Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2003:AF7671

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
17-04-2003
Datum publicatie
23-04-2003
Zaaknummer
05/089188-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

verdachte in of omstreeks de periode van 1 november 2000 t/m 4 september 2001 in de gemeente Zevenaar, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk, ten behoeve van de bouw van een tunnel(ongeveer) 878.481 m3, althans meer dan 438.000 m3 grondwater heeft onttrokken, terwijl daarvoor door gedeputeerde staten van de provincie Gelderland geen vergunning was verleend

Straf € 25.000,= waarvan € 20.000,= voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector strafrecht

Meervoudige Economische Kamer

Parketnummer : 05/089188-02

Datum zitting : 03 april 2003

Datum uitspraak : 17 april 2003

VERKORT VONNIS

TEGENSPRAAK overeenkomstig artikel 279 Wetboek van Strafvordering

in de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

verdachte

Raadsman: mr. G.J.K. Elsen, advocaat te Rotterdam

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

verdachte in of omstreeks de periode van 1 november 2000 t/m 4 september 2001 in de gemeente Zevenaar, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk, ten behoeve van de bouw van een tunnel(ongeveer) 878.481 m3, althans meer dan 438.000 m3 grondwater heeft onttrokken, terwijl daarvoor door gedeputeerde staten van de provincie Gelderland geen vergunning was verleend;

artikel 1a Wet op de economische delicten

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

verdachte op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van

1 november 2000 t/m 4 september 2001 in de gemeente Zevenaar,

althans in Nederland, terwijl door gedeputeerde staten van de provincie Gelderland bij besluit van 25 januari 2000 aan verdachte,

vergunning was verleend voor het onttrekken van 438.000 m3 grondwater

ten behoeve van de bouw van een tunnel te Zevenaar, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk,

heeft gehandeld in strijd met een of meer aan die vergunning

(gewijzigd bij besluit van 16 oktober 2001) verbonden voorschriften,

aangezien:

- de onttrokken hoeveelheid grondwater niet iedere werkdag werd vastgesteld,

althans niet iedere maand bemeting en/of registratie plaats vond van de

onttrokken hoeveelheden grondwater;

artikel 1a Wet op de economische delicten

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 10 december 2002 door de economische politierechter verwezen naar de meervoudige economische kamer van de rechtbank.

Ter terechtzitting van de meervoudige economische kamer van 3 april 2003 is namens verdachte niemand verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. G.J.K. Elsen, advocaat te Rotterdam die heeft verklaard uitdrukkelijk te zijn gemachtigd om zijn cliënte ter terechtzitting te vertegenwoordigen.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroor-deeld tot:

een geldboete van € 25.000,- waarvan € 15.000,- voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Verdachtes raadsman heeft het woord ter verdediging ge-voerd.

2a. De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

1. Aan verdachte is, net als aan medeverdachte, geprafraseerd, tenlastegelegd, dat zij al dan niet samen met medeverdachte in strijd heeft gehandeld met een aan verdachte verleende vergunning door bij de bouw van de tunnelbak in Zevenaar, een deel van het werk dat noodzakelijk is voor de realisering van de Betuwelijn, meer grondwater te onttrekken dan was toegestaan bij genoemde op grond van de Grondwaterwet verleende vergunning.

2. Het OM zou volgens de raadsman niet ontvankelijk moeten worden

verklaard. Dit verweer dient, evenals de daarop gevolgde bewijsverweren en het beroep op de strafuitsluitingsgrond die daar weer op volgde, te worden beoordeeld tegen de navolgende door de raadsman aan diens stellingen ten grondslag liggende feitelijke achtergrond:

a. op 20 januari 2000 verleende Gedeputeerde Staten van de provincie

Gelderland aan verdachte, de opdrachtgever, vergunning voor het onttrekken van 438.000 m3 voor een periode van drie jaar, van januari 2000 tot en met december 2002;

b. in de periode 1 november 2000 t/m 4 september 2001 bleek reeds

(ongeveer) 878.000 m3 (het cijfer is de uitkomst van een gesprek tussen functionarissen van de provincie en van verdachte van de zomer van 2001; het gespreksverslag bevindt zich bij de stukken) te zijn onttrokken;

c. op 16 oktober 2001 werden de vergunningvoorwaarden bijgesteld;

d. op 10 september 2002 werd de aan verdachte verleende

vergunning gewijzigd waarbij werd toegestaan om voor hetzelfde project 3.265.611 m3 aan grondwater te onttrekken in de periode januari 2000 tot en met maart 2003;

3. Het OM zou niet ontvankelijk moeten worden verklaard omdat de

officier van justitie ten onrechte geweigerd heeft om een transactievoorstel te doen omdat de zaak daar te principieel voor zou zijn. Verdachte zou van dat gevoelen van de officier van justitie niet het slachtoffer mogen zijn. Bovendien kunnen (nog steeds volgens verdachte) de feiten en omstandigheden van het geval een vervolging niet rechtvaardigen. Zowel gelet op het feit dat de grote droogte in de zomer van 2001 als oorzaak heeft te gelden voor de daling van de grondwaterstand in de omgeving van het project (en niet de overschrijding bij de onttrekking van grondwater) als het feit dat de daling van het grondwater geen schade tot gevolg heeft gehad, zou meebrengen dat het OM geen redelijk belang heeft bij de vervolging van verdachte dat bovendien eigenlijk niet verantwoordelijk zou zijn voor de onttrekkingen omdat zij de bouw en de bewaking van de omvang van de onttrekking geheel overgelaten heeft aan medeverdachte.

4. De rechtbank gaat in die stelling niet mee. De wijziging van de

vergunning van 10 september 2002 laat onverlet dat er, beoordeeld naar de stand van zaken in de periode waarin de toen nog vergunde hoeveelheid werd overschreden, in strijd is gehandeld met art 14 van de Grondwaterwet. Of dat (ook) aan verdachte te verwijten valt komt bij een eventuele beslissing over het bewijs aan de orde. De stelling dat verdachte daarvoor verantwoordelijk is en dat zulks een bewezen en strafbaar feit oplevert is niet zo ver gezocht dat het OM niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Dat wordt door de later verleende ruimere vergunning in elk geval a prima vista niet zo wezenlijk anders dat het OM om die reden niet had mogen vervolgen. De wijze waarop verdachte en medeverdachte onderling en intern hun verantwoordelijkheden hebben verdeeld (verdachte verwijst uitvoerig naar hun contract en de wijze waarop daaraan uitvoering is gegeven) brengt daar geen verandering in. Het geheel van de gereleveerde omstandigheden is evenmin van dien aard dat de officier van justitie verplicht was om een transactievoorstel te doen om verdachte een zaak als deze te besparen.

5. Het beroep op de niet-ontvankelijkheid van het OM wordt mitsdien

verworpen.

3. De beslis-sing inzake het bewijs

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

verdachte in de periode van 1 november 2000 t/m 4 september 2001 in de gemeente Zevenaar, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk, ten behoeve van de bouw van een tunnel meer dan 438.000 m3 grondwater heeft onttrokken, terwijl daarvoor door gedeputeerde staten van de provincie

Gelderland geen vergunning was verleend;

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewe-zen. Verdach-te zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijf-fouten voorko-men, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in haar verdediging geschaad.

Volgens verdachte kan niet bewezen worden dat voor de verweten overschrijding geen vergunning was verleend want dat is, uiteindelijk, op 20 september 2002 alsnog gebeurd.

De rechtbank verwerpt dat verweer. Het handelen van verdachte en medeverdachte dient, althans in beginsel, te worden beoordeeld naar het moment waarop de kwestieuze onttrekkkingen plaatsvonden, de periode 1 november 2000 tot en met 4 september 2001 dus en toen was dat handelen in strijd met de toen geldende vergunning en daarmee de wet. Het gegeven dat Gedeputeerde Staten later blijkbaar anders zijn gaan denken dient uiteraard in de overwegingen te worden betrokken maar niet bij de beantwoording van de bewijsvraag. Het gaat bij de vergunning van 10 september 2002 om een wijziging van de oorspronkelijke vergunning zonder dat aan die wijziging terugwerkende kracht is toegekend, dus vragen die zich begeven op het gebied van de zogeheten formele rechtskracht blijven buiten beeld. Artikel 1 lid 2 Sr en de wijze waarop daar toepassing aan gegeven wordt, doet zich evenmin gelden: de op grond van de nieuwe vergunning voor verdachte geldende voorschriften zijn op het vlak van de toegelaten hoeveelheid aan de bodem te onttrekken water inderdaad gunstiger maar een gewijzigd inzicht in de strafwaardigheid van overtreding van art. 14 Grondwaterwet (waarover de vergunningverlener zich niet heeft uit te spreken) ligt daaraan niet ten grondslag.

De rechtbank ziet verdachte, anders dan door de verdediging bepleit, wél als (mede)pleger. In de lichtste vorm kan op grond van de bewijsmiddelen in elk geval worden aangenomen dat verdachte, in haar positie van vergunninghouder en daarmee formeel verantwoordelijke voor de naleving van de vergunning, zeggenschap had over de wijze waarop het project werd uitgevoerd en daarbij voldoende betrokken was om op de hoogte te zijn van dit aspect van het werk. Dat valt te concluderen op grond van de aanbestedings-voorwaarden en van het feit dat verdachte (en niet medeverdachte) in de zomer van 2001 met de provincie overlegde over de overschrijding.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijs-middelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Om redenen hiervoor al besproken dient (ook) het verweer te worden verworpen dat gevolg van de op 10 september 2002 gewijzigde vergunning is dat geen sprake (meer) is van een strafbaar feit.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van het primair tenlastegelegde:

Medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 14, eerste lid, van de Grondwaterwet, begaan door een rechtspersoon,

voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 1a, aanhef en onder 1º, juncto artikel 2, eerste lid, juncto artikel 6, eerste lid aanhef en onder 1º van de Wet op de economische delicten, juncto artikel 47 en 51 van het Wetboek van Strafrecht.

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid of feit aannemelijk geworden waardoor de strafbaar-heid van verdachte wordt opgeheven of uitgesloten. Verdachte is dus straf-baar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de om-stan-dighe-den waaronder dit is begaan;

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende

verdachte, gedateerd 24 januari 2003.

Verdachte heeft tezamen en in vereniging met een ander op tijdstippen gedurende ongeveer een jaar opzettelijk meer grondwater ten behoeve van de bouw van een tunnel onttrokken dan waarvoor door Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland op dat moment vergunning was verleend.

Het betreft hier een ernstig feit nu verdachte zich bewust niet aan de (voorwaarden van de) verleende vergunning heeft gehouden. Dit rechtvaardigt het opleggen van een geldboete.

In de omstandigheid dat de vergunningsvoorwaarden, waar verdachte zich niet aan heeft gehouden, achteraf door Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland erg zijn verruimd, ziet de rechtbank aanleiding de geldboete voor een groot deel voorwaardelijk op te leggen.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is, behalve op de hiervoor genoemde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 91 van het Wetboek van Straf-recht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlaste-gelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlas-tegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt ver-dach-te daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het straf-bare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot:

betaling van een geldboete ten bedrage van € 25.000,- (vijfentwintig- duizend euro).

Bepaalt dat van deze geldboete € 20.000,- (twintigduizend euro)

niet zal worden tenuitvoer-gelegd, ten-zij de rechter later anders mocht gelasten. De recht-bank stelt een proeftijd vast van twee (2) jaren. De tenuitvoer-leg-ging kan worden gelast indien de veroor-deelde zich voor het eind van de proef-tijd heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Aldus gewezen door:

mrs. B.P.J.A.M. van der Pol, als voorzitter,

G. Noordraven en W.A. Holland, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. van Gameren, griffier.

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 april 2003.