Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2003:AF4936

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
19-02-2003
Datum publicatie
25-02-2003
Zaaknummer
85204/ HA ZA 02-437
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 85204 / HA ZA 02-437

Datum vonnis: 19 februari 2003

Vonnis

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

KAFI B.V.,

gevestigd te Arnhem,

eiseres in conventie bij dagvaarding van 14 maart 2001,

verweerster in reconventie,

procureur mr. J.C.N.B. Kaal,

advocaat mr. A.C. Lagemaat te Amsterdam,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE UTRECHT,

zetelend te Utrecht,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

procureur mr. J.M. Bosnak,

advocaten mrs. B.E.J.M. Tomlow en M.W. Kox te Utrecht.

Partijen worden hierna ‘Kafi’ respectievelijk ‘de Gemeente’ genoemd.

Het verloop van de procedure

Na het uitbrengen van de dagvaarding zijn de volgende processtukken gewisseld:

? een conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met producties;

? een conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie met producties;

? een conclusie van dupliek in conventie tevens conclusie van repliek in reconventie met producties;

? een conclusie van dupliek in conventie met productie;

? een akte uitlating productie aan de zijde van de Gemeente.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De vaststaande feiten

1.1 Kafi heeft sedert medio jaren tachtig in opdracht van de Gemeente taxaties van zogenoemde niet-woningen uitgevoerd.

1.2 Op 1 januari 1995 is van kracht geworden de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de WOZ). De Gemeente heeft Kafi bij brief van 21 maart 1996 opdracht gegeven om in het kader van de WOZ 782 objecten op basis van de gecorrigeerde vervangingswaarde te taxeren voor de prijs van ƒ 264.000,-- excl. BTW alsmede om de waarde in het economisch verkeer van 5.960 niet-woningen te bepalen voor de prijs van ƒ 864.000,-- . Voorts heeft de Gemeente Kafi opgedragen om de waarde in het economisch verkeer van 2.081 niet-woningen in het centrum gebied te bepalen voor de prijs van ƒ 348.000,-- excl. BTW alsmede de waarde in het economisch verkeer van 506 objecten in het gebied De Leidsche Rijn voor de prijs van ƒ 63.000,- excl. BTW. Kafi heeft de taxatiewerkzaamheden uitgevoerd.

1.3 Op de onder 1.2 genoemde overeenkomsten zijn van toepassing de Algemene Leverings-en Betalingsvoorwaarden november 1994 van Kafi (hierna de ALV 1994). De ALV 1994 bevatten onder meer de volgende bepalingen:

“art. 5.3

Bij toerekenbare tekortkoming van Kafi in de nakoming van wat

is overeengekomen, zal Kafi slechts gehouden zijn de daaruit voortvloeiende rechtstreekse schade te vergoeden, zulks met een maximum van 25% van de waarde die kan worden toegerekend aan de werkzaamheden die op basis van de opdrachtsom aan de desbetreffende werkzaamheden kan worden toegekend. Indien deze waarde niet in redelijkheid kan worden bepaald geldt een waarde van 25% van de opdrachtsom.

art. 5.4

Kafi is in geen geval aansprakelijk voor indirecte schade, waaronder

in ieder geval is begrepen derving van belastinginkomsten, kosten voortvloeiende uit veroordeling in proceskosten, rente cq vertragingsschade, schade wegens verlies van gegevens, schade wegens overschrijding van leveringstermijnen als gevolg van gewijzigde omstandigheden, schade als gevolg van het verschaffen van gebrekkige medewerking, informatie of materialen door opdrachtgever en schade wegens door Kafi gegeven inlichtingen of adviezen, waarvan de inhoud niet uitdrukkelijk onderdeel van de schriftelijke vereenkomst vormt.

artikel 5.6

De aansprakelijkheid van Kafi eindigt één jaar na oplevering

van het project.

artikel 9.2

Indien binnen de gestelde termijn geen betaling heeft plaatsgevonden heeft Kafi het recht opdrachtgever zonder voorafgaande ingebrekestelling de wettelijke rente in rekening te brengen vanaf de vervaldatum tot de dag der algehele betaling.

artikel 9.5

Ingeval van niet tijdige betaling zijn de buitengerechtelijke incassokosten tenminste 10% van het in te vorderen bedrag.

artikel 11.5

Eventuele reclames, zowel ten aanzien van de uitvoering van de overeenkomst als ten aanzien van het bedrag van de factuur, dienen te geschieden per aangetekende brief, binnen 8 dagen na factuurdatum.

1.4 Op 18 september 1997 heeft Kafi de Gemeente een offerte (gedateerd 5 september 1997) gezonden voor de afhandeling van bezwaarschriften courante en incourante niet-woningen. Die offerte bevat onder 2.8 een garantieregeling waarin onder meer het volgende is bepaald:

“Bij de uitvoering van onze herwaarderingsopdracht garandeerden

wij u een goed taxatieproduct. Bij de behandeling van bezwaarschriften brengen wij daarom de taxatiekosten (de door de taxateur bestede uren) niet in rekening indien de heffingsgrondslag door Kafi met meer dan 10% ten opzichte van de door Kafi vastgestelde waarde wordt verlaagd als gevolg van een verwijtbare onjuiste waardevaststelling. Er is bijvoorbeeld geen sprake van een verwijtbare, onjuiste, waardevaststelling in de volgende gevallen:

- (….)

- onjuiste afbakeningen/splitsingen als gevolg van niet of verkeerd verstrekte gegevens;

- onjuiste WOZ-objectafbakening (zoals bijvoorbeeld onjuiste oppervlakte gegevens) indien deze niet door Kafi is verricht;”

In de offerte is onder 3 (Tarieven) bepaald dat Kafi bij haar taxaties de in de offerte genoemde uurtarieven hanteert, afhankelijk van de aard van het object waartegen bezwaar wordt gemaakt. Voorts is bepaald dat Kafi bij aanvang van de werkzaamheden een voorschotnota indient die is gebaseerd op een normbedrag van ƒ 250,00 per bezwaarschrift

1.5 De offerte van Kafi van 18 september 1997 is besproken op het werkoverleg tussen Kafi en de Gemeente op 24 september 1997. Van dat overleg is een verslag opgemaakt (verzenddatum 6 oktober 1997) waarin, voor zover van belang, onder meer het volgende is opgenomen:

“Onderstaande zaken zijn nader besproken:

(…)

Pag. 9. Wanneer blijkt dat een waarde aanpassing plaatsvindt

doordat tijdens het inventariseren fouten zijn gemaakt en de taxateur met deze foute oppervlaktegegevens een waarde heeft vastgesteld, dan is dit volgens de gemeente een fout van Kafi en kunnen de taxatiekosten niet worden verrekend. Ook wanneer dit een waarde-aanpassing betreft van minder dan 10%.”

1.6 Kafi heeft de Gemeente op 23 oktober 1997 voor de onder 1.2 bedoelde werkzaamheden en meerwerk haar eindafrekening gezonden. Deze rekening is betaald.

1.7 Voorts heeft Kafi de Gemeente bij brief van 8 januari 1998 een offerte gezonden met betrekking tot de afhandeling door Kafi van beroepsprocedures volgend op de afhandeling door haar van de bezwaarschriften. In de offerte zijn uurtarieven opgenomen en maximumprijzen voor de verschillende categorieën te taxeren objecten. De offerte vermeldt verder dat van toepassing zijn de ‘Algemene leverings- en betalingsvoorwaarden mei 1998’ (hierna: de ALV 1998). Het enige verschil met de onder 1.3 genoemde ALV 1994 is dat in art. 5.3 van de ALV 1998 de door Kafi te betalen rechtstreekse schade 100% van de waarde die kan worden toegerekend aan de waarde van de opgedragen werkzaamheden bedraagt en indien dat in redelijkheid niet mogelijk is geldt een maximum van 100% van de opdrachtsom.

1.8 De Gemeente heeft Kafi bij brief van 17 maart 1998 opdracht gegeven tot afhandeling van bezwaarschriften tegen de eerder door Kafi op grond van de onder 1.2 genoemde overeenkomsten vastgestelde WOZ-waarde van courante en incourante niet-woningen. Die brief luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Hierbij bevestig ik de opdracht aan Kafi bv voor het volgende:

? Het afhandelen van de door de gemeente Utrecht aan te leveren bezwaarschriften tegen courante en incourante niet-woningen conform uw offerte d.d. 05-09-’97, kenmerk 763/XN97/3615/ms en de aanvullende afspraken kenmerk 763/XN97/4814/mm d.d. 24-09-’97, waarbij opgemerkt wordt dat de waarde-aanpassing bij objecten met een vastgestelde waarde van meer dan ƒ 2.500.000,--ook onder de garantieregeling valt. De verlaging moet een gevolg zijn van een verwijtbare onjuiste waardevaststelling. Deze bezwaarschriften worden niet anders behandeld dan diegenen onder de ƒ 2.500.000,--.(.…).”

1.9 In reactie op de onder 1.7 genoemde brief van de Gemeente heeft Kafi de Gemeente bij brief van 30 maart 1998 onder meer als volgt geschreven:

“Hartelijk dank voor uw opdrachtverstrekking voor het afhandelen

van bezwaarschriften met betrekking tot courante en incourante niet-woningen (…) volgens uw schrijven van 17 maart 1998 (…). De opdrachtverstrekking heeft betrekking op onze offerte van 5 september 1997, onze aanvulling op deze offerte van 24 september 1997 en de gemaakte afspraken tijdens de gevoerde werkoverleggen gedurende de loop van het project. (….)”

1.10 Op de overeenkomst tot afhandeling van de bezwaarschriften zijn de ALV 1994 van toepassing.

1.11 Kafi heeft de overeengekomen werkzaamheden - de afhandeling van bezwaarschriften - uitgevoerd. Op verzoek van de Gemeente heeft zij bij brief van 8 januari 1999 een kostenindicatie voor haar werkzaamheden aan de Gemeente gezonden. Daarin heeft zij onder meer het volgende geschreven:

“(…) Uitgaande van een verrekeningspercentage van 70% van de

taxatiekosten verwachten wij u ƒ 748.000,-- in rekening te brengen (van dit bedrag is reeds ƒ 600.000,-- door ons voorgefactureerd. (…)Bovendien zijn de kosten van de vraagpuntenafhandeling buiten dit bedrag gelaten.(….)”

1.12 Kafi heeft de Gemeente vervolgens een voorlopige eindspecificatie voor de bezwaarschriftenafhandeling, gedateerd 10 mei 1999, doen toekomen. Daarin is onder meer het volgende opgenomen:

“Aantal objecten aangeleverd door de gemeente Utrecht 2.030

Aantal objecten in behandeling genomen door een taxateur 1.849

Aantal objecten niet in behandeling genomen 181

Aantal objecten waarvan de waarde niet is aangepast 1.142 (61,76%)

Aantal objecten waarvan de waarde met maximaal 10%

met maximaal 10% is aangepast 171 (9,25%)

Aantal objecten waarvan de waarde met meer dan

10% is aangepast 536 (28,99%)

Aantal waardewijzigingen niet verwijtbaar aan Kafi 1432

Aantal waardewijzigingen verwijtbaar aan Kafi 417

Percentage te verrekenen 77,45%

(….)

Daarnaast is in deze rapportage een overzicht opgenomen van de door Kafi behandelde vraagpunten.

1.13 De voorlopige eindspecificatie is op diezelfde dag onderwerp van bespreking geweest tussen de Gemeente en Kafi. Van die bespreking is een gespreksnotitie gemaakt, die zich bij de stukken bevindt. Blijkens die notitie heeft de Gemeente zich toen, onder meer, op het standpunt gesteld dat door Kafi 241 getaxeerde objecten door haar ten onrechte niet waren aangemerkt als (aan Kafi) verwijtbaar.

1.14 Kafi heeft de Gemeente voor werkzaamheden ter zake van de afhandeling van bezwaarschriften op 28 december 2000 haar eindfactuur gezonden. In totaal heeft zij de Gemeente daarvoor een bedrag van ƒ 875.904,18 incl. BTW in rekening gebracht. Daarvan was een bedrag van ƒ 600.000,-- bij wijze van voorschotten reeds door de Gemeente betaald, zodat nog een bedrag van ƒ275.904,18 resteerde te voldoen.

1.15 Kafi heeft de Gemeente voorts op 28 december 2000 een eindnota van ƒ 42.270,66 incl. BTW gezonden ‘inzake de voor u verrichte werkzaamheden in het kader beroepsprocedures’.

1.16 In haar begeleidende brief van 28 december 2002 verontschuldigt Kafi zich voor het late tijdstip van het indienen van de eindnota. Op beide facturen staat onder meer het volgende vermeld:

“Reclames binnen 14 dagen na dagtekening. Betaling binnen

4 weken na dagtekening tenzij anders overeengekomen.”

1.17 Naar aanleiding van de beide eindnota’s heeft de Gemeente Kafi bij brief van 13 februari 2001 het volgende geschreven:

“Alvorens inhoudelijk op uw schrijven in te gaan, verzoek ik u mij

een copie van de detacheringsovereenkomst te doen toekomen. Uit deze overeenkomst zal moeten blijken voor hoeveel uren de detachering plaatsvond en tegen welk tarief.”

1.18 Daarop heeft Kafi de Gemeente bij brief van 6 augustus 2001 onder meer het volgende geschreven:

“Wij verwijzen u naar onze offerte afhandeling bezwaarschriften

courante-en incourante niet-woningen van 5 september 1997 (….). In deze offerte staat op bladzijde 9 (2.8) vermeld dat de verrekening van alle werkzaamheden in het kader van de bezwaarschriftenafhandeling plaats vindt op basis van het werkelijk aantal bestede uren per functionaris. Over de invulling van de detacheringswerkzaamheden zijn tijdens de diverse werkoverleggen aanvullende afspraken gemaakt.”

1.19 De Gemeente heeft de beide facturen, ook na herhaalde sommatie, onbetaald gelaten.

Het geschil

In conventie en in reconventie

2. Kafi vordert dat de rechtbank de Gemeente bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad zal veroordelen tot betaling aan haar van een bedrag van € 169.262,53 te vermeerderen met de wettelijke over € 154.824,38 vanaf 21 december 2001 tot aan de dag der algehele voldoening. Zij legt daar tegen de achtergrond van de vaststaande feiten aan ten grondslag dat zij in opdracht van de Gemeente zowel de bezwaarschriftenafhandeling als de afhandeling van de beroepsprocedures in het kader de WOZ heeft verricht, dat zij de Gemeente voor deze werkzaamheden een bedrag heeft gefactureerd en dat de Gemeente daarvan ƒ 318.174,84 (€ 144.381,45) onbetaald heeft gelaten. De wettelijke rente is op grond van art. 9.2 van de ALV verschuldigd vanaf 25 januari 2001 en bedraagt tot 21 december 2001 ƒ 23.013,19 (€ 10.442,93). De buitengerechtelijke kosten bedragen op grond van art. 9.5 van de ALV ƒ 31.817,50 (€ 14.438,15).

3. De Gemeente voert gemotiveerd verweer. Daarop zal, voor zover van belang, hierna worden ingegaan. In reconventie vordert zij dat de rechtbank, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

a. (voorwaardelijk, namelijk voorzover in conventie moet worden geoordeeld dat de Gemeente ter zake van door Kafi in rekening gebrachte taxatiekosten dient te betalen) de tussen de Gemeente en Kafi gesloten overeenkomst strekkende tot afhandeling van bezwaarschriften gedeeltelijk zal ontbinden, en wel voor zover er door Kafi taxatiekosten in rekening zijn gebracht die voortvloeien uit eerder onjuist door Kafi verrichte meet-en afbakeningswerkzaamheden;

b. Kafi zal veroordelen om aan de Gemeente te betalen de door de Gemeente als gevolg van de toerekenbare tekortkoming van Kafi geleden schade, nader op te maken bij staat.

4. Aan de vordering tot partiële ontbinding legt de Gemeente tegen de achtergrond van de vaststaande feiten kort samengevat het volgende ten grondslag. Kafi heeft uit hoofde van de overeenkomst tot afhandeling van bezwaarschriften taxatiekosten in rekening gebracht die voortvloeien uit eerdere onjuist door Kafi verrichte meet- en afbakeningswerkzaamheden. De Gemeente heeft Kafi begin 1996 opdracht gegeven om de gebruikersobjecten af te bakenen, dat wil zeggen, ter plaatse op te nemen en op te meten. Bij het opnemen en opmeten zijn door Kafi, dan wel door het door haar ingeschakelde bedrijf ‘Fiscal Control’, veel fouten gemaakt. Uit onderzoek door de Gemeente is namelijk gebleken dat 40% van de ingediende - en door Kafi afgehandelde - bezwaarschriften betrekking had op onjuist door Kafi verrichte meet- en afbakeningswerkzaamheden, waardoor in vele gevallen door Kafi de WOZ-waarde onjuist was vastgesteld. De Gemeente heeft bovendien schade geleden, die daaruit bestaat dat zij 96 beroepszaken zelf heeft moeten afhandelen die alle betrekking hadden op onjuist door Kafi gehanteerde meet-en afbakeningsgegevens. De schade begroot zij voorlopig op ƒ 490.650,-- (€ 222.647,26) en worden gevormd door de kosten van een taxateur, de kosten van een jurist, de kosten van administratieve afhandeling, griffierechten, proceskostenvergoeding en reiskosten.

De beoordeling van het geschil

in conventie

opdracht afhandeling bezwaarschriften

5. Kafi heeft in 1996/1997 in opdracht van de Gemeente de onder 1.2 genoemde WOZ-taxaties van courante en incourante niet-woningen in de gemeente Utrecht verricht. Vervolgens heeft Kafi van de Gemeente opdracht gekregen om de bezwaarschriften tegen de eerder door Kafi vastgestelde WOZ-waarde van de courante en incourante niet-woningen in de gemeente Utrecht af te handelen. Een dergelijke overeenkomst is aan te merken als een overeenkomst van opdracht als bedoeld in art. 7:400 BW.

6. Haar eindfactuur ten bedrage van ƒ 875.904,18 incl. BTW heeft Kafi op 28 december 2000 aan de Gemeente gezonden. Uit de voorlopige eindspecificatie van Kafi begrijpt de rechtbank dat zij 77,45% van het aantal taxaties (1849) in het kader van de bezwaarschriftenbehandeling aan de Gemeente in rekening wenste te brengen en voorts dat aan de Gemeente in rekening zou worden gebracht een post voor ‘vraagpunten’. Een bedrag van ƒ 275.904,18 incl. BTW heeft de Gemeente onbetaald gelaten op grond van het navolgende.

7. De Gemeente stelt allereerst dat tijdens de werkbespreking tussen haar en Kafi op 24 september 1997 tussen partijen is afgesproken dat er, in afwijking van de in de offerte van Kafi opgenomen ‘garantieregeling’, door Kafi geen taxatiekosten in rekening zouden worden gebracht als zou blijken dat een waardeaanpassing in het kader van de behandeling van een bezwaarschrift betrekking zou hebben op verkeerde meet-en afbakeningsgegevens. Ten bewijze van die afspraak wijst zij op de onder 1.5 genoemde passage uit het besprekingsverslag van 24 september 1997, op de door de Gemeente bij brief van 17 maart 1998 verleende opdracht en op de onder 1.8 genoemde bevestiging door Kafi van die opdrachtverlening. De achterliggende gedachte van die afspraak was, aldus de Gemeente, dat Kafi al eerder, begin 1996, in opdracht van de Gemeente de oppervlakte en afbakeningsgegevens van alle niet-woningen, nodig voor de vaststelling door Kafi van de WOZ-waarde, had berekend en verzameld. In haar laatste processtuk stelt de Gemeente dat zij Kafi medio 1996 opdracht had gegeven om een proefproject te starten betreffende de objectafbakening, dat zij halverwege de loop van dat project heeft besloten de kadastrale objectafbakening in eigen beheer uit te voeren en dat voor wat betreft de afbakening naar gebruikers de Gemeente Kafi opdracht heeft gegeven om de objecten ter plaatse op te nemen en van de juiste metrages te voorzien. Kafi heeft die werkzaamheden doen uitvoeren door ‘Fiscal Control B.V.’. Daarbij zijn vele fouten gemaakt waarvoor Kafi verantwoordelijk is. Uit de onder 1.11 genoemde voorlopige eindspecificatie van Kafi blijkt, aldus de Gemeente, dat Kafi stelt 2030 objecten voor taxatie in het kader van de afhandeling van bezwaarschriften aangeleverd te hebben gekregen, waarvan er 181 niet in behandeling zijn genomen zodat 1849 objecten zijn getaxeerd. Van die 1849 objecten is blijkens de specificatie sprake geweest van 1432 niet aan Kafi te verwijten waardewijzigingen ten opzichte van de eerder vastgestelde WOZ-waarde, en een aantal van 417 waardewijzigingen die wel aan Kafi te verwijten zijn. Van het totaal aantal taxaties in het kader van de afhandeling van de bezwaarschriften heeft Kafi er 1432 (= 77,45% van 1849) aan de Gemeente in rekening gebracht. In de visie van de Gemeente is dat onjuist omdat uit haar eigen onderzoek (produktie 5 bij antwoord) is gebleken dat in 781 gevallen bezwaarschriften gegrond zijn verklaard wegens een niet juist vastgestelde WOZ-waarde als gevolg van het feit dat Kafi in 1996 de oppervlakte- en afbakeningsgegevens van gebruikers onjuist had vastgesteld. Ingevolge de op 24 september 1997 gemaakte afspraak hadden de op deze bezwaarschriften betrekking hebbende taxatiekosten (=42,3% van het totaal aantal taxaties) niet in rekening gebracht mogen worden. Te betalen resteerde derhalve de kosten van 1065 (=57,7%) taxaties.

8. De Gemeente betwist voorts dat zij enig bedrag is verschuldigd uit hoofde van ‘oplossen vraagpunten Gemeente’, bij gebreke van een opdracht daartoe. Daarnaast betreft het hier kosten die uitsluitend zijn terug te voeren op de interne organisatie van Kafi: het betrof hier immers vragen van medewerkers van Kafi aan taxateurs van Kafi. Voorts telt zij dat Kafi ten onrechte uitgaat van 1849 taxaties, terwijl er dat in werkelijkheid 1846 zijn geweest. Verder heeft Kafi 181 bezwaarschriften in rekening gebracht die in werkelijkheid niet zijn ingediend.

9. In de bij antwoord onder 6 door de Gemeente overgelegde ‘Uitwerking nota Kafi’ - waarin in afwijking van de door Kafi ingediende eindfactuur, maar in overeenstemming met de als produktie 26 door Kafi bij repliek overgelegde ‘specificatie’ wordt uitgegaan van een eindbedrag van ƒ 967.760,00 - is vermeld dat het eindbedrag is opgebouwd uit (a) ‘oplossen vraagpunten Gemeente (ƒ 51.040,00), (b) taxatiekosten (ƒ 568.640,00), en (c) overige kosten (ƒ 348.080,--). De Gemeente stelt dat Kafi op grond van hetgeen onder 7 en 8 is overwogen voor haar werkzaamheden maximaal ƒ 616.382,-- in rekening heeft kunnen brengen. In conventie resteert volgens de Gemeente dan ten hoogste nog ƒ16.382,-- te betalen, welk bedrag zij in verrekening brengt met haar in reconventie ingestelde vordering tot vergoeding van schade. In verband met die verrekening wenst zij de nakoming van haar betalingsverplichting tegenover Kafi op te schorten.

10. Kafi betwist gemotiveerd de gestelde afspraak d.d. 24 september 1997. Voorts stelt zij dat zij van de Gemeente opdracht heeft gekregen om de - onder 1.2 genoemde - WOZ-taxaties uit te voeren, maar zij betwist dat zij in 1996 van de Gemeente opdracht te hebben gekregen tot het verrichten van meet- en afbakeningswerkzaamheden. De afbakening van het ‘gebruikersgedeelte’- dat wil zeggen de inventarisatie van het object door middel van meetwerkzaamheden - is niet door Kafi maar door Fiscal Control B.V. in opdracht van de Gemeente geschied. In dat verband verwijst zij naar de als produktie 4 bij antwoord overgelegde gespreksnotitie van de Gemeente d.d. 10 mei 2000 waarin staat dat de Gemeente op verzoek van Kafi alle objecten heeft laten inventariseren en bemeten door Fiscal Control. Overigens betwist Kafi dat ruim 40% van de ingediende bezwaarschriften betrekking heeft op verkeerde meet- en afbakeningsgegevens. Voor wat betreft de post ‘vraagpuntenafhandeling’ stelt Kafi zich op het standpunt dat het daarbij ging om vraagstukken die voornamelijk betrekking hadden op aanvullingen om tot een beslissing op een bezwaarschrift te kunnen komen dan wel om een verweerschrift in een beroepsprocedure op te kunnen stellen. Op grond daarvan kan zij die post in rekening brengen. Voorts betwist zij de kosten van drie bezwaarschriften in rekening te hebben gebracht die nooit ingediend zijn.

11. Als meest verstrekkende verweer voert Kafi onder verwijzing naar art. 11.5 van de ALV 1994 aan dat nu de Gemeente pas op 27 juni 2002 voor het eerst haar bezwaren tegen de eindfactuur van 28 december 2000 bekend heeft gemaakt het recht om te reclameren is vervallen. De Gemeente stelt dat het beroep van Kafi op het beding in strijd is met de redelijkheid en billijkheid.

12. Het verweer van Kafi treft geen doel. De voorlopige eindspecificatie van Kafi dateert van 10 mei 1999 en is op 10 mei 2000 onderwerp van bespreking geweest tussen Kafi en de Gemeente. Blijkens het door de Gemeente opgestelde gespreksverslag had zij op onderdelen forse kritiek op die specificatie, ondermeer omdat in haar visie ‘241 objecten ten onrechte waren aangemerkt als niet-verwijtbaar’. Eerst op 28 december 2000 stuurt Kafi, onder het aanbieden van excuses voor het late tijdstip van indienen, haar eindfactuur ten bedrage van ƒ 875.904,18 incl. BTW aan de Gemeente. Gelet op de hoogte van het gefactureerde eindbedrag, de omvang van de gefactureerde werkzaamheden, de aard en omvang van de kritiek van de Gemeente op de voorlopige eindspecificatie en het late tijdstip van indienen van de eindfactuur door Kafi, gaat het niet aan de Gemeente thans tegen te werpen dat zij haar bezwaren binnen 8 dagen na factuurdatum - volgens de eindfactuur: binnen 14 dagen na dagtekening - per aangetekende brief kenbaar had moeten maken op straffe van rechtsverlies. Onder de geschetste omstandigheden moet het beroep van Kafi op art. 11.5 van de ALV 1994 als naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar worden gepasseerd.

13. Tussen de partijen is niet in geschil de geldigheid van de overeengekomen, onder 1.4 genoemde, garantieregeling. Op grond van die regeling kon Kafi geen taxatiekosten aan de Gemeente in rekening brengen indien - kort gezegd- de door Kafi in bezwaar getaxeerde waarde met méér dan 10% zou worden verlaagd ten opzichte van de eerder vastgestelde WOZ-waarde. Volgens de onder 1.12 genoemde voorlopige eindspecificatie van Kafi gaat zij uit van 2030 in bezwaar betrokken objecten, waarvan er 1849 door haar in behandeling zijn genomen. Het aantal objecten waarvan de waarde met méér dan 10% is aangepast bedraagt volgens Kafi 536 terwijl het aantal waardewijzigingen dat aan haar verwijtbaar is in haar visie 417 bedraagt.

14. De Gemeente gaat blijkens het door haar als productie 6 bij antwoord overgelegde overzicht uit van 2.027 bezwaarschriften en 412 aan Kafi in het kader van de garantieregeling te verwijten waardewijzigingen in bezwaar.

15. Op dit punt acht de rechtbank zich onvoldoende door partijen geïnformeerd. In aanmerking genomen de overeengekomen garantieregeling en gelet op het feit dat volgens Kafi sprake is van 536 waardewijzigingen van méér dan 10% rijst de vraag op grond waarvan Kafi van opvatting is dat niet 536 maar 417 waardewijzigingen aan haar te verwijten zijn. Daarnaast wenst de rechtbank te vernemen waarom Kafi uitgaat van 2.030 in bezwaar betrokken objecten terwijl de Gemeente uitgaat van een aantal van 2.027. De rechtbank zal een comparitie van partijen gelasten, ter gelegenheid waarvan partijen de gevraagde informatie dienen te verstrekken.

16. Vervolgens is aan de orde de vraag of tussen partijen, zoals de Gemeente heeft gesteld, in aanvulling op de onder 1.4 bedoelde garantieregeling op 24 september 1997 nader is afgesproken dat door Kafi geen taxatiekosten in rekening worden gebracht indien zou blijken dat een waardeaanpassing in het kader van de behandeling van een bezwaarschrift betrekking zou hebben op verkeerde meet- en afbakeningsgegevens van gebruikersgedeelten. Gelet op de gemotiveerde betwisting van Kafi geldt in beginsel het uitgangspunt dat op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv op de Gemeente de last rust haar stelling dat deze nadere afspraak is gemaakt te bewijzen. De rechtbank zal haar zonodig te zijner tijd, overeenkomstig haar aanbod, tot de bewijslevering toelaten.

17. Dat bewijs is ook nodig want volgt niet reeds uit het gespreksverslag van de bespreking op 24 september 1997, noch uit de in de brief van 17 maart 1998 gegeven opdracht en evenmin uit de bevestiging van de opdracht door Kafi bij brief van 30 maart 1998. Het gespreksverslag omvat enkel hetgeen nader is besproken - waaronder het onder 1.5 genoemde aspect - maar vermeldt niet dat tussen partijen ook is afgesproken dat in het geheel geen taxatiekosten door Kafi worden berekend indien een waardeaanpassing ten opzichte van de WOZ-waarde plaatsvindt als gevolg van verkeerde meet-en afbakeningsgegevens. Om die reden kan ook de brief van de Gemeente aan Kafi van 17 maart 1998 niet gelden als voldoende bewijs van de door de Gemeente gestelde afspraak en hetzelfde moet gelden voor de bevestigingsbrief van Kafi. In die laatste brieven wordt weliswaar geschreven over ‘aanvullende afspraken (..) d.d. 24-09-97’ respectievelijk ‘onze aanvulling op deze offerte van 24 september 1997 en de gemaakte afspraken tijdens de gevoerde werkoverleggen’, maar noch uit het gespreksverslag van 24 september 1997 noch uit beide brieven blijkt voldoende duidelijk dat, en zo ja: welke, afspraken er op dit punt precies gemaakt zouden zijn.

18. Zou de Gemeente niet in dat bewijs slagen, dan stuit het onder 7 samengevatte betoog van de Gemeente reeds daarop af. Zou de Gemeente wèl in dat bewijs slagen, dan dient vervolgens nog de vraag te worden beantwoord of door Kafi taxaties aan de Gemeente in rekening zijn gebracht die op grond van de nadere afspraak van 24 september 1997 niet in rekening gebracht mochten worden en zo ja: hoeveel. Uit het bij antwoord als productie 6 door de Gemeente overgelegde overzicht begrijpt de rechtbank dat in de visie van de Gemeente Kafi in totaal 781 taxaties ( 412 plus 369) niet in rekening kon brengen.

19. Ter onderbouwing van haar stellingen verwijst de Gemeente verder naar het door haar bij antwoord als productie 5 overgelegde overzicht. Uit dat overzicht blijkt echter niet met de vereiste volledigheid in welke gevallen er volgens de Gemeente nu precies sprake is van een waardeverschil van minder dan 10% ten opzichte van de aanvankelijk vastgestelde WOZ-waarde. Voorts zijn de in de kolom ‘reden’ opgenomen omschrijvingen te onduidelijk om daaruit reeds met de vereiste duidelijkheid te kunnen afleiden dat sprake is van waardeaanpassingen als gevolg van de aan Kafi verweten verkeerde metingen uit 1996. Bovendien staan in genoemd overzicht kennelijk opgenomen gevallen die in beroep door de Gemeente zijn verloren; door de Gemeente is niet (subsidiair) gesteld dat de eventuele prijsafspraken voor de bezwaarschriftenafhandeling ook zouden gelden voor de beroepsfase. De Gemeente dient op de comparitie aan de hand van een overzicht inzichtelijk te maken (a) in welke concreet aangeduide gevallen sprake is van waardeaanpassingen van minder dan 10%, (b) in welke van die gevallen een waardeaanpassing heeft plaatsgevonden als gevolg van onjuiste opmetingen in 1996 en (c) waaruit die onjuiste opmetingen dan precies hebben bestaan.

20. De achterliggende gedachte van de door de Gemeente gestelde afspraak van 24 september 1997 is volgens haar dat zij Kafi in 1996 opdracht heeft gegeven om voor wat betreft afbakening naar gebruikers objecten ter plaatse op te nemen en van de juiste metrages te voorzien. Kafi heeft vervolgens, aldus de Gemeente, de werkzaamheden betreffende de gebruikersafbakening, laten uitvoeren door Fiscal Control B.V. Tegen die achtergrond moeten eventuele foute metingen, zo begrijpt de rechtbank het standpunt van de Gemeente, ingeval van waardeaanpassingen in bezwaar aan Kafi worden toegerekend. Kafi betwist dat zij in opdracht van de Gemeente de metingen heeft verricht. Volgens Kafi heeft de Gemeente de opdracht daartoe aan Fiscal Control B.V. gegeven.

21. Tussen partijen is in confesso is dat de feitelijke opmetingen door Fiscal Control B.V. zijn uitgevoerd, maar in geschil is of de Gemeente aan Kafi opdracht heeft gegeven om op te meten waarna Kafi bij de uitvoering van de werkzaamheden gebruik heeft gemaakt van Fiscal Control B.V. dan wel dat de Gemeente niet aan Kafi maar aan Fiscal Control B.V. opdracht heeft gegeven om op te meten. Ook op dit punt behoeft de rechtbank nadere inlichtingen van partijen. De rechtbank wenst van de Gemeente te vernemen hoe die opdrachtverlening destijds precies in het werk is gegaan, in het bijzonder met welke functionaris van Kafi is gesproken en aan welke functionaris de opdracht is verleend, wanneer en tegen welke prijs. In dat verband rijst de vraag of de Gemeente destijds voor die werkzaamheden door Kafi is gefactureerd. Verwijzing door Kafi naar haar facturen van 2 juli 1997 (produktie 14 dupliek) respectievelijk 23 oktober 1997 (produktie 15 dupliek) volstaat niet. Tussen partijen is immers in confesso dat het in rekening gebrachte bedrag van ƒ 10.000,-- ter zake van ‘WOZ-afbakening’ betrekking had op het proefproject betreffende de kadastrale objectafbakening en niet op de afbakening naar gebruikers. De specificatie bij de factuur van Kafi van 23 oktober 1997 vermeldt weliswaar ‘inventarisatiewerkzaamheden Fiscal Control (aanbieding 28-06-96)’ en ‘meerwerk additionele inventarisaties door Fiscal Control’, maar daaruit wordt nog niet duidelijk waarop die specificaties precies betrekking hebben. De Gemeente dient die informatie op de comparitie te verstrekken.

22. Door Kafi is bij repliek als productie 14 overgelegd haar offerte van februari 1996 die ten grondslag lag aan de door haar in opdracht van de Gemeente verrichte hertaxaties van niet-woningen in het kader van de WOZ. Uit Bijlage 2 bij die offerte lijkt voort te vloeien dat opmetingen van de vloeropppervlakte per objectonderdeel voor verantwoordelijk van Kafi zijn geschied. Indien dat het geval is dan is voorstelbaar dat het verweer van Kafi dat niet zij, maar Fiscal Control B.V. verantwoordelijk is voor de opmetingen, reeds op grond daarvan geen doel kan treffen. Ook op dit punt wenst de rechtbank op de comparitie nader door partijen te worden geïnformeerd.

23. Overigens rijst de vraag in hoeverre het standpunt van Kafi dat zij niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor onjuiste opmetingen uit 1996 zich verhoudt tot het feit dat in haar visie wèl sprake is van 417 waardewijzigingen in bezwaar ‘verwijtbaar aan Kafi’. Ook daarover dient Kafi op de comparitie duidelijkheid te verschaffen.

24. Ook voor wat betreft de post ‘oplossen vraagpunten’ acht de rechtbank zich onvoldoende door partijen geïnformeerd. Voor zover deze post betrekking heeft op de afhandeling van bezwaarschriften wenst de rechtbank van Kafi te vernemen welke werkzaamheden daarmee precies worden bedoeld. Klaarblijkelijk bestaat over het aantal uren en de uurprijs geen verschil van mening zodat daarvan dient te worden uitgegaan. Ook over het verschil van 3 taxaties tussen het aantal taxaties dat Kafi klaarblijkelijk stelt te hebben verricht in het kader van de afhandeling bezwaarschriften (1.849) en het aantal dat door de Gemeente wordt genoemd (1.846) wenst de rechtbank nader te worden geïnformeerd. Hetzelfde geldt voor de stelling van de Gemeente dat Kafi ten onrechte 181 niet verrichte taxaties in rekening heeft gebracht. Partijen dienen die informatie op de comparitie verschaffen.

opdracht afhandeling beroepsprocedures

25. Kafi stelt dat de Gemeente haar onder 1.6 genoemde offerte met betrekking tot de afhandeling van beroepsprocedures heeft aanvaard en dat zij de Gemeente voor die werkzaamheden op 28 december 2000 de onder 1.14 genoemde eindnota van ƒ 42.270,66 inc. BTW heeft gezonden. Bij repliek betoogt Kafi echter dat de Gemeente weliswaar niet de gehele offerte (schriftelijk) heeft aanvaard maar wel mondeling opdracht aan Kafi heeft verstrekt om bepaalde werkzaamheden voor haar rekening te nemen, hetgeen ook is gebeurd. De Gemeente betwist dat bedrag verschuldigd te zijn, primair omdat zij Kafi geen opdracht heeft gegeven tot afhandeling van de beroepsprocedures, subsidiair omdat dat bedrag uitsluitend betrekking heeft op werkzaamheden die door Kafi zijn verricht naar aanleiding van verzoeken van de Gemeente om opheldering ter zake van foute meet-en afbakeningsgegevens. Die kosten komen, zo stelt zij, vanzelfsprekend voor rekening van Kafi. Voorts betwist de Gemeente dat Kafi enige van de in haar offerte van 8 januari 1998 genoemde werkzaamheden heeft verricht.

26. In beginsel geldt als uitgangspunt dat Kafi de gestelde opdracht dient te bewijzen. De rechtbank acht zich over de exacte aard en omvang van de door Kafi gestelde werkzaamheden onvoldoende voorgelicht. Weliswaar stelt Kafi onder verwijzing naar de verklaring van haar medewerker A. Demirci dat zijn werkzaamheden betrekking hadden op het waarderen van argumenten in beroepsschriften, het bezoeken van een belastingplichtige en het aandragen van bouwstenen voor verweerschriften, maar dit wordt door de Gemeente gemotiveerd betwist. Op de comparitie zal ook daarover nadere informatie kunnen worden verschaft. In dat verband zullen ter sprake komen de door Kafi als produktie 19 bij repliek overgelegde verklaring van haar medewerker A. Demirci en het als produktie 20 overgelegde ‘overzicht beroepsprocedures’.

27. Het beroep van Kafi op art. 11.5 van de ALV 1998 moet falen op grond van hetgeen hiervoor onder 12 reeds is overwogen.

in reconventie

28. De (voorwaardelijke) vordering tot gedeeltelijke ontbinding van de tussen de Gemeente en Kafi gesloten overeenkomst van opdracht betreffende de afhandeling van bezwaarschriften kan naar het voorlopig oordeel van de rechtbank niet worden toegewezen. Aan die vordering heeft de Gemeente immers geen tekortkoming van Kafi in de nakoming van de opdracht tot afhandeling van bezwaarschriften ten grondslag gelegd, maar uitsluitend een tekortkoming in de nakoming van de door haar gestelde, in 1996 gegeven, opdracht tot het verrichten van meet- en afbakeningswerkzaamheden. Een tekortkoming in de nakoming van die overeenkomst kan echter geen grond bieden tot ontbinding van de in 1998 gesloten overeenkomst tot afhandeling van bezwaarschriften.

29. Dan de vordering tot vergoeding van schade. De rechtbank begrijpt dat de Gemeente deze vordering grondt op de stelling dat Kafi in de door haar gestelde opdracht tot het verrichten van meet- en afbakeningsgegevens uit 1996 toerekenbaar tekort is geschoten. Door Kafi zijn daarbij, zo stelt de Gemeente, opmetingsfouten gemaakt als gevolg waarvan de Gemeente 96 beroepszaken bij het hof heeft moeten afhandelen die alle betrekking hadden op die fouten van Kafi. De Gemeente stelt 92 beroepszaken te hebben verloren, naar de rechtbank begrijpt omdat gebruik is gemaakt van onjuiste meet -en afbakeningsgegevens uit 1996 als gevolg waarvan de WOZ-waarde onjuist is vastgesteld.

30. Indien de onder 25 bedoelde opdracht aan Kafi komt vast te staan heeft het volgende te gelden. Een dergelijke overeenkomst is aan te merken als een overeenkomst van opdracht als bedoeld in art. 7:400 BW. Op grond van art. 7:401 BW is de opdrachtnemer daarbij gehouden als goed opdrachtnemer te handelen. De kernvraag die partijen verdeeld houdt is of Kafi als goed opdrachtnemer heeft gehandeld bij de uitvoering van de haar opgedragen opmetingen in 1996. Op grond van de overeenkomst komt het er dan bij beantwoording van die vraag op aan of Kafi bij het uitvoeren van die opmetingen heeft gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot te werk zou zijn gegaan. Daarbij heeft voorshands te gelden dat indien Kafi bij de uitvoering van de verbintenis gebruik heeft gemaakt van Fiscal Control B.V., dan wel indien aangenomen moet worden dat zij op grond van de offerte uit 1996 verantwoordelijkheid draagt voor de juistheid van de metingen, Kafi aansprakelijk is voor gedragingen van Fiscal Control.

31. Vervolgens rijst de vraag naar het causaal verband tussen de gestelde tekortkoming en de gestelde, hiervoor onder 4 genoemde, schade. In dat verband geldt dat uit de stellingen van de Gemeente voorshands niet volgt dat de door haar gestelde schade het gevolg is van de aan Kafi verweten tekortkoming bij het opmeten in 1996. Niet de meetresultaten uit 1996 zijn immers in beroep door het Hof beoordeeld, maar de hertaxaties in bezwaar. Door de Gemeente is echter niet gesteld dat Kafi tekort is geschoten in de verplichting om de hertaxaties naar behoren te verrichten. Het ligt bij die stand van zaken op de weg van de Gemeente om dat causaal verband op de comparitie nader te onderbouwen.

in conventie en in reconventie

32. Voor zover partijen zich ter comparitie willen beroepen op stukken dienen zij deze in origineel ter comparitie mee te brengen en in afschrift aan de rechtbank en aan de wederpartij te doen toekomen, aldus dat zij uiterlijk een week voor de vast te stellen comparitiedatum zijn ontvangen. De comparitie zal tevens worden benut om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.

33. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. Tussentijds hoger beroep van dit vonnis is uitgesloten.

De beslissing

De rechtbank, rechtdoende,

In conventie en in reconventie

bepaalt dat de partijen, vergezeld van hun advocaten, voor de rechtbank mr. R.A. van der Pol als rechter-commissaris zullen verschijnen in het Paleis van Justitie te Arnhem aan de Walburgstraat 2-4 om inlichtingen over de zaak te geven en te laten onderzoeken of de partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden, op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd (op een donderdag),

verwijst de zaak naar de tweede rolzitting na de dag waarop dit vonnis is uitgesproken, voor het opgeven van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden april tot en met juni 2003, waarna dag en uur van de comparitie zal worden bepaald,

bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de comparitie zelfstandig zal bepalen,

bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de comparitie dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,

bepaalt dat partijen dan vertegenwoordigd zullen zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen,

verzoekt de tijdige toezending van de stukken zoals onder 31 bedoeld,

verstaat dat hoger beroep van dit vonnis alleen mogelijk is tegelijk met dat van het eindvonnis;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. R.J.B. Boonekamp, R.A. van der Pol en M.A.M. Vaessen, en uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2003.

de griffier de voorzitter

Coll:RP