Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2003:AF3982

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
16-01-2003
Datum publicatie
01-05-2003
Zaaknummer
01/1103 NABW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JABW 2003, 122
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector bestuursrecht

Reg.nr.: 01/1103 NABW

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[eiseres]

wonende te [woonplaats], eiseres,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 28 mei 2001.

2. Procesverloop

Bij besluit van 14 januari 2000 heeft verweerder aan eiseres een maatregel opgelegd, houdende een verlaging van de bijstandsuitkering van eiseres met 10 % over de maand februari 2000 wegens onvoldoende solliciteren (besluit 1).

Bij besluit van 24 januari 2001 heeft verweerder aan eiseres wegens het door eigen toedoen niet behouden van arbeid in dienstbetrekking een maatregel opgelegd in de vorm van een gehele weigering van de bijstandsuitkering van eiseres over de periode 1 februari 2001 tot 1 maart 2001 (besluit 2).

Bij besluit van 1 mei 2001 heeft verweerder eiseres wederom een maatregel opgelegd, houdende verlaging van de bijstand met 20 % over de periode 1 mei 2001 tot 1 juli 2001 wegens onvoldoende solliciteren en een maatregel, houdende verlaging van de bijstand met 20 % over de maand mei 2001 wegens gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren (besluit 3).

Tegen de besluiten 1 en 2 is door de heer [naam] van de hulpdienst van de Socialistische Partij, namens eiseres op 1 februari 2001 bezwaar gemaakt.

Tegen besluit 3 heeft [naam] voornoemd een ongedateerd bezwaarschrift ingediend dat bij verweerder is binnen gekomen op 10 mei 2001.

Het bezwaar tegen de besluiten 1 en 2 is op 24 april 2001 behandeld ter zitting van de bezwaarschriftencommissie van de Dienst Sociale Zaken en Arbeid van de gemeente Arnhem. Deze commissie heeft op 3 mei 2001 advies aan verweerder uitgebracht.

Bij genoemd besluit van 28 mei 2001 heeft verweerder het bezwaar tegen besluit 1 niet ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding, het bezwaar tegen besluit 2 ongegrond verklaard en genoemde besluiten gehandhaafd.

Tegen het besluit van 28 mei 2001 is, door [naam], voornoemd, namens eiseres, op 14 juni 2001 beroep bij de rechtbank ingesteld.

Op laatstgenoemd tijdstip was door verweerder nog geen beslissing genomen op het bezwaar tegen besluit 3.

Verweerder heeft op 3 juli 2001 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 24 december 2002. Namens eiseres is aldaar verschenen, [naam], voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. E.A. Tanamal, werkzaam bij de gemeente Arnhem.

3. Overwegingen

In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat eiseres niet ontvankelijk is in haar bezwaar tegen het besluit van 14 juli 2000 aangezien de termijn voor het maken van bezwaar ten tijde van het indienen van het bezwaarschrift verstreken was. Aan dat besluit ligt voorts ten grondslag dat eiseres door eigen toedoen haar dienstbetrekking bij [ex-werkgever] BV (hierna: [ex-werkgever]) te [plaats] niet heeft behouden waardoor sprake is van een maatregelwaardige gedraging, als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Abw juncto artikel 3, aanhef, vierde lid onder b, van het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz (Stb 1996, 360), hetgeen reden is geweest de bijstand gedurende een maand geheel te weigeren met toepassing van artikel 5, eerste lid, onder d, van genoemd besluit Abw.

Eiseres kan zich hiermee niet verenigen. Uit het gestelde in het beroepsschrift leidt de rechtbank af dat eiseres van mening is dat zij ten onrechte niet ontvankelijk is verklaard en voorts dat zij de opgelegde maatregelen onterecht acht omdat zij van mening is dat er geen sprake is van verwijtbaar gedrag. Het verlies van haar dienstbetrekking bij [ex-werkgever] zou niet het gevolg zijn van het door verweerder aan haar verweten negatief gedrag maar van het feit dat zij ziek geworden was.

De rechtbank overweegt als volgt.

1. Ten aanzien van het beroep dat is gericht tegen het onderdeel van het bestreden besluit waarbij eiseres niet ontvankelijk is verklaard in haar bezwaar.

Op grond van artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:8 eerste lid, van de Awb vangt die termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet ontvankelijkheid op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Besluit 1 is aan eiseres bekend gemaakt op 14 januari 2000. Op grond van laatstgenoemde bepaling was de termijn voor het maken van bezwaar als bedoeld in artikel 6:7 van de Awb aangevangen op 15 januari 2000.

Het bezwaarschrift is echter eerst op 1 februari 2001, dus geruime tijd na het verstrijken van die termijn ingediend.

Nu niet is gebleken van omstandigheden als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb heeft verweerder op goede gronden besloten eiseres niet ontvankelijk te verklaren. Het beroep tegen dit onderdeel van het bestreden besluit dient derhalve ongegrond te worden verklaard.

2. Met betrekking tot het beroep tegen het onderdeel van het bestreden besluit waarbij de aan eiseres opgelegde maatregel van 100 % gedurende één maand is opgelegd.

In artikel 113, eerste lid, onder c, van de Abw is bepaald dat de belanghebbende die voor de zelfstandige voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking, verplicht is passende arbeid te aanvaarden. Daaronder wordt, volgens vaste jurisprudentie, tevens de verplichting begrepen om eenmaal aanvaarde arbeid in dienstbetrekking te behouden.

In artikel 14, eerste lid, van de Abw is bepaald – voor zover hier van belang – dat indien de belanghebbende blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, dan wel in de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag of nadien onvoldoende heeft meegewerkt aan het verkrijgen of behouden van arbeid in dienstbetrekking, burgemeester en wethouders de bijstand tijdelijk geheel of gedeeltelijk weigeren.

Op grond van artikel 14 tweede, lid, van de Abw wordt een maatregel als bedoeld in het eerste lid afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

Op grond van artikel 14, vierde lid, van de Abw zijn burgemeester en wethouders bevoegd van het opleggen van een maatregel af te zien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

Op grond van artikel 14, vijfde lid, van de Abw zijn nadere regels gesteld met betrekking tot de leden een en twee van artikel 14, in de vorm van het meergenoemde Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz. In artikel 3 van dat besluit worden de gedragingen in artikel 14 eerste, lid, van de Abw, onderscheiden in een aantal categorieën. Tot de vierde categorie wordt onder meer beschouwd de gedraging: het door eigen toedoen niet behouden van arbeid in dienstbetrekking.

Artikel 5, onder d, van het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz bepaalt dat in geval van het door eigen toedoen niet behouden van arbeid in dienstbetrekking de weigering van bijstand vastgesteld wordt op 100% gedurende één maand.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het volgende gebleken.

Eiseres heeft vanaf 14 april 1998 met korte onderbrekingen een bijstandsuitkering ontvangen van verweerder, naar de norm voor een alleenstaande. Zij heeft van maart 2000 tot mei 2000 deelgenomen aan een opleiding voor algemeen beveiligingsmedewerker via het ROC.

Eiseres geeft aan dat zij deze opleiding heeft moeten afbreken omdat zij van verweerder, vanwege deze studie, niet langer een uitkering ontving. Eiseres kon als gevolg daarvan niet langer in haar levensonderhoud voorzien. Met ingang van 28 september 2000 is eiseres in dienst getreden bij [ex-werkgever] te [plaats] in de functie van beveiligingsbeambte in opleiding. Op 10 november 2000 is eiseres door haar werkgever, met onmiddellijke ingang ontslagen. Omdat er sprake was van een proeftijd heeft eiseres dit ontslag niet kunnen aanvechten.

Eiseres stelt dat de reden van het ontslag was gelegen in het feit dat zij wegens migraineaanvallen arbeidsongeschikt was. Verweerder stelt zich, na telefonisch informatie bij de voormalige werkgever van eiseres te hebben ingewonnen, op het standpunt dat het ontslag te wijten was aan de negatieve werkhouding van eiseres. Eiseres had, aldus de werkgever, een conflict met haar direct leidinggevende, zij zou voorts de klant van [ex-werkgever] waar zij gedetacheerd was onbeschoft hebben bejegend en zij zou zijn weggelopen uit een vergadering omdat zij het niet eens was met de locatie waar zij was ingedeeld.

Eiseres zou zich ten slotte, in de korte periode waarin zij bij het bedrijf werkzaam was, vier maal hebben ziek gemeld.

De rechtbank stelt allereerst vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het werk als beveiligingsbeambte in opleiding bij [ex-werkgever] passende arbeid is.

De rechtbank stelt voorts vast dat eiseres altijd heeft aangegeven dat zij de functie van beveiligingsmedewerker ambieerde zodat aangenomen moet worden dat eiseres graag gebruik heeft gemaakt van de kans om bij [ex-werkgever] te gaan werken en aldaar de opleiding te voltooien die zij wegens geldgebrek had moeten afbreken.

In geding is de vraag of verweerder terecht heeft geoordeeld dat eiseres door eigen toedoen is ontslagen.

Toen eiseres de functie bij [ex-werkgever] aanvaardde had zij, mede gelet op haar leeftijd, een langdurige periode van werkloosheid achter de rug. Voordat eiseres de functie bij [ex-werkgever] aanvaardde heeft zij enkele andere functies uitgeoefend. In al deze gevallen werd het dienstverband echter na zeer korte tijd beëindigd. Blijkens de gedingstukken moest, medio 2000, het arbeidsmarktperspectief van eiseres als matig tot slecht worden beschouwd. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op deze omstandigheden, op eiseres een extra verantwoordelijkheid rustte om de functie bij [ex-werkgever] te behouden. Dit geldt te meer nu eiseres bij [ex-werkgever] de gelegenheid kreeg de opleiding voor beveiligingsmedewerker te voltooien waardoor, zo moet worden aangenomen, haar arbeidsmarktperspectief zou verbeteren.

Uit hetgeen in de gedingstukken daaromtrent is vermeld en uit het door verweerder ter zitting naar voren gebrachte blijkt genoegzaam dat de redenen van het ontslag te wijten zijn aan de negatieve werkhouding van eiseres bij genoemd bedrijf. Eiseres weet daartegenover slechts aan te voeren dat zij last van migraine had en daardoor ziek was. Dit zou volgens haar ook de reden van het ontslag zijn. Ter zitting is namens eiseres nog aangevoerd dat voor deze werkzaamheden onvoldoende gekwalificeerd zou zijn.

De rechtbank is van oordeel dat, wat er ook zij van de stelling van eiseres dat ziekte de oorzaak van het ontslag zou zijn, het op haar weg had gelegen om zich in verband met de door haar genoemde migraineaanvallen onder medische behandeling te stellen, waardoor veelvuldige uitval op het werk wellicht zou zijn voorkomen. Uit niets is evenwel gebleken dat eiseres zich voor de door haar genoemde migraine-aanvallen onder behandeling van een arts gesteld heeft.

De stelling dat eiseres onvoldoende gekwalificeerd voor haar werk bij [ex-werkgever] zou zijn waardoor er geen sprake zou zijn van passende arbeid, is naar het oordeel van de rechtbank niet dan wel onvoldoende onderbouwd en vormt overigens geen rechtvaardiging voor het verlies van haar arbeidsplaats, te meer niet nu niet is gebleken dat juist dit aspect tot het ontslag heeft geleid.

Verder had het, gezien het grote, belang van eiseres bij het behoud van haar arbeidsplaats eveneens op haar weg gelegen om, ondanks het feit dat het ontslag juridisch niet aan te vechten was, te trachten door middel van een gesprek met de werkgever dan wel via bemiddeling van de zijde van verweerder, de bestaande conflicten op lossen teneinde zodoende haar baan te behouden. Uit niets blijkt evenwel dat zij een dergelijke poging ondernomen heeft.

De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geoordeeld dat eiseres in ernstige mate is tekort geschoten in haar verplichting arbeid in dienstbetrekking te behouden. De ernst van dit feit en de verwijtbaarheid daarvan worden nog versterkt door de langdurige werkloosheid van eiseres in combinatie met haar hoge werkloosheidsrisico.

Om bovenvermelde redenen en vanwege het feit dat deze verwijtbare gedraging plaatsvond minder dan twaalf maanden na de vorige door verweerder als verwijtbaar aangemerkte gedraging van eiseres was verweerder, op grond van artikel 5, tweede lid van het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz, in beginsel gerechtigd de bijstand geheel te weigeren voor de duur van twee maanden.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is evenwel gebleken dat verweerder bij het opleggen van de maatregel rekening heeft gehouden met de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden waarin eiseres verkeerde met dien verstande dat verweerder, ondanks het feit dat er aan de zijde van eiseres sprake was van recidive als hierboven omschreven, de duur van de weigering heeft beperkt tot één maand in plaats van tot twee maanden. Hetgeen namens eiseres ter zitting naar voren is gebracht heeft de rechtbank geenszins kunnen overtuigen van het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid aan de zijde van eiseres op grond waarvan verweerder geheel had moeten afzien van het opleggen van een maatregel.

De rechtbank is, tot slot, niet gebleken van de aanwezigheid van dringende redenen als bedoeld in artikel 14, vierde lid, van de Abw op grond waarvan verweerder had moeten afzien van het opleggen van een maatregel.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eiser tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het beroep tegen dit onderdeel van het bestreden besluit dient derhalve ongegrond te worden verklaard.

3. Ten aanzien van het door eiseres ingestelde beroep tegen besluit 3 terwijl verweerder naar aanleiding van het tegen dat besluit gemaakte bezwaar nog geen beslissing had genomen.

In artikel 6:8 van de Awb is bepaald dat de termijn voor het maken van bezwaar of het instellen van beroep aanvangt als het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 6:10, eerste lid, van de Awb blijft ten aanzien van een voor het begin van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet ontvankelijkheid op grond daarvan achterwege indien het besluit ten tijde van de indiening:

a. wel reeds tot stand was gekomen of

b. nog niet tot stand was gekomen, maar de indiener redelijkerwijs kon menen dat dit reeds het geval was.

Op grond van artikel 7:10, eerste lid, van de Awb - voor zover hier van belang - beslist het bestuursorgaan indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 is ingesteld, binnen tien weken na ontvangst van het bezwaarschrift.

Naar aanleiding van het door eiseres gemaakte bezwaar tegen besluit 3 had verweerder op het tijdstip waarop het beroep werd ingesteld nog geen beslissing genomen. Ten tijde van het instellen van het beroep was de termijn voor het beslissen op het bezwaar als bedoeld in artikel 7:10, eerste lid, van de Awb nog niet verstreken waardoor de beroepstermijn nog niet was aangevangen. Het ingestelde beroep is derhalve prematuur. Nu zich naar het oordeel van de rechtbank geen omstandigheden voordoen als bedoeld in artikel 6:10, eerste lid, onder a of b, van de Awb dient eiseres niet ontvankelijk in dit onderdeel van haar beroep te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

Verklaart eiseres niet ontvankelijk in haar beroep voor zover dat is gericht tegen het besluit van 1 mei 2001, waarop verweerder nog geen beslissing op bezwaar had genomen;

Verklaart voor het overige het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. E. Klein Egelink, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2003 in tegenwoordigheid van mr. J.M.M. van Eeten als griffier.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 16 januari 2003

Coll: