Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2003:AF5934

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
17-02-2003
Datum publicatie
31-07-2003
Zaaknummer
Reg.nr.: 01/2262 NABW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector Bestuursrecht

Reg.nr.: 01/2262 NABW

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

eiser,

alsmede

eiseres,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede, verweerder.

1. Aanduiding van het bestreden besluit

Besluit van verweerder van 22 november 2001.

2. Procesverloop

Bij besluit van 17 juli 2001 heeft verweerder het recht op bijstand van eiser over de periode 7 januari 2000 tot en met 17 januari 2001 ingetrokken en de aan hem in die periode te veel verstrekte uitkering alsmede de aan eiseres in de periode 18 januari 2001 tot en met 30 april 2001 te veel verstrekte uitkering, in totaal ter hoogte van

f 38.277,59 bruto, van eiser teruggevorderd.

Tegen dit besluit heeft mr. R.D.A. van Boom, advocaat te Utrecht, namens eisers op 23 juli 2001 bezwaar gemaakt.

Op 9 november 2001 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft mr. Van Boom, voornoemd, namens eisers op 4 december 2001 beroep bij de rechtbank ingesteld, waarna de gronden van het beroep zijn uiteengezet in een aanvullend beroepschrift van 3 januari 2002.

Verweerder heeft op 22 januari 2002 de op de procedure betrekking hebbende stukken ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 3 februari 2003. Eisers zijn aldaar vertegenwoordigd door mr. F. Koster, advocaat te Utrecht. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mevrouw J. Aaldering, werkzaam bij de gemeente Ede.

3. Overwegingen

In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

Met betrekking tot de periode 7 januari 2000 tot en met 17 januari 2001 ligt aan het bestreden besluit ten grondslag dat eiser in ieder geval vanaf 7 januari 2001 over meer vermogen beschikte dan het wettelijk vrij te laten bescheiden vermogen. Eiser verkeerde daardoor vanaf 7 januari 2001 niet meer in zodanige omstandigheden dat hij niet meer over de middelen beschikte om zelf in zijn bestaan te voorzien. Het bedoelde vermogen betreft:

- sieraden;

- contanten ter hoogte van minimaal f 12.000,-;

- een auto (BMW) waarvan het kenteken op 7 januari 2000 op naam van eiser is gesteld met een marktwaarde van ongeveer f 35.500,-;

- een andere auto (Porsche), waartegen de eerdergenoemde BMW op 14 september 2000 is ingeruild, met op dat moment een waarde van ongeveer

f 47.500,-.

Verweerder stelt dat eiser wezenlijke informatie over zijn vermogen en inkomsten heeft verzwegen waardoor verweerder zijn recht op bijstand niet heeft kunnen vaststellen.

Verweerder heeft met toepassing van artikel 69, derde lid onder a, van de Abw het recht op bijstand van eiser over de periode 7 januari 2000 tot en met 17 januari 2001 ingetrokken en de in die periode teveel verstrekte bijstand op grond van artikel 81, eerste lid, van de Abw van eiser teruggevorderd.

Met betrekking tot de periode 18 januari 2001 tot en met 30 april 2001 ligt aan het bestreden besluit ten grondslag dat eiseres in die periode ten onrechte bijstand naar de norm voor een eenoudergezin heeft ontvangen, omdat sprake is geweest van een voortzetting van de gezamenlijke huishouding door eisers. Bij besluit van 16 juli 2001 heeft verweerder het recht op bijstand van eiseres over de genoemde periode ingetrokken en van haar teruggevorderd.

Verweerder heeft de ten onrechte aan eiseres verstrekte bijstand in de periode 18 januari 2001 tot en met 30 april 2001 met toepassing van artikel 84, tweede lid, van de Abw mede van eiser teruggevorderd.

Verweerder heeft in totaal f 38.277,59 bruto van eiser teruggevorderd.

Eisers kunnen zich hiermee niet verenigen en stellen zich in de eerste plaats op het standpunt dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat eisers in de periode 18 januari 2001 tot en met 30 april 2001 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd omdat eiser in die periode niet zijn hoofdverblijf had in de woning van eiseres.

Daarnaast betwisten eisers dat zij in de periode 7 januari 2000 tot en met 17 januari 2001 over een meer dan bescheiden vermogen beschikten en stellen zij dat zij geen wezenlijke informatie over hun inkomsten en vermogen hebben verzwegen. Voor zover verweerder bij de vaststelling van het vermogen van eisers rekening heeft gehouden met sieraden met een aanschafwaarde van ongeveer f 26.000,- voeren eisers aan dat zij de aanwezigheid van die sieraden niet aan verweerder hebben medegedeeld omdat die sieraden familiebezit zijn en een persoonlijke en emotionele waarde vertegenwoordigen. Dit vermogensbestanddeel dient derhalve buiten beschouwing gelaten te worden.

Voor zover verweerder bij de vaststelling van het vermogen van eisers rekening heeft gehouden met de BMW en de daarvoor ingeruilde Porsche voeren eisers aan dat eiser geen eigenaar is geweest van die auto’s zodat die vermogensbestanddelen niet aan hem kunnen worden toegerekend.

Het bedrag van f 12.000,- dat bij de inruil van de BMW contant is betaald valt onder de grens van het vrij te laten vermogen.

- beroep betreffende eiseres

Ten aanzien van het besluit in primo d.d. 17 juli 2001 overweegt de rechtbank allereerst dat voornoemd besluit zowel blijkens de aanhef als blijkens de inhoud slechts is gericht aan eiser. In het besluit wordt onder meer de aan eiser over de periode 7 januari 2001 tot en met 17 januari 2001 ten onrechte verstrekte bijstand van eiser teruggevorderd op basis van artikel 81, eerste lid, van de Abw. Daarnaast wordt de aan eiseres over de periode 18 januari 2001 tot en met 30 april 2001 ten onrechte verstrekte bijstand van eiser teruggevorderd op basis van artikel 84, tweede lid, van de Abw. Dit laatste artikel kan geen basis bieden voor de terugvordering van eiseres. Terugvordering van eiseres heeft plaatsgevonden bij besluit van 16 juli 2001.

Nu bij het bestreden besluit geen terugvordering van eiseres plaatsvindt, doch slechts van eiser, is de rechtbank van oordeel dat verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 17 juli 2001 niet-ontvankelijk had moeten verklaren. Eiseres is immers geen belanghebbende bij dit besluit.

Gelet op het vorenstaande komt het bestreden besluit voor zover het de ongegrondverklaring van de bezwaren van eiseres betreft voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met artikel 1:2 van de Abw. Het beroep van eiseres dient derhalve gegrond te worden verklaard.

De rechtbank ziet gelet op het vorenoverwogene aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:72, vierde lid, van de Awb door zelf in de zaak te voorzien en het bezwaar van eiseres alsnog niet ontvankelijk te verklaren.

- beroep betreffende eiser

Periode 7 januari 2000 tot en met 17 januari 2001

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank het volgende gebleken.

Bij beschikking van 16 juli 1996 is aan eiser uitkering op grond van de Abw voor noodzakelijke kosten van het bestaan toegekend naar de norm voor een gezin en is het vermogen van eiser vastgesteld op f 902,71 negatief. Dit vermogen is tot aan het jaar 2000 steeds ongewijzigd vastgesteld.

Uit de rapportage van de sociale recherche d.d. 11 juni 2001 blijkt onder meer het volgende:

- op 7 januari 2000 is een BMW 740i op naam van eiser gesteld;

- de BMW is in de periode van 17 februari 2000 tot en met 3 maart 2000 verzekerd geweest. Die verzekering stond op naam van eiser;

- de BMW stond geparkeerd in de garagebox van eiser, welke eiser voor een bedrag van f 80,- per maand huurde;

- volgens de auto koerslijst van de ANWB bedroeg de waarde van een BMW 740i Executive, bouwjaar 1994 in maart/april 2000, bij inruil f 28.250,- en bij verkoop

f 44.250,-;

- tijdens een hercontrole door de sociale dienst op 16 maart 2000 is eiser gewezen op de inlichtingenplicht ten aanzien van de op zijn naam gestelde BMW;

- op 10 april 2000 is het kenteken van de BMW op naam gesteld van de zus van eiser;

- op 14 september 2000 is de BMW door eiser bij autobedrijf Zaanland ingeruild voor een Porsche. Uit de verkoopnota blijkt dat de inruilprijs van de BMW

f 35.500,- bedroeg en dat de verkoopprijs van de Porsche f 47.500,- bedroeg. Eiser heeft ongeveer f 12.000,- contant bijbetaald;

- tijdens een huiszoeking op 19 maart 2001 is in de woning van eiseres een aantal sieraden aangetroffen, waarvan de totaalwaarde is bepaald op

f 26.029,- aanschafwaarde, respectievelijk f 9.480,- dagwaarde en f 4.110,- executiewaarde. De sieraden betreffen een bruidsschat.

Uit de rapportage van verweerder van 22 maart 2000 blijkt dat de zus van eiser tegenover haar contactpersoon bij de sociale dienst, heeft verklaard dat zij door eiser onder druk is gezet de BMW op haar naam te laten zetten, omdat hij problemen had met de uitkering. Zij verklaart dat zij de auto niet heeft gekocht.

Eiser heeft op 7 en 9 mei 2001 tegenover de sociale recherche de volgende verklaringen afgelegd:

- Het kentekenbewijs is toen rechtstreeks van de vorige eigenaar op mijn naam gezet.

- De auto moest van mijn naam en is vervolgens op naam van mijn zus gezet.

- Hij stond geparkeerd in mijn garagebox. Ik heb deze garage voor ongeveer f 80,- per maand gehuurd. Ik betaal per giro.

- Ik reed wel eens in deze auto voor boodschappen en dergelijke, maar niet al te vaak omdat hij niet verzekerd was.

- Ik had al een maand of zeven plannen om een autohandel te beginnen. Ik mocht toen van mijn schoonvader de BMW als investering gebruiken in een autohandel en verkocht deze omdat hij snel in waarde daalde.

- Ik kreeg f 35.500,- als inruil voor de BMW. De datum overdracht vermeldt 14 september 2000.

- Ik heb de Porsche verzekerd bij een verzekeringskantoor bij de SNSbank. Ik reed regelmatig met deze auto en parkeerde de auto in mijn garagebox. De Porsche is sinds 14 september 2000 mijn eigendom.

Ter zake van de op naam van eiser gestelde BMW en Porsche overweegt de rechtbank dat volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep het gegeven dat het kentekenbewijs van de auto op naam van de betrokkene staat de veronderstelling rechtvaardigt dat deze auto een bestanddeel van het vermogen van de betrokkene vormt waarover hij daadwerkelijk de beschikking heeft dan wel redelijkerwijs kan beschikken.

In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om in genoegzame mate aan te tonen dat het tegendeel het geval is.

De rechtbank stelt vast dat de BMW in de periode 7 januari 2000 tot en met 10 april 2000 op naam van eiser stond. Eiser had de BMW feitelijk in gebruik en betaalde de huur van de garagebox alsmede de premie voor de van 17 januari 2000 tot en met 3 maart 2000 lopende verzekering.

Eiser verklaart dat zijn schoonvader de BMW heeft gekocht en dat hij de auto in verband met het plotselinge vertrek van zijn schoonvader naar het buitenland voor hem in bewaring hield. Eiser betwist de eigendom van de BMW en stelt daarover niet de vrije beschikking te hebben gehad. Die verklaring acht de rechtbank ongeloofwaardig. In de eerste plaats zijn van de aankoop van de BMW door eisers schoonvader geen stukken overgelegd. Daarnaast blijkt uit de verklaring van eiser bij de sociale recherche dat niet zijn schoonvader maar hij zelf het kenteken van de BMW heeft overgeschreven op naam van zijn zus. Eiser had derhalve zowel feitelijk als juridisch de beschikkingsmacht over de BMW. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser op 7 januari 2000 eigenaar is geworden van de BMW.

Ten aanzien van de periode van 10 april 2000 tot en met 24 september 2000 stelt de rechtbank vast dat eiser tegenover de sociale recherche heeft verklaard dat hij de BMW op 10 april 2000 op naam van zijn zus heeft gezet in verband met zijn uitkering. De zus van eiser heeft tegenover de sociale recherche verklaard dat zij daarbij door eiser onder druk is gezet. Nu niet is gebleken van een daadwerkelijke overdracht van de BMW aan zijn zus en eiser de BMW op 14 september zelf heeft ingeruild voor de Porsche, waarna hij - volgens zijn eigen verlaring - eigenaar is geworden van de Porsche, is de rechtbank van oordeel dat het feit dat de BMW per 10 april 2000 op naam van de zus van eiser is gezet onvoldoende grondslag vormt voor de conclusie dat eiser vanaf die datum geen eigenaar meer was van de BMW.

Uit de verklaring van eiser blijkt voorts dat hij vanaf 14 september 2000 eigenaar is geworden van de Porsche met een waarde van f 47.500,- en dat de diverse wijzigingen in de tenaamstelling van het kentekenbewijs van die Porsche dienden ten behoeve van de verzekering dan wel het voorkomen van problemen in verband met de uitkering van de betrokkenen. De rechtbank gaat voorbij aan het achteraf intrekken van voornoemde verklaring door eiser, nu de rechtbank onvoldoende is gebleken dat de tegenover de opsporingsambtenaren afgelegde verklaring onjuist zou zijn.

De rechtbank stelt vast dat eiser gedurende de periode 7 januari 2000 tot en met 14 september 2000 respectievelijk de periode 14 september 2000 tot en met 17 januari 2001 niet op zijn maandelijkse inkomstenformulieren heeft gemeld dat hij eigenaar was van een auto met een waarde van f 35.500,- respectievelijk f 47.500,-. Eiser heeft derhalve gehandeld in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting.

Gelet op de waarde van de BMW respectievelijk de Porsche, stelt de rechtbank vast dat eiser in de periode 7 januari 2000 tot en met 17 januari 2001 kon beschikken over een vermogen dat hoger lag dan het vrij te laten bescheiden vermogen, zoals vastgelegd in artikel 54 van de Abw, zodat eiser daarmee over voldoende middelen kon beschikken om zelf in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Een beoordeling van de sieraden kan in het kader van dit geschil derhalve achterwege blijven.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht heeft besloten het recht op bijstand over voornoemde periode in te trekken en de kosten van bijstand van hem terug te vorderen.

Periode vanaf 18 januari 2001

Uit de gedingstukken is de rechtbank gebleken dat eiser vanaf 18 januari 2001 geen bijstandsuitkering meer ontvangt, omdat hij zelf in zijn levensonderhoud kan voorzien. Met ingang van genoemde datum ontvangt eiseres een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande ouder.

Blijkens het besluit van 16 juli 2001 gericht aan eiseres heeft verweerder het recht op bijstand van eiseres over de periode 18 januari 2001 tot en met 30 april 2001 herzien en de teveel betaalde uitkering van haar teruggevorderd, omdat uit onderzoek van de sociale recherche was gebleken dat zij in strijd met haar informatieplicht verweerder niet had medegedeeld dat eiser in voornoemd tijdvak zijn hoofdverblijf in haar woning had.

Met betrekking tot de in het beroep aangevoerde grond dat verweerder ten onrechte heeft aangenomen dat eisers een gezamenlijke huishouding voerden, overweegt de rechtbank onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 9 januari 2001, 98/7907 NABW, 98/8204 NABW, RSV 01/73 dat gelet op het toetsingskader zoals neergelegd in artikel 84, tweede lid, van de Abw de beantwoording van deze rechtsvraag in het kader van de onderhavige terugvordering van eiser niet aan de orde is.

De rechtbank stelt vast dat nu eiseres geen bezwaar en beroep heeft ingesteld tegen de intrekking en terugvordering van de aan haar verstrekte bijstand, in rechte is komen vast te staan dat deze bijstand ten onrechte is verstrekt.

Aangezien de hier in geding zijnde periode aan eiseres bijstand naar de norm van een eenoudergezin is verstrekt, was verweerder gehouden de ten onrechte verstrekte bijstand op grond van het bepaalde in artikel 84, tweede lid, van de Abw van eiser terug te vorderen.

Van dringende redenen op grond waarvan verweerder van terugvordering had moeten afzien is de rechtbank niet gebleken. Onvermogen tot terugbetaling vormt niet een zodanige reden. Eiser kan zich tot verweerder wenden voor het treffen van een terugbetalingsregeling.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eiser tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het beroep dient mitsdien ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 322,- , zijnde de helft van de kosten van de aan eisers verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep van eiseres gegrond;

vernietigt het bestreden besluit voor zover het bezwaar van eiseres ongegrond is verklaard;

verklaart eiseres niet ontvankelijk in haar bezwaar;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 322,00;

wijst de gemeente Ede aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

bepaalt voorts dat de gemeente Ede het door eiseres betaalde griffierecht ter hoogte van € 29,04 aan eiseres vergoedt;

verklaart het beroep van eiser ongegrond.

Aldus gegeven door mr. J. Barrau, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2003, in tegenwoordigheid van mr. M.J.E. Heutink als griffier.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op:

Coll: