Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2003:AF7422

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
19-03-2003
Datum publicatie
12-05-2003
Zaaknummer
AWB 02/2131
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector bestuursrecht

Reg.nr.: AWB 02/2131

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

A en B te C, eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maasdriel, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 10 september 2002, bekendgemaakt op 11 september 2002.

2. Procesverloop

Bij besluit van 3 april 2002 heeft verweerder de door eisers gevraagde bouwvergunning onder vrijstelling ex artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), voor het oprichten van een woonhuis met garage aan de […] […] […]straat te D, geweigerd.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het hiertegen gerichte (ontvankelijk te achten) bezwaar van eisers gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard, en het eerdergenoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit heeft mr. A.C. Bragt, juridisch medewerker te 's?Hertogenbosch, namens eisers op 2 oktober 2002 beroep bij de rechtbank ingesteld.

Verweerder heeft op 1 november 2002 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 6 maart 2003. Eisers zijn aldaar verschenen, bijgestaan door mr. A.C. Bragt. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door H.G.C. Penders, ambtenaar der gemeente.

3. Overwegingen

Tussen partijen is in geschil of het bouwplan wordt ondersteund door een ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO vereiste goede ruimtelijke onderbouwing. Met name gaat het daarbij om de vraag welke betekenis toekomt aan ontsluiting door middel van een openbare weg vanaf de [...] […] […]straat, via het perceel van eisers, naar achterliggende percelen.

De rechtbank stelt vast dat in de bij de aanvraag behorende ruimtelijke onderbouwing onder meer is aangegeven:

"Deze toekomstige ontwikkeling (de ontwikkeling van het terrein van het verzorgingstehuis '[X]'; toevoeging rechtbank) maakt van de nieuwe ontsluitingsweg een openbare ruimte, waarbij de twee geprojecteerde woningen ruimtelijk niet meer achteraf liggen.";

en:

"Het mogelijk maken van de bouw van 2 eenvoudige woningen aan het achterpad aan de […] […] […]straat, moet gezien worden in de filosofie van het in de toekomst verder bouwen van enige woningen, als ruimtelijke begeleiding van een eenvoudig doorsteekstraatje."

Uit deze passages blijkt dat de ruimtelijke onderbouwing mede steunt op de bedoelde ontsluitingsweg, en dat deze derhalve een essentieel onderdeel van die ruimtelijke onderbouwing uitmaakt.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft overwogen dat realisering van de beoogde doorgang, gelet op de weigering van de eigenaar van een gedeelte van het bestaande pad om medewerking te verlenen aan het verharden en openbaar maken daarvan, niet te verwachten valt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op goede gronden overwogen dat overdracht van de erfdienstbaarheid van eisers aan verweerder geen oplossing kan bieden. Voorts is de rechtbank uit de stukken gebleken dat de ontsluitingsweg voor de door verweerder beoogde ontwikkeling van het terrein van het verzorgingstehuis '[X]' niet essentieel is. Verweerder ziet dan ook geen grond om over te gaan tot onteigening van het pad. De rechtbank acht dit standpunt niet onredelijk.

Nu de ruimtelijke onderbouwing mede steunt op een planologische ontwikkeling waarvan de realisatie niet mogelijk moet worden geacht, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat deze ruimtelijke onderbouwing niet kan dienen als grondslag voor de gevraagde vrijstelling. De omstandigheid dat, zoals eisers hebben gesteld, de ontsluiting in een eerder stadium niet als voorwaarde naar voren is gebracht, maakt dat niet anders.

De rechtbank overweegt voorts dat, voor zover op basis van de uitvoeringsovereenkomst dan wel anderszins sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen dat de gevraagde vrijstelling zou worden verleend, dit de wettelijke eis van een goede ruimtelijke onderbouwing niet opzij kan zetten.

Op grond van het bovenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat niet is voldaan aan de wettelijke vereisten om vrijstelling ex artikel 19, eerste lid, van de WRO te verlenen. Verweerder heeft de gevraagde vrijstelling en bouwvergunning dan ook terecht geweigerd. Het beroep dient ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. H.J.A.M. van Geest, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2003, in tegenwoordigheid van mr. J.N. Witsen als griffier.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 19 maart 2003

Coll: