Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2003:AF6614

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
19-03-2003
Datum publicatie
31-03-2003
Zaaknummer
Reg.nr.: AWB 02/755 NABW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector bestuursrecht

Reg.nr.: AWB 02/755 NABW

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

B.

wonende te Arnhem, eiseres,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem, verweerder

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van 26 februari 2002, verzonden op 27 februari 2002.

2. Procesverloop

Bij besluit van 10 april 2001 heeft verweerder het besluit waarbij de bijstand aan eiseres is toegekend, met toepassing van artikel 69, derde lid onder a, van de Algemene bijstandswet (Abw), ingetrokken voor wat betreft de periode 25 januari 1999 tot en met 11 april 1999 en de over deze periode verstrekte bijstand, op grond van artikel 81, eerste, lid, van de Abw teruggevorderd tot een bedrag van f 4.621,28. Bij besluit van 24 september 2001 heeft verweerder tevens, op grond van artikel 84, tweede en derde lid, van de Abw een bedrag van f 41.674,94 van eiseres teruggevorderd, zijnde de aan A. verstrekte bijstand over de periode 1 juli 1998 tot 27 maart 2000.

Tegen het besluit van 10 april 2001 heeft mr. S. Verhaagh, juridisch medewerker bij het Buro voor Rechtshulp te Arnhem, namens eiseres op 17 mei 2001 een voorlopig bezwaarschrift ingediend, welk bezwaarschrift op 24 juli 2001 nader is aangevuld. Tegen het besluit van 24 september 2001 heeft mr. Verhaagh, voornoemd, namens eiseres bezwaar gemaakt op 26 oktober 2001. Beide bezwaarschriften zijn op 29 januari 2002 behandeld ter zitting van de bezwaarschriften-commissie van de Dienst Inwonerszaken van de gemeente Arnhem.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder de periode waarover op grond van artikel 84, tweede lid, van de Abw, bijstand wordt teruggevorderd gewijzigd in 1 juli 1998 tot 1 maart 2000 en de tegen beide besluiten ingebrachte bezwaren overigens ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft mr. Verhaagh, voornoemd, namens eiseres op 4 april 2002 beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 3 mei 2002 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 25 februari 2003. Eiseres is daar in persoon verschenen, bijgestaan door

mr. Verhaagh, voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door de heer W.A.A. van Wees, werkzaam bij verweerders gemeente.

3. Overwegingen

In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat eiseres in de periode 25 januari 1999 tot en met 11 april 1999 ten onrechte bijstand heeft ontvangen aangezien zij toen een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met A., die over voldoende middelen beschikte om te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan van hemzelf en van eiseres. Eiseres heeft dit, in strijd met verplichting tot het verstrekken van inlichtingen, als bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de Abw, niet gemeld aan verweerder.

Voorts is eiseres medeaansprakelijk voor de vordering die verweerder heeft op A. vanwege ten onrechte verstrekte bijstand over de periode 1 juli 1998 tot 27 maart 2000 aangezien A. en eiseres gedurende deze periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.

Eiseres bestrijdt dat er sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding tussen haar en A. zodat er geen grond bestaat voor intrekking van het besluit waarbij haar bijstand is toegekend en terugvordering van de dientengevolge onverschuldigd betaalde bijstand, noch voor mede-aansprakelijkheid voor de vordering van verweerder op A.. Daarenboven betoogt eiseres dat de aan A. verstrekte bijstand niet mede van haar kan worden teruggevorderd omdat A. geen recht op bijstand had en zij niet beschikte over voldoende middelen om te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan van haarzelf en van A.. Tot slot stelt eiseres dat er sprake is van dringende redenen op grond waarvan verweerder dient af te zien van terugvordering.

De rechtbank overweegt als volgt.

Op grond van artikel 3, tweede lid, onder a, van de Abw, wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad.

Op grond van artikel 3, derde lid, van de Abw, is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Abw heeft iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.

Op grond van artikel 65, eerste lid, van de Abw, zoals dat voor zover hier van belang luidt, is de belanghebbende verplicht om burgemeester en wethouders op verzoek en onverwijld uit eigen beweging op de hoogte te stellen van feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, de hoogte of de duur van de bijstand, of op het bedrag van de bijstand dat aan hem wordt betaald.

Ingevolge artikel 69, derde lid onder a, van de Abw, zoals dat voor zover hier van belang luidt, herzien burgemeester en wethouders een besluit tot toekenning van bijstand of trekken zij dat in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 65, eerste lid heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

In artikel 81, eerste lid, van de Abw, zoals dat voor zover hier van belang luidt, is bepaald dat bijstand die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 69, derde lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag is betaald, van de belanghebbende wordt teruggevorderd.

In artikel 84, tweede lid, van de Abw, is -voor zover hier van belang- bepaald dat, indien de bijstand op grond van artikel 13, tweede lid, als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven, omdat de belanghebbende de verplichting bedoeld in artikel 65 niet of niet behoorlijk is nagekomen, de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand mede worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening hadden moeten worden gehouden.

In het derde lid van dit artikel is bepaald dat degene die de bijstand heeft ontvangen en de in het tweede lid bedoelde persoon hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de terugbetaling van de ten onrechte verstrekte bijstand.

De rechtbank constateert dat het bestreden besluit bestaat uit twee onderdelen, te weten:

1. het onderdeel houdende bevestiging van het besluit waarbij het recht op bijstand van eiseres is ingetrokken en waarbij de aan haar verstrekte bijstand wordt teruggevorderd;

2. het onderdeel houdende bevestiging van het besluit waarbij eiseres medeaansprakelijk is gesteld voor de vordering die verweerder heeft op A..

In het kader van de beoordeling van beide onderdelen van het bestreden besluit dient de vraag te worden beantwoord of er, gedurende de in het bestreden besluit vermelde periodes sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding, als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Abw, tussen eiseres en A..

Blijkens het zich onder de gedingstukken bevindende rapport van de Afdeling Bijzonder Onderzoek van 25 juni 2001, was eiseres tijdens bovenvermelde periodes woonachtig aan de X. straat te Arnhem terwijl A. een kamer huurde in het pand Y. te Arnhem. Vast staat dus dat eiseres en A. elk een afzonderlijke woonruimte aanhielden. Volgens vaste jurisprudentie behoeft dit op zich aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning en uiteindelijk aan het bestaan van een gezamenlijke huishouding niet in de weg te staan. In dat geval ligt het echter op de weg van verweerder om redelijkerwijs aannemelijk te maken dat slechts één van beide woningen tot hoofdverblijf dient.

Hieromtrent overweegt de rechtbank dat uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verweerder zijn standpunt dat eiseres en A. hoofdverblijf in dezelfde woning hadden, baseert op de afgeluisterde telefoongesprekken gedurende de periode 1 september 1999 tot en met 27 maart 2000, de door eiseres afgelegde verklaringen en de verklaring van A. d.d. 27 april 2000. Voorts is bovenvermeld standpunt mede gebaseerd op de door de Afdeling bijzonder onderzoek gedane waarnemingen in de periode 1 maart 2000 tot en met 27 maart 2000 waarbij diverse keren is geconstateerd dat de auto van A. geparkeerd stond in de nabijheid van de woning van eiseres.

Bovenstaande gegevens zijn verkregen in het kader van het opsporingsonderzoek dat is ingesteld naar aanleiding van de verdenking van het plegen van strafbare feiten door eiseres en A.. De resultaten van dat onderzoek zijn in samengevatte vorm weergegeven in het genoemde rapport van 25 juni 2000.

De rechtbank overweegt dat niet de, in het kader van het hiervoor genoemde strafrechtelijk onderzoek, verzamelde feiten doch voormelde samenvatting de directe grondslag is geweest voor het bestreden besluit. De rechtbank hecht hierbij met name betekenis aan het feit dat de originele door eiseres en A. afgelegde en ondertekende verklaringen zich niet onder de gedingstukken bevinden.

Dit laat ruimte voor de conclusie dat uitsluitend die gegevens in het rapport zijn opgenomen waarvan verweerder meent dat deze relevant zijn voor de onderbouwing van dat besluit. Daarbij komt nog dat eiseres zich beroept op de onvolledigheid van de door haar afgelegde verklaringen en in dit verband feiten en omstandigheden aanvoert die genoemde verklaringen in een ander daglicht kunnen plaatsen. Nog daargelaten het feit dat de periode waarop de afgeluisterde telefoongesprekken betrekking hebben gelegen is buiten het tijdvak waarin eiseres een Abw uitkering ontving, bevat het rapport slechts de uitermate summiere conclusie die volgens verweerder kennelijk uit de gesprekken moet worden getrokken.

Tot slot laten ook de in het rapport vermelde waarnemingen van de auto van A. ruimte voor de conclusie, dat A. nu eens in de woning van eiseres verbleef en dan weer in die van zijn voormalige echtgenote, mevrouw S. A. aan de Z. straat te Arnhem. In de samenvatting van deze waarnemingen is voorts niet aangegeven op welke tijdstippen en met welke frequentie de auto van A. zich in de nabijheid van de woning van eiseres bevond. Voorts heeft verweerder ook ter zitting hieromtrent geen nadere informatie kunnen verschaffen.

De wijze waarop de onderzoeksresultaten waarvan de juistheid door eiseres wordt betwist, door verweerder zijn weergegeven, heeft tot gevolg dat het voor de rechtbank niet controleerbaar is of de weergave van de Afdeling Bijzonder Onderzoek correct is en evenmin toetsbaar is of eiseres die weergave terecht bestrijdt. Om deze reden is de rechtbank van oordeel dat genoemde gegevens bij de beoordeling van het bestreden besluit buiten beschouwing moeten blijven. Verweerder heeft overigens geen feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de aanwezigheid van een gezamenlijke huishouding tussen eiseres en A. kan worden vastgesteld. De rechtbank hecht in dit verband met name belang aan het feit dat geen huisbezoek is afgelegd bij eiseres en A..

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit een draagkrachtige motivering ontbeert zodat het voor vernietiging in aanmerking komt. Het beroep dient derhalve gegrond te worden verklaard.

Nu niet genoegzaam is komen vast te staan dat eiseres en A. een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd behoeft het onderdeel van het bestreden besluit waarbij eiseres medeaansprakelijk is gesteld voor de vordering die verweerder heeft op A., geen bespreking meer.

De rechtbank zal op grond van hetgeen hiervoor is overwogen het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb, één en ander zoals weergegeven in het dictum.

De rechtbank acht daarbij termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 644,-, zijnde de kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 644,- en wijst de gemeente Arnhem aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

bepaalt dat de betaling van dit bedrag dient te worden gedaan op bankrekeningnummer 1923.25.752 ten name van Gerecht DS 533 arrondissement Arnhem, onder vermelding van reg.nr. NABW 02/755;

bepaalt voorts dat de gemeente Arnhem aan eiseres het door haar betaalde griffierecht, ad € 29,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. E. Klein Egelink, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2003 in tegenwoordigheid van mr. J.M.E. Koning, als griffier.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op:

Coll: