderzoek te verrichten, waarna voornoemde dienst, na verhoor van zowel eiser, diens werkgever en de heer Y, voornoemd, op 10 januari 2001 rapport heeft uitgebracht. Uit de conclusie van voornoemd rapport blijkt dat eiser in de jaren 1998 en 1999 meer uren heeft gewerkt dan hij heeft opgegeven op de werkbriefjes.

Eiser heeft ten overstaan van de opsporingsambtenaren verklaard dat hij alle gewerkte uren die hij reed op de taxi en de bus doorgaf aan verweerder en hij niet wist dat de uren die hij nodig had om de bussen schoon te maken voor en na het einde van de ritten ook als werktijd werden beschouwd. Voorts heeft eiser verklaard dat hij de salarisstroken die hij kreeg, controleerde aan de hand van de betalingen die hij in die periode had ontvangen. De contant uitbetaalde bedragen klopten altijd met de bedragen die op de salarisstroken stonden vermeld. De heer Y, voornoemd, heeft op 28 november 2000 ten overstaan van de opsporingsambtenaren verklaard dat het verschil tussen de door eiser opgegeven uren en de door de werkgever geregistreerde uren waarschijnlijk voortkwam uit het feit dat de werkgever voor de bepaling van het aantal gewerkte uren is uitgegaan van de totale werkzaamheden van eiser, inclusief het reinigen van de bus en het woon-werkverkeer.

Op grond van de gedingstukken is naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam komen vast te staan dat eiser aan verweerder een onvolledige opgave heeft gedaan van de door hem gewerkte uren.

De rechtbank overweegt in dit verband dat het eiser bekend was dat hij ƒ 14,90 per uur verdiende. Eiser had derhalve uit de salarisspecificaties, waarop het totaal aantal gewerkte uren en genoemd uurloon was vermeld, kunnen afleiden dat hij meer uren had gewerkt dan door hem aan verweerder waren opgegeven. Daarbij komt dat de bedragen op de salarisspecificaties overeenkwamen met de door hem ontvangen contante bedragen. Bovendien werden op de salarisspecificaties ook nog eens de gewerkte uren vermeld, zodat eiser reeds op grond daarvan had moeten begrijpen dat zijn opgave aan verweerder onvolledig was. Hieraan doet niet af dat eiser eerst geruime tijd nadat hij de werkzaamheden had verricht en het loon daarvoor had ontvangen, over genoemde specificaties kon beschikken.

Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat het op de weg van eiser had gelegen de door hem opgegeven uren nog eens te verifiëren aan de hand van de uren die waren vermeld op de specificaties zodat hij verweerder alsnog op de hoogte had kunnen stellen van de werkelijk door hem gewerkte uren.

Uit het vorenstaande in samenhang met de tot de gedingstukken behorende werkbriefjes blijkt naar het oordeel van de rechtbank dan ook genoegzaam dat eiser zijn mededelingsplicht als bedoeld in artikel 25 van de WW heeft geschonden.

Vervolgens dient de rechtbank te onderzoeken of het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht kan leiden tot een herziening van de aan eiser toegekende WW-uitkering op grond van artikel 22a van de WW.

Uit het bepaalde in artikel 16, eerste lid van de Werkloosheidswet volgt dat aan een werknemer een WW-uitkering wordt toegekend over het aantal uren waarover hij werkloos wordt in de zin genoemde bepaling. Indien een werknemer werkzaamheden gaat verrichten dient de uitkering op grond van artikel 20, eerste lid, onder b jo. 20, vierde lid, onder a, van die wet te worden beëindigd voor het aantal uren waarover de werknemer niet langer als werkloos kan worden beschouwd.

Het vorenstaande brengt mee dat in een geval zoals het onderhavige waarin verweerder, met toepassing van artikel 22a, eerste lid, onder a, van de WW overgaat tot herziening van het toekenningsbesluit, het recht op WW opnieuw moet worden vastgesteld met ingang van de datum waarop en aan de hand van het van het aantal uren waarover nog recht op uitkering bestaat.

Uit de inhoud van het bestreden besluit, voor zover daarbij het herzieningsbesluit is gehandhaafd, heeft de rechtbank echter niet af kunnen leiden dat het recht op uitkering op de hierboven vermelde wijze opnieuw is vastgesteld. Verweerder heeft uitsluitend aangegeven dat eisers uitkering vanaf 5 januari 1998 (gedeeltelijk) wordt herzien met als reden dat hij niet alle uren die hij heeft gewerkt bij X heeft opgegeven. Als gevolg van de ondeugdelijke administratie van de werkgever enerzijds en de tegenstrijdige verklaringen van zowel eiser als de werkgever en diens administrateur anderzijds, was het voor verweerder niet meer vast te stellen hoeveel uren eiser precies had gewerkt. Verweerder heeft zich om die reden gebaseerd op de gewerkte uren welke vermeld staan op de loonspecificaties. Hiervan uitgaande had verweerder naar het oordeel van de rechtbank moeten aangeven welke invloed de werkzaamheden van eiser hebben gehad op de omvang van zijn recht op WW over de periode van 5 januari 1998 tot 3 oktober 1999. Door zulks na te laten is het onduidelijk met welk aantal uren verweerder eisers uitkering heeft herzien en hoe groot de omvang van een eventueel nog bestaand recht op uitkering is.

De rechtbank is overigens met verweerder van oordeel dat de onzekerheid omtrent de omvang van de werkloosheid welke te wijten is aan het feit dat eiser zijn mededelingsplicht niet behoorlijk is nagekomen, in beginsel voor zijn risico komt. Het ligt derhalve op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat hij minder uren heeft gewerkt dan verweerder aangeeft (CRvB, 18 juli 2001, USZ 2001/237).

Eiser heeft dit naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval genoegzaam aangetoond ten aanzien van de periodes van 8 januari 1999 tot en met 26 januari 1999 en van 6 augustus 1999 tot en met 4 september 1999 waarin hij, getuige de stempels in zijn paspoort, in het buitenland verbleef waardoor hij in die periodes niet heeft kunnen werken. Verweerder heeft naar aanleiding hiervan uitsluitend gesteld dat niet aannemelijk is geworden dat eiser, in periodes waarin hij niet werkte, geen loon heeft ontvangen. Verweerder is hiermee naar het oordeel van de rechtbank voorbij gegaan aan het feit dat de loonadministratie van verweerder, naar vast is komen te staan, de nodige lacunes vertoonde zodat moet worden aangenomen dat op grond van de daarin opgenomen gegevens bepaald geen juist beeld van de omvang van de werkzaamheden van eiser kon worden verkregen.

Om voornoemde redenen mist het bestreden besluit, waarbij het besluit van 25 oktober 2001 is gehandhaafd, naar het oordeel van de rechtbank een voldoende feitelijke grondslag en ontbeert daardoor tevens een draagkrachtige motivering.

Het voorgaande brengt met zich dat het bestreden besluit, voor zover het de herziening van eisers WW-uitkering betreft, voor vernietiging in aanmerking komt wegens strijd met het in artikel 7:12 van de Awb neergelegde motiveringsbeginsel. Hierdoor is tevens de grondslag komen te ontvallen aan het onderdeel van het bestreden besluit waarbij besluit 2 is gehandhaafd zodat ook dit deel niet in stand kan blijven.

Voor zover eiser op de voet van artikel 8:73 van de Awb verzoekt om vergoeding van de door hem, als gevolg van het bestreden besluit geleden schade, overweegt de rechtbank dat dit verzoek niet kan worden toegewezen aangezien de gestelde schade door eiser niet nader is onderbouwd en de rechtbank overigens ook niet is gebleken dat eiser schade als hiervoor bedoeld heeft geleden.

De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 322,00 zijnde kosten van verleende rechtsbijstand.

Ten aanzien van de door eiser gevorderde kosten in verband met de behandeling in bezwaar overweegt de rechtbank als volgt.

Op grond van het op 12 maart 2002 in werking getreden artikel 7:15 van de Awb worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op diens verzoek voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

In het eerste lid van artikel 8:75 van de Awb zoals dat sinds 12 maart 2002 luidt, wordt voor zover hier van belang bepaald dat de rechtbank bij uitsluiting bevoegd is een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken en dat de artikelen 7:15, tweede tot en met vierde lid, van toepassing zijn.

In artikel III van de Wet van 24 januari 2002 (Stb. 2002, 55) is bepaald dat artikel 8:75 van de Awb zoals dit luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing blijft, indien het besluit waartegen bezwaar kan worden gemaakt of administratief beroep kan worden ingesteld voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is genomen. Hoewel met betrekking tot de toepassing van artikel 7:15 van de Awb geen specifieke bepalingen van overgangsrecht gelden, is de rechtbank van oordeel dat het hierboven genoemde overgangsrecht bij de toepassing van artikel 7:15 van de Awb van overeenkomstige toepassing is. Een andersluidende opvatting zou immers betekenen dat bij een beslissing op bezwaar reeds wel tot vergoeding van in bezwaar gemaakte kosten volgens de nieuwe regeling zou kunnen worden beslist, terwijl, in het geval tegen een dergelijke beslissing op bezwaar beroep is ingesteld, de rechtbank daarover niet zou mogen oordelen. Een dergelijke situatie verdraagt zich niet met de tekst van artikel 8:75 van de Awb in die zin dat bij dit artikel de rechtbank bij uitsluiting bevoegd wordt geacht zich over de proceskosten uit te spreken. Gelet op het feit dat het besluit waartegen bezwaar gemaakt is, is bekend gemaakt op 25 oktober 2001, komen de kosten die eiser in bezwaar heeft gemaakt niet voor vergoeding op grond van voormelde bepaling in aanmerking.

Voorts is de rechtbank niet gebleken dat de primaire besluitvorming dermate ernstige gebreken vertoont, dat geconcludeerd moet worden dat verweerder tegen beter weten in een onrechtmatig besluit heeft genomen waardoor eiser, op grond van de tot 12 maart 2002 geldende jurisprudentie, aanspraak zou hebben op vergoeding van de in de bezwaarprocedure gemaakte kosten.

Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

wijst het verzoek om schadevergoeding af;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van

€ 322,00 en wijst het Uwv aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

bepaalt voorts dat het Uwv aan eiser het door hem betaalde griffierecht ad € 29,00 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. E. Klein Egelink, voorzitter, mr. J.N.A. Bootsma en mr. V.M. van Daalen-Mannaerts, rechters, in tegenwoordigheid van

mr. J.M.M.B. van Eeten als griffier. In het openbaar uitgesproken op 10 april 2003

door mr. E. Klein Egelink voornoemd in tegenwoordigheid van de griffier voornoemd.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op:

Coll: