Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2003:AF6920

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
17-02-2003
Datum publicatie
04-04-2003
Zaaknummer
Reg.nr.: 02/1410 en 02/1424 TW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector bestuursrecht

Reg.nr.: 02/1410 en 02/1424 TW

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

wonende te , eiser,

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), rechtsopvolger van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv), verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluiten van verweerder van 28 juni 2002 (besluit I en besluit II), uitgereikt door Uwv GUO te Arnhem.

2. Procesverloop

Met de besluiten van 12 maart 2002 heeft verweerder eiser medegedeeld dat hij over de perioden van 30 juni 1999 tot en met 31 december 1999 en van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2000 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Toeslagenwet (TW). Met het besluit van 25 maart 2002 heeft verweerder eiser medegedeeld dat het bedrag van € 6187,21 dat over de periode van 30 juni 1999 tot en met 31 december 2000 teveel dan wel ten onrechte aan toeslag ingevolge de TW is uitgekeerd, van hem zal worden teruggevorderd.

Tegen deze besluiten heeft L.A.M. de Groot Heupner, werkzaam bij Juricon adviesgroep B.V., namens eiser op 9 april 2002 bezwaar gemaakt, waarna de gronden van bezwaar zijn uiteengezet in een aanvullend bezwaarschrift van 5 juni 2002.

Bij de in rubriek 1 aangeduide besluiten I en II heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard en de eerdergenoemde besluiten gehandhaafd.

Tegen deze besluiten heeft de heer De Groot Heupner, voornoemd, namens eiser op 3 juli 2002 beroep bij de rechtbank ingesteld.

Verweerder heeft op 31 juli 2002 een verweerschrift ingediend.

Met de brief van 29 augustus 2002 heeft eiser de gronden van het beroep verder aangevuld.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 27 januari 2003. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door de heer De Groot Heupner voornoemd en verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mevrouw mr. W.J. Belder, werkzaam bij Uwv GUO te Arnhem.

3. Overwegingen

Bij Koninklijk Besluit van 13 december 2001 (Stb. 2001, 682) zijn met ingang van 1 januari 2002 de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (hierna: de Invoeringswet) en de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. De Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 is op grond van artikel 2 van de Invoeringswet, voor zover hier van belang, per die datum ingetrokken. In artikel 9, tweede lid, van de Invoeringswet is bepaald dat een besluit dat door het Lisv of namens dit instituut door een uitvoeringsinstelling is genomen, geldt als een besluit van het Uwv. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Invoeringswet, voor zover hier van belang, treedt het Uwv in bestuursrechtelijke gedingen waarin het Lisv partij is in zijn plaats.

De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerder in de bestreden besluiten niet heeft beslist op de gronden van bezwaar, die eiser heeft ingediend tegen het primaire besluit van 25 maart 2002 inhoudende de terugvordering van de uitkering ingevolge de TW over de periode van 30 juni 1999 tot en met 31 december 2000.

Blijkens de ter zitting gedane mededeling van de gemachtigde van verweerder zal op die bezwaren zo spoedig mogelijk worden beslist.

Voor zover het beroep van eiser is gericht tegen de terugvordering van de uitkering ingevolge de TW, moet het niet-ontvankelijk worden verklaard.

In dit geding moet worden beoordeeld of de bestreden besluiten de rechterlijke toets kunnen doorstaan.

Ten aanzien van besluit I

Aan het bestreden besluit I ligt ten grondslag dat de uitkering ingevolge de TW van eiser over de periode van 30 juni 1999 tot en met 31 december 1999 wordt ingetrokken, omdat zijn gezinsinkomen boven de grens ligt die geldt om aanspraak te kunnen maken op een uitkering ingevolge de TW. Verweerder is van mening dat het eiser redelijkerwijs duidelijk is geweest dat er onverschuldigd toeslag werd verstrekt, omdat hij had moeten begrijpen dat de toekenning van de WAZ-uitkering aan zijn echtgenote van invloed kon zijn op het recht op of op de hoogte van de aan hem toegekende toeslag. Het recht op toeslag is ontstaan doordat het gezinsinkomen van eiser onder de grens lag welke geldt om daarop aanspraak te kunnen maken. De toekenning van de uitkering ingevolge de WAZ aan eisers echtgenote, had tot gevolg dat bedoelde grens werd overschreden.

Volgens verweerder is het dientengevolge eiser op 11 juli 2000, de datum van het besluit waarbij hem de toeslag werd toegekend, redelijkerwijs duidelijk geweest dat hij geen recht had op die uitkering.

Voorts is voor de toeslag een andere uitkering in de plaats gekomen, namelijk de WAZ-uitkering aan eisers echtgenote, hetgeen volgens verweerder op grond van de Regeling voldoende reden vormt om de toeslag in te trekken.

Eiser kan zich hiermee niet verenigen en stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte concludeert dat het hem redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij ten onrechte toeslag heeft ontvangen. Eiser verwijst in deze naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 4 december 1992, RSV 1993, 262. Eerst op 23 maart 2001, de datum van het besluit tot toekenning van de uitkering ingevolge de WAZ aan zijn partner, wist eiser met zekerheid dat haar eveneens een arbeidsongeschiktheidsuitkering werd toegekend met ingang van 20 juni 1999. Het met terugwerkende kracht intrekken van de definitief vastgestelde toeslag is strijdig met het rechtzekerheidsbeginsel.

De rechtbank overweegt als volgt.

Artikel 11a, eerste lid, aanhef, van de TW bepaalt dat, onverminderd het elders in deze wet bepaalde ter zake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van toeslag en ter zake van weigering van toeslag, het Uwv een dergelijk besluit herziet of intrekt:

a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 12 of 13 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van toeslag;

b. indien anderszins de toeslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

Artikel 11a heeft –voor zover hier van belang- uitvoering gevonden in de “Regeling schorsing, opschorting, herziening en intrekking uitkeringen, hierna: de Regeling”, Besluit van het Lisv van 18 april 2000, Stcrt. 2000/89.

De Regeling geldt op grond van artikel 9 Invoeringswet SUWI met ingang van 1 januari 2002 als besluit van het UWV.

In de bijlage bij de Regeling is onder 3 onder meer het volgende opgenomen.

“ Herziening of intrekking.

Ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering verleend: -toedoen of redelijkerwijs duidelijk.

Indien door toedoen van belanghebbende ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering is verstrekt, vindt intrekking of herziening plaats met terugwerkende kracht tot en met de datum van toekenning. Is aan belanghebbende als gevolg van of mede als gevolg van het niet nakomen van een van de inlichtingenverplichtingen of een van de medewerkingsverplichtingen geheel of gedeeltelijk ten onrechte uitkering toegekend, dan wordt de beslissing tot toekenning herzien of ingetrokken met ingang van de datum waarop de uitkering zou zijn ingetrokken of herzien als belanghebbende wel tijdig en juist aan zijn mededelingsverplichting zou hebben voldaan.

Indien het belanghebbende redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn dat hem ten onrechte uitkering werd verstrekt, wordt in beginsel de beslissing herzien of ingetrokken met terugwerkende kracht tot het moment waarop het belanghebbende redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag werd verstrekt.

-Niet redelijkerwijs duidelijk.

In geval het belanghebbende niet redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering werd verstrekt wordt de beslissing herzien of ingetrokken met ingang van de datum waarop het Lisv belanghebbende voor het eerst kenbaar heeft gemaakt dat hem ten onrechte of te veel is verstrekt”.

Bij de beoordeling van het geschil gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser ontvangt sedert 6 april 1999 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ). Op 24 maart 2000 heeft eiser bij verweerder een aanvraag ingediend om in aanmerking te komen voor een uitkering ingevolge de TW.

Vervolgens is bij besluit van 11 juli 2000 is aan eiser over de periode 6 april 1999 tot en met 31 december 1999 een uitkering ingevolge de TW toegekend. Voorts is eiser bij besluit van 11 juli 2000 medegedeeld dat hij met ingang van 1 januari 2000 een voorschot betaald krijgt op de nog niet vastgestelde uitkering ingevolge de TW.

De echtgenote van eiser heeft op 20 juni 2000 bij verweerder een uitkering ingevolge de WAZ aangevraagd, welke haar bij besluit van 23 maart 2001 met ingang van 20 juni 1999 is toegekend.

Bij besluit van 12 maart 2002 is het besluit van 11 juli 2000 tot toekenning van de uitkering ingevolge de TW ingetrokken, daar eiser geen recht heeft op toeslag over de periode van 30 juni 1999 tot en met 31 december 1999. Eveneens bij besluit van 12 maart 2002 heeft verweerder eiser medegedeeld dat hij over de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2000 geen recht heeft op uitkering ingevolge de TW. Bij besluit van 25 maart 2002 heeft verweerder de verstrekte uitkering ingevolge de TW over de periode van 30 juni 1999 tot en met 31december 2000 van eiser teruggevorderd.

De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat het gezinsinkomen van eiser gedurende de hier aan de orde zijnde periode boven de grens lag welke geldt om in aanmerking te kunnen komen voor een toeslag ingevolge de TW.

Derhalve ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of verweerder op goede gronden heeft aangenomen dat het eiser redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn dat hem ten onrechte een toeslag ingevolge de TW werd verstrekt.

De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.

In het besluit van 11 juli 2000 is eiser medegedeeld dat op basis van de door hem geleverde inkomensgegevens de voorschottoeslag wordt gewijzigd in een definitieve toeslag over de periode van 6 april 1999 tot en met 31 december 1999. Eerst op 23 maart 2001 heeft verweerder beslist op de aanvraag van de echtgenote van eiser om in aanmerking te komen voor een uitkering ingevolge de WAZ.

Gelet op het definitief vaststellen van de toeslag bij besluit van 11 juli 2000, in samenhang met het beslissen op de aanvraag om een uitkering ingevolge de WAZ van de echtgenote van eiseres op 23 maart 2001, kon verweerder aan het besluit van 11 juli 2000 niet de conclusie verbinden dat het eiser redelijkerwijs was of kon zijn dat hem ten onrechte toeslag werd verstrekt.

Daaraan doet niet af dat verweerder door middel van een toelichting bij aan eiser toegezonden formulieren de voorwaarden heeft geschetst voor het in aanmerking komen van een toeslag. Toen eenmaal de voorschottoeslag was omgezet in een definitieve toeslag, hoefde eiser er geen rekening meer mee te houden dat de uitkering ten onrechte werd verstrekt

De rechtbank is voorts van oordeel dat het feit, dat aan de echtgenote van eiser een WAZ-uitkering is verstrekt, ingevolge de Regeling geen reden is om de toeslag in te trekken.

In de Bijlage bij de Regeling wordt onder 3 vermeld dat, indien het de belanghebbende niet redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering werd verstrekt, de beslissing wordt herzien of ingetrokken met ingang van de datum waarop het Uwv belanghebbende voor het eerst kenbaar heeft gemaakt dat hem ten onrechte of te veel is verstrekt.

Indien aan een belanghebbende over een periode waarover ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering is verstrekt, een andere uitkering wordt verstrekt, wordt de beslissing over eerstbedoelde uitkering ingetrokken of herzien met ingang van de datum waarop de andere uitkering wordt verstrekt.

In het gestelde onder 3 in de Bijlage wordt aangegeven met ingang van welk tijdstip een toekenningsbeslissing wordt ingetrokken of herzien indien aan de belanghebbende een andere uitkering wordt verstrekt. In het onderhavige geval is echter geen sprake van een andere uitkering in de zin van het gestelde onder 3 in de Bijlage, nu niet aan eiser doch aan zijn echtgenote een uitkering is verstrekt.

Mitsdien kan voor wat betreft de intrekking van de toeslag met terugwerkende kracht het bestreden besluit niet worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering.

Het vorenstaande brengt met zich dat het bezwaar tegen het betreffende besluit van 11 juli 2000 ten onrechte ongegrond in verklaard. Het beroep is dan ook gegrond en het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

Ten aanzien van besluit II

Aan besluit II ligt ten grondslag dat verweerder het voorschot op de nog niet vastgestelde toeslag over de periode 1 januari 2000 tot en met 31 december 2000 heeft ingetrokken omdat het gezinsinkomen van eiser over genoemde periode boven de grens ligt, die geldt om aanspraak te kunnen maken op een toeslag. Naar de mening van verweerder was het eiser op 11 juli 2000 redelijkerwijs duidelijk dat een eventuele toekenning van een uitkering ingevolge de WAZ aan de partner van eiser van invloed kon zijn op het recht op of de hoogte van de toegekende voorschottoeslag.

Daarnaast meent verweerder dat ingevolge de Regeling de toekenning van de uitkering krachtens de WAZ aan de echtgenote van eiser voldoende reden is om de voorschottoeslag over de voormelde periode in te trekken.

Eiser kan zich hiermee niet verenigen en stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte aanneemt dat eiser redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij ten onrechte toeslag heeft ontvangen over het jaar 2000. In dit kader verwijst hij naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 4 december 1992, RSV 1993/262. Op geen enkele wijze is door verweerder duidelijk gemaakt dat de toekenning van een uitkering met terugwerkende kracht over dezelfde periode waarover een voorschot is betaald, leidt tot de verplichting het voorschot terug te betalen. Op de overige gronden van bezwaar is door verweerder niet beslist, zodat een deugdelijke motivering ontbreekt, hetgeen als in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur dient te worden aangemerkt.

De rechtbank overweegt als volgt.

In artikel 17, eerste lid, van de TW is bepaald dat het Uwv bevoegd is een voorschot te betalen op een nog niet vastgestelde toeslag. In het tweede lid van artikel 17 van de TW staat vermeld dat voor zover bij of krachtens deze wet niet anders is bepaald, een voorschot als bedoeld in het eerste lid wordt beschouwd als een toeslag ingevolge deze wet.

Uit de samenhang van het bepaalde in artikel 11a en artikel 17, tweede lid, van de TW alsmede het bepaalde in de “Regeling schorsing, opschorting, herziening en intrekking uitkeringen”, leidt de rechtbank af dat verweerder bij het intrekken van een betaald voorschot op een nog niet vastgestelde toeslag beoordeelt of het eiser redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn dat hem ten onrechte toeslag werd verstrekt.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verweerder in het bestreden besluit op goede gronden heeft mogen aannemen dat het eiser redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn dat hem ten onrechte toeslag ingevolge de TW werd verstrekt over de periode 1 januari 2000 tot en met 31 december 2000.

De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend.

De rechtbank constateert dat verweerder eiser een voorschot heeft verstrekt op een nog niet vastgestelde toeslag aangezien het recht op en de hoogte van de toeslag eerst kunnen worden vastgesteld nadat het gezinsinkomen over het kalenderjaar 2000 is komen vast te staan.

Het feit dat het recht op toeslag en de hoogte daarvan niet is komen vast te staan, brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich dat het eiser redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn dat het voorschot op de uitkering ingevolge de TW ten onrechte of tot een te hoog bedrag werd verleend over voormelde periode.

Het betalen van een voorschot op een nog niet vastgestelde toeslag impliceert naar het oordeel van de rechtbank dat de verstrekking een voorlopig karakter heeft, hetwelk definitief kan worden op het moment dat verweerder over voldoende gegevens beschikt omtrent de hoogte van het gezinsinkomen.

In het besluit van 11 juli 2000 is hieromtrent onder meer de volgende passage opgenomen:

“Op basis van uw werkelijke inkomsten over het boekjaar zal de definitieve toeslag worden vastgesteld. Indien blijkt dat aan u een te hoog bedrag aan voorschotten is betaald, zal tot terugvordering van het teveel betaalde worden overgegaan. Ook is het mogelijk dat dit wordt verrekend met later aan u te betalen voorschot, toeslag of uitkering”.

Derhalve moet het eiser op 11 juli 2000 redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat hij geen recht zou hebben op de aan hem toegekende toeslag indien aan zijn echtgenote een uitkering ingevolge de WAZ, zou worden toegekend.

Bovendien heeft verweerder blijkens de gedingstukken ieder jaar schriftelijke informatie aan eiser verstrekt waarin wordt aangegeven onder welke voorwaarden men in aanmerking komt voor een toeslag.

Op grond van het bovenstaande komt de rechtbank tot de slotsom dat verweerder op goede gronden tot intrekking van de ten onrechte betaalde voorschotten ingevolge de TW is overgegaan en dat het bezwaar tegen het betreffende besluit van 11 juli 2000 terecht ongegrond is verklaard.

De stellingen van eiser treffen dan ook geen doel. Mitsdien moet het beroep ongegrond worden verklaard.

De rechtbank acht termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, met toepassing artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het betrekking heeft op de terugvordering van de uitkering ingevolge de TW;

verklaart het beroep tegen besluit I gegrond en vernietigt dat besluit;

bepaalt dat verweerder met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar neemt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 644,-;

wijst het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

bepaalt voorts dat het Uitvoeringsinstituut werknemers verzeker- ingen aan eiser het door hem betaalde griffierecht ad € 29,- vergoedt;

verklaart het beroep tegen besluit II ongegrond.

Aldus gegeven door mr. W.F. Bijloo, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2003, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Reijnierse als griffier.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: