Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2003:AF7132

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
07-04-2003
Datum publicatie
11-04-2003
Zaaknummer
Reg.nr.: AWB 03/458
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector Bestuursrecht

Reg.nr.: AWB 03/458

UITSPRAAK

van de voorzieningenrechter ingevolge artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

A.

wonende te B, verzoeker,

en

de Minister van Verkeer en Waterstaat

te ’s-Gravenhage, verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 februari 2003 (verder: bestreden besluit) heeft verweerder het rijbewijs van verzoeker ongeldig verklaard, met ingang van de zevende dag na genoemde datum.

Bij brief van 3 maart 2003 heeft verzoeker bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Bij brief van gelijke datum heeft verzoeker de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden ter openbare zitting van 20 februari 2003, alwaar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. T.A.M. Drubbel, advocaat te Almere. Namens verweerder is verschenen mr. L. Krajenbrink, medewerker bij het CBR, Divisie Vorderingen, te Rijswijk.

2. Overwegingen

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaande aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 12, aanhef en sub b van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid jo. artikel 134, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw 1994) besluit de minister tot ongeldigverklaring van het rijbewijs indien de uitslag van het onderzoek, respectievelijk de onderzoeken naar de geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen inhoudt dat betrokkene niet voldoet aan de in de Regeling eisen geschiktheid vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen.

Paragraaf 8.8 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 (verder: de Regeling) luidt als volgt: "Misbruik van psycho-actieve middelen (zoals alcohol en drugs). Voor de beoordeling of sprake is van misbruik van psycho-actieve middelen is een specialistisch rapport vereist. Personen die misbruik maken van dergelijke middelen zijn zonder meer ongeschikt. Indien zij aannemelijk of aantoonbaar zijn gestopt met dit misbruik, dient een recidiefvrije periode van een jaar te zijn gepasseerd, voordat zij door middel van een herkeuring - op basis van een specialistisch rapport - geschikt kunnen worden geacht. Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die gebruik van deze middelen oplevert voor de verkeersveiligheid."

Verweerder stelt zich blijkens het bestreden besluit en de daarop ter zitting gegeven toelichting op het standpunt, kort gezegd, dat verzoekers rijbewijs op goede gronden ongeldig is verklaard. Op basis van de verslagen van bevindingen van de op 6 juni 2002 en 14 november 2002 verrichte onderzoeken is volgens verweerder terecht geconcludeerd dat paragraaf 8.8 van de Regeling op verzoeker van toepassing is, alsmede dat de recidiefvrije periode, gelet op de bij het tweede onderzoek waargenomen genormaliseerde bloedwaarden, op 7 juni 2002 is ingegaan.

Verzoeker heeft allereerst gemotiveerd betwist dat verweerder bevoegd was om hem tot een onderzoek naar de geschiktheid te verplichten.

De voorzieningenrechter overweegt hieromtrent dat verzoeker zijn grieven in dat kader aan de orde had kunnen stellen door beroep in te stellen tegen verweerders besluit van 25 mei 2002, waarbij verzoekers bezwaren tegen het besluit van 28 december 2001 om hem te verplichten aan een onderzoek naar de geschiktheid mee te werken, ongegrond zijn verklaard. Nu verzoeker zulks heeft nagelaten, dient in de onderhavige procedure te worden uitgegaan van de rechtmatigheid van verweerders besluit tot het vorderen van een onderzoek.

Ten aanzien van hetgeen verzoeker heeft aangevoerd met betrekking tot de overschrijding van wettelijke termijnen, genoemd in de artikelen 131, eerste lid, en 134, eerste lid van de WVW 1994, wordt vervolgens vastgesteld dat de door verzoeker aangehaalde termijnen inderdaad zijn overschreden. De voorzieningenrechter wenst hieraan echter geen consequenties te verbinden, nu verzoeker gedurende de vorderingsprocedure over zijn rijbewijs heeft kunnen blijven beschikken, zodat niet valt in te zien dat hij door de termijnoverschrijdingen in zijn belangen is geschaad. Hierbij dient voorts in aanmerking te worden genomen dat de hiervoor genoemde beslistermijnen geen fataal karakter hebben, zodat het overschrijden daarvan de bevoegdheid van verweerder om alsnog te beslissen onverlet laat.

Verzoeker heeft ten slotte, samengevat, aangevoerd dat het bestreden besluit niet kan worden gedragen door de resultaten van de door de keurend artsen uitgevoerde onderzoeken naar de geschiktheid, omdat de verslagen van bevindingen die in dat kader zijn opgetekend de toets der kritiek op een aantal fronten niet zouden kunnen doorstaan en omdat ten aanzien van het eerste onderzoek in onvoldoende mate inzichtelijk zou zijn gemaakt waarop de keurend arts zijn conclusies heeft gebaseerd.

Hieromtrent wordt overwogen dat de verslagen van bevindingen in het algemeen voldoende grondslag bieden voor een besluit als hier aan de orde. Dit laat echter onverlet dat verweerder zich, gelet op de plicht die voortvloeit uit artikel 3:9 van de Awb, er tenminste van dient te vergewissen dat de verslagen geen blijk geven van zodanige onjuistheden of onzorgvuldigheden dat de betrouwbaarheid van de daarin neergelegde conclusies in het geding komt.

In het verslag van bevindingen van het op 6 juni 2002 verrichte onderzoek heeft de eerste keurend arts ten aanzien van de zogenoemde DSM-IV-classificatie geconcludeerd dat er sprake is van alcoholafhankelijkheid. Ter onderbouwing van deze conclusie is in het verslag verwezen naar de (sub)paragrafen 3.2.1, 3.2.3 en 3.2.4 van de speciële anamnese van het rapport. In de betreffende (sub)paragrafen is weergegeven dat verzoeker behoefte heeft aan toenemende hoeveelheden alcohol om een intoxicatie of de gewenste werking te bereiken (3.2.1), dat hij drinkt in grotere hoeveelheden en gedurende langere tijd dan het plan was en hij dan moeilijk kan stoppen (3.2.3), en dat hij een aanhoudende wens heeft en een weinig succesvolle poging heeft gedaan om zijn alcoholgebruik te stoppen of in de hand te houden (3.2.4).

De voorzieningenrechter stelt vast dat het verslag van bevindingen niet inzichtelijk maakt op welke waarnemingen de eerste keurend arts de inhoud van de betreffende (sub)paragrafen heeft gebaseerd. Hierdoor kan niet worden nagegaan of de diagnose van de eerste keurend arts berust op een juiste feitelijke grondslag. Zulks klemt te meer nu verzoeker op niet bij voorbaat ongeloofwaardige wijze heeft bestreden dat hij ten overstaan van de eerste keurend arts verklaringen heeft afgelegd, waarop deze de inhoud van de genoemde (sub)paragrafen heeft kunnen baseren. In dit kader verdient bovendien opmerking dat het verslag van bevindingen blijk geeft van enkele feitelijke onjuistheden welke aan de betrouwbaarheid van de rapportage afbreuk doen; zo staat daarin ten onrechte weergegeven dat verzoekers rijbewijs zou zijn ingehouden en dat hij een ongeval zou hebben veroorzaakt.

Voormelde omstandigheden leiden tot het voorlopige oordeel dat het bestreden besluit niet kan worden gebaseerd op de resultaten van het eerste onderzoek. Hierbij is in aanmerking genomen dat ingeval de vermelde bestreden passages van het verslag buiten beschouwing zouden worden gelaten, het verslag voorshands onvoldoende aanwijzingen lijkt te bevatten om de juistheid van de gestelde diagnose buiten twijfel te stellen.

Naar dezerzijds oordeel kan het besluit evenmin worden gebaseerd op de resultaten van het tweede onderzoek van 14 november 2002. Uit het in dat kader opgestelde verslag van bevindingen blijkt dat de conclusie van de tweede keurend arts vrijwel geheel steunt op de resultaten van het eerste onderzoek, terwijl niet is gebleken dat de tweede keurend arts de zorgvuldigheid waarmee het eerste onderzoek is uitgevoerd, heeft beoordeeld.

Op grond van het vorenstaande is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is genomen en niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. Gelet hierop komt het verzoek om voorlopige voorziening op na te melden wijze voor inwilliging in aanmerking.

De voorzieningenrechter acht termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten welke ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht (Stb. 1993, 763) zijn begroot op € 644,-- aan beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De genoemde kosten dienen, aangezien verzoeker met een toevoeging ingevolge de Wet op de rechtsbijstand heeft geprocedeerd, ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden voldaan door betaling aan de griffier van de rechtbank.

Tevens dient toepassing te worden gegeven aan artikel 8:82, vierde lid, van de Awb.

Ten overvloede merkt de voorzieningenrechter nog op dat het voorgaande niet impliceert dat de ongeldigverklaring van verzoekers rijbewijs in de bezwaarprocedure geen stand zal kunnen houden. Voornoemde gebreken zouden in de bezwaarprocedure door verweerder mogelijk kunnen worden hersteld; zo zou de eerste keurend arts kunnen worden gevraagd om zijn bevindingen alsnog van een nadere onderbouwing te voorzien.

Beslist wordt als volgt.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter,

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe;

- schorst het besluit van 14 februari 2003, tot één week na de dag waarop de beslissing op de bezwaren van verzoeker aan hem is bekendgemaakt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker ten bedrage van € 644,--, te betalen door de Staat der Nederlanden;

- bepaalt dat de betaling van dit bedrag dient te worden gedaan op bankrekeningnummer 1923.25.752, ten name van DS 533 arrondissement Arnhem;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden het door verzoeker betaalde griffierecht ad. €116,-- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. W.F Bijloo als voorzieningenrechter en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2003, in tegenwoordigheid van

mr. G.W.B. Heijmans als griffier.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Verzonden op: